Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1934

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
201902968/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen een verzoek van Waterbedrijf Groningen om nadeelcompensatie afgewezen. Bij brief van 3 november 2015 heeft Waterbedrijf Groningen bij het college een verzoek om nadeelcompensatie ingediend, waarbij het zich heeft beperkt tot de kosten van aanpassing (buitengebruikstelling) van vier waterleidingzinkers. Waterbedrijf Groningen heeft het college verzocht om een tegemoetkoming van € 62.081,00 in de kosten van ontwerp, begeleiding en uitvoering van de werkzaamheden ter hoogte van € 83.775,00. Volgens Waterbedrijf Groningen is dit, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, een reële compensatie voor het nadeel dat zij heeft als gevolg van de gedwongen aanpassing van vier waterleidingzinkers in verband met de werkzaamheden van de provincie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902968/1/A2.

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

N.V. Waterbedrijf Groningen, gevestigd te Groningen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 maart 2019 in zaak nr. 18/1458 in het geding tussen:

Waterbedrijf Groningen

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen.

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2017 heeft het college een verzoek van Waterbedrijf Groningen om nadeelcompensatie afgewezen.

Bij besluit van 11 april 2018 heeft het college het door Waterbedrijf Groningen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2019 heeft de rechtbank het door Waterbedrijf Groningen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Waterbedrijf Groningen hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij brief van 9 april 2020 heeft de Afdeling vragen gesteld aan beide partijen.

Bij brief van 21 april 2020 heeft het college antwoord gegeven op de door de Afdeling gestelde vragen. Bij brief van 7 mei 2020 heeft Waterbedrijf Groningen dat eveneens gedaan.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 juni 2020, waar Waterbedrijf Groningen, vertegenwoordigd door mr. S.T.J. Olierook, advocaat te Den Haag, [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door F. Veenhuizen en B.J. Dijkstra, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Op 9 juni 1950 heeft het college aan de rechtsvoorganger van Waterbedrijf Groningen vergunning verleend voor het leggen van zogenoemde waterleidingzinkers met aansluitende buisleidingen onder het Winschoterdiep benoorden Hoogezand en Sappemeer.

2.    Bij besluit van 12 december 2006 heeft het college de Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen provincie Groningen 2006 (hierna: de NKL) vastgesteld. Bij besluit van 22 januari 2013 heeft het college de NKL op onderdelen gewijzigd. De tekst van de NKL is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

3.    Als beheerder van de vaarwegen draagt het college de zorg voor het beheer en onderhoud van provinciale vaarwegen. Dit onderhoud geschiedt onder meer door middel van baggerwerkzaamheden. Dit is nodig om de vaarwegen op diepte te houden voor het scheepvaartverkeer. Met het oog op de baggerwerkzaamheden wordt de vergunninghouders in sommige gevallen gevraagd om de in de vaarwegen aanwezige kabels en leidingen aan te passen als de desbetreffende waterleidingzinkers na de werkzaamheden minder dan een meter diep, gemeten vanaf de bodem van het desbetreffende kanaal, komen te liggen. Door middel van het aanhouden van deze minimale diepte wordt getracht om beschadigingen aan kabels en leidingen door het ankeren te voorkomen.

4.    Bij brief van 12 juni 2013 heeft het college Waterbedrijf Groningen wegens geplande baggerwerkzaamheden verzocht om acht in de brief vermelde waterleidingzinkers uiterlijk op 31 augustus 2014 aan te passen. In de brief is tevens de toestemming (vergunning) voor de ligging van die waterleidingzinkers onder het Winschoterdiep ingetrokken. Volgens de brief betekent dit dat de waterleidingzinkers vanaf de inwerkingtreding van dit besluit zonder toestemming van de provincie in provinciale grond liggen en dat Waterbedrijf Groningen is gehouden om deze te verwijderen.

Verzoek om nadeelcompensatie

5.    Bij brief van 3 november 2015 heeft Waterbedrijf Groningen, met verwijzing naar de NKL, bij het college een verzoek om nadeelcompensatie ingediend, waarbij het zich heeft beperkt tot de kosten van aanpassing (buitengebruikstelling) van vier waterleidingzinkers. Waterbedrijf Groningen heeft het college verzocht om een tegemoetkoming van € 62.081,00 in de kosten van ontwerp, begeleiding en uitvoering van de werkzaamheden ter hoogte van € 83.775,00. Volgens Waterbedrijf Groningen is dit, gezien de bijzondere omstandigheden van het geval, een reële compensatie voor het nadeel dat zij heeft als gevolg van de gedwongen aanpassing van vier waterleidingzinkers in verband met de werkzaamheden van de provincie. Waterbedrijf Groningen heeft haar totale kosten als gevolg van de door de baggerwerkzaamheden ingegeven intrekking van de vergunning geschat op een bedrag van € 2.634.775,00.

Advies van de SAOZ

6.    Het college heeft voor het op het verzoek om nadeelcompensatie te nemen besluit advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In het advies van de SAOZ is onder meer het volgende vermeld.

kruisende leidingen

6.1.    Het verzoek om nadeelcompensatie heeft betrekking op de verlegging van vier waterleidingzinkers die als kruisende leidingen zijn aan te merken.

6.2.    De zinkers waren ten tijde van het nemen van de beslissing van 12 juni 2013 ongeveer 61 tot 63 jaar oud. De zinkers waren gelegen in natte infrastructuur. Dit betekent dat het vergoedingsregime van artikel 4, tweede lid, van de NKL en bijlage 2 bij de NKL van toepassing is. In bijlage 2 is bepaald dat de tegemoetkoming in de schade bij verlegging van een kruisende leiding nihil is, indien de kruisende leiding een leeftijd heeft die, ten tijde van de intrekking van de vergunning, groter is dan 30 jaar. Hieruit volgt dat de verleggingskosten van Waterbedrijf Groningen in beginsel niet voor nadeelcompensatie in aanmerking komen.

hardheidsclausule

6.3.    Waterbedrijf Groningen heeft een beroep gedaan op de hardheidsclausule van de artikelen 6 en 10 van de NKL. Waterbedrijf Groningen stelt zich op het standpunt dat wegens de bijzondere omstandigheden van het geval aanleiding bestaat voor nadeelcompensatie. Volgens Waterbedrijf Groningen zou een strikte toepassing van de NKL leiden tot onevenredige - buiten het normale maatschappelijke risico vallende -  schade die niet zonder meer voor haar rekening mag blijven en brengt een juiste invulling van het normale maatschappelijke risico met zich dat daarbij onder meer rekening wordt gehouden met de resterende technische levensduur van de leidingen en de omvang van de kosten van verlegging van die leidingen.

6.4.    De technische levensduur van de te vervangen leidingen was ten tijde van het nemen van de beslissing van 12 juni 2013 nog niet verstreken. Daar tegenover staat dat de leidingen ten tijde van dat besluit in economische zin waren afgeschreven en dat dit een indicatie was voor autonome vervanging. Dat leidt tot de conclusie dat de technische levensduur van de leidingen slechts gedeeltelijk een bijzondere omstandigheid is.

6.5.    Waterbedrijf Groningen heeft te kennen gegeven dat de totale verleggingskosten in verband met de werkzaamheden in het Winschoterdiep uiteindelijk circa € 2.634.775,00 zullen bedragen. Hoewel het advies uitsluitend betrekking heeft op de verleggingskosten van de reeds verlegde waterleidingzinkers (ter hoogte van € 83.775,00), is het niet onredelijk om bij de beoordeling van het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule ook de totale (te verwachten) kosten te betrekken. Het is hierbij van belang om de kosten ook in het relatieve perspectief van de financiële positie van Waterbedrijf Groningen te beschouwen.

Het gemiddelde niveau van de jaarlijkse bedrijfskosten over de boekjaren 2012 tot en met 2014 was € 45.633.333,00. Indien de verleggingskosten in twee boekjaren worden gemaakt en de maximale verleggingskosten van € 2.634.775,00 worden afgezet tegen de bedrijfskosten van twee boekjaren (ter hoogte van € 91.266.667,00), bedragen de verleggingskosten in relatieve zin 2,9 procent van de bedrijfskosten. De relatieve omvang van de verleggingskosten ten opzichte van de totale bedrijfskosten is niet zodanig dat dit redelijkerwijs zal leiden tot een schrijnende financiële situatie aan de zijde van Waterbedrijf Groningen.

6.6.    De conclusie van de SAOZ is dat in de door Waterbedrijf Groningen benoemde omstandigheden geen grond is te vinden voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 6 van de NKL.

normale maatschappelijke risico

6.7.    In beginsel is de uitvoering van (bagger)werkzaamheden ten behoeve van de verbetering van de vaardiepte van het Winschoterdiep en de veiligheid van het vaarverkeer een normale maatschappelijke ontwikkeling in het algemeen belang. Dat geldt ook als er geen concreet zicht was op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop de baggerwerkzaamheden zich zouden concretiseren. Dat klemt te meer nu al sinds 2008 (uitvoerig) met onder meer de nutsbedrijven is gesproken over de voorbereiding en uitvoering van de baggerwerkzaamheden. Waterbedrijf Groningen is niet overvallen door de benodigde verleggingen en heeft zich daarop kunnen voorbereiden.

Uit de rechtspraak volgt dat ook de relatieve omvang van de schade ten opzichte van de omzet, brutowinst of kostenstructuur van de benadeelde van belang is bij de beoordeling van het normale maatschappelijke risico. In dit geval bedragen de totale verleggingskosten ongeveer 2,9 procent van de bedrijfskosten. Dat is slechts een geringe overschrijding van de minimale drempel van artikel 6.2, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

6.8.    De conclusie van de SAOZ is dat, ook gezien de beoordeling van de andere voor het normale maatschappelijke risico relevante criteria, de totale verleggingskosten het normale maatschappelijks risico niet overstijgen.

Advies van de commissie

7.    Het college heeft het advies van de SAOZ aan het besluit van 19 januari 2017 ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van het tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het college advies gevraagd aan de commissie rechtsbescherming van de provincie Groningen (hierna: de commissie). In het advies van de commissie van 9 oktober 2017 is onder meer het volgende vermeld.

beoordeling rechtmatigheid van de NKL

7.1.    De NKL is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Het college was bevoegd om daarin het normale maatschappelijke risico vooraf in te vullen. Dit komt de rechtszekerheid ten goede. De termijn van 30 jaar voor kruisende leidingen in natte infrastructuur is niet onredelijk of ondoelmatig. Hetzelfde geldt voor het onderscheid tussen de vergoeding bij natte en droge infrastructuur. Waterbedrijf Groningen heeft gesteld dat de vergoeding is gekoppeld aan de leeftijd van de desbetreffende leiding. De vergoeding is echter gekoppeld aan de leeftijd van de toestemming (vergunning) die wordt ingetrokken. Dit bezwaar treft geen doel.

7.2.    De NKL is bij besluit van 22 januari 2013 gewijzigd. Die wijziging is op 1 februari 2013 in werking getreden. De verleende toestemming is bij brief van 12 juni 2013 ingetrokken. De aanvraag om nadeelcompensatie is bij brief van 3 november 2015 ingediend. De aanvraag was geen lopende aanvraag op het moment dat de wijziging van de NKL in werking is getreden. De commissie gaat daarom niet nader in op het bezwaar dat de wijziging van de NKL ten onrechte van toepassing is verklaard op een lopende aanvraag. Dit bezwaar slaagt niet.

kwalificatie van de leidingen

7.3.    Waterbedrijf Groningen heeft zich op het standpunt gesteld dat de SAOZ de hier relevante leidingen ten onrechte als volledig kruisende leidingen heeft gekwalificeerd.

7.4.    Bij volledig kruisende leidingen is, gelet op bijlage 2 bij de NKL, de vergoeding nihil als de in te trekken vergunning ouder is dan 30 jaar. Indien de leidingen deels kruisende leidingen en deels buitenleidingen zijn, is de vergoeding, gelet op bijlage 4 bij de NKL, afhankelijk van de juridische grondslag van de aanwezigheid van de buitenleidingen.

7.5.    Het gedeelte van de leidingen dat is gelegen in het Winschoterdiep, en daarmee binnen het beheergebied van de provincie, is kruisend. De toestemming die is ingetrokken bij beslissing van 12 juni 2013, heeft betrekking op het gedeelte van de leidingen dat is gelegen in het Winschoterdiep. Dit zijn de waterleidingzinkers. Daarnaast wordt een gedeelte van elk van de vier leidingen - aan weerszijden van het kruisende gedeelte - aangemerkt als buitenleiding (liggend buiten het beheergebied van de provincie). Daarbij is gebleken dat de gedeelten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, in die zin dat het technisch niet mogelijk is om alleen de zinker te verwijderen, zonder ook ingrepen te verrichten aan de leidingen buiten het beheergebied van de provincie.

7.6.    De NKL gaat uit van een lineair vergoedingenstelsel, waarbij het uitgangspunt is dat het normale maatschappelijke risico toeneemt, naarmate de leeftijd van de vergunning vordert. Naarmate het normale maatschappelijke risico stijgt, daalt de vergoeding. Het omslagpunt voor kruisende leidingen ligt op 30 jaar. Voor het gedeelte van de leidingen binnen het beheergebied van de provincie - het kruisende gedeelte in natte infrastructuur - bestaat in dit geval geen recht op vergoeding, omdat de ingetrokken vergunning ouder is dan 30 jaar.

7.7.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband bestaat tussen het verwijderen van waterleidingzinkers die te ondiep liggen en het verwijderen van de buitenleidingen, omdat de ingetrokken toestemming uitsluitend betrekking heeft op het kruisende gedeelte van een leiding en niet op het resterende gedeelte van de leiding, zodat ook geen causaal verband bestaat tussen het intrekken van de toestemming voor het kruisende gedeelte en de kosten die gemoeid zijn met verlegging of verwijdering van het resterende gedeelte van de leiding.

De commissie volgt het college hierin niet. Als voorbeeld heeft zij leiding nr. 7 genomen. Een gedeelte van deze leiding is gelegen in het Winschoterdiep. Op de kaart is ter hoogte van het Winschoterdiep aangegeven dat de lengte van de leiding 34,9 m is. De leiding, waarvan de zinker onderdeel is, is aangegeven met een rode lijn en gaat verder in noordelijke richting, waar de leiding buiten het Winschoterdiep is gelegen. Aan de boven- en de onderzijde sluit de leiding aan op een leiding die is weergegeven met een blauwe lijn. Als de zinker wordt verwijderd, is leiding nr. 7 onderbroken en is deze niet meer bruikbaar voor het transport van water. Daarom is er een causaal verband tussen het intrekken van de toestemming voor de zinker en het niet meer kunnen gebruiken van het resterende gedeelte van de leiding. De intrekking van de toestemming voor de zinker heeft gevolgen voor de gehele leiding die met een rode lijn is aangegeven en niet alleen voor de zinker die daarvan onderdeel is. Daarmee is niet alleen een ingreep in de kruisende leiding noodzakelijk, maar ook in de buitenleiding, omdat beide leidingdelen onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Dit leidt de commissie tot de conclusie dat er een causaal verband is tussen de ingetrokken toestemming en de kosten in verband met het verleggen of verwijderen van de gedeelten van de vier leidingen die als buitenleiding moeten worden aangemerkt. Het bezwaar is op dit punt gegrond en het college heeft het advies van SAOZ op dit punt ten onrechte gevolgd. Indien en voor zover het college heeft bedoeld te stellen dat de NKL niet van toepassing is op buitenleidingen, kan de commissie het college daarin niet volgen. Uit artikel 7 van de NKL volgt dat vergoeding mogelijk is als een besluit van het college leidt tot verlegging van buitenleidingen.

hardheidsclausule

7.8.    Naar het oordeel van de commissie heeft Waterbedrijf Groningen in het bezwaarschrift geen bijzondere omstandigheden naar voren gebracht. Vrijwel alle door Waterbedrijf Groningen aangevoerde omstandigheden zullen zich in de meeste gevallen voordoen waarin de toestemming voor de ligging van een leiding in natte infrastructuur wordt ingetrokken. Bijvoorbeeld dat de aansluitende leidingen worden aangepast, dat de zinkers buiten bedrijf worden gesteld, dat de zinkers nog een levensduur van 30 jaar hebben, dat schade wordt geleden vanwege de verlegging, dat Waterbedrijf Groningen geen andere keuze had dan de leidingen kruisend te leggen en dat de kosten worden verdisconteerd in de kosten van de dienstverlening.

7.9.    In het bezwaarschrift heeft Waterbedrijf Groningen uiteengezet dat de zinkers buiten gebruik kunnen worden genomen zonder ze te vervangen, dat de maatschappelijke kosten daardoor lager zijn en dat dit de veiligheid in het Winschoterdiep ten goede komt. De zinkers, die al buiten gebruik zijn genomen, maar nog niet verwijderd, worden vervangen door drie zinkers die door middel van boring worden aangelegd.

Volgens de commissie valt echter niet in te zien waarom dit een bijzondere omstandigheid is. Indien een vergunning wordt ingetrokken, zal dit immers in - vrijwel - alle gevallen leiden tot kosten voor verwijdering of vervanging.

7.10.    Ter zitting van de commissie is, in aanvulling op het bezwaarschrift, aangevoerd dat het college geruime tijd op de hoogte was van het uitgangspunt dat de zinkers niet worden vervangen door nieuwe zinkers, maar dat wordt gekozen voor kruisen door middel van een boring. Naar het oordeel van de commissie is ook dit geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule kan worden gedaan. De instemming van de zijde van de provincie met het te hanteren uitgangspunt is geen toezegging dat geleden schade wordt vergoed.

7.11.    Naar het oordeel van de commissie slaagt het beroep op de hardheidsclausule niet en is het bezwaar op dit punt ongegrond.

normale maatschappelijke risico

7.12.    De commissie volgt de SAOZ niet in de stelling dat het verzoek om nadeelcompensatie - na toepassing van de beleidsregel en na beoordeling van de toepasbaarheid van de hardheidsclausule - nader wordt beoordeeld aan de hand van de invulling van het normale maatschappelijke risico. Daarvoor bestaat in dit geval geen aanleiding. In de NKL is het normale maatschappelijke risico immers vooraf ingevuld en deze invulling is niet onredelijk of ondoelmatig. Dat betekent dat een aanvullende beoordeling met betrekking tot het normale maatschappelijke risico niet aan de orde is.

Besluit van 11 april 2018

8.    Voor de motivering van het besluit van 11 april 2018, waarbij het door Waterbedrijf Groningen gemaakte bezwaar ongegrond is verklaard, heeft het college verwezen naar het advies van de commissie, met uitzondering van de paragraaf over de kwalificatie van de leidingen. Volgens het college heeft de commissie miskend dat Waterbedrijf Groningen alleen heeft verzocht om vergoeding van kosten die verband houden met werkzaamheden binnen het beheergebied van de provincie. Het gaat - kort gezegd - om het buiten bedrijf nemen van binnen het beheergebied gelegen zinkers. De werkzaamheden waarvoor nadeelcompensatie is gevraagd, hebben plaatsgevonden aan kruisende leidingen. Het verzoek om nadeelcompensatie ziet niet op werkzaamheden die hebben plaatsgevonden of gaan plaatsvinden aan buitenleidingen. De zinkers zijn immers buiten bedrijf gesteld zonder dat daarvoor vervangende maatregelen zijn getroffen. Het buiten bedrijf stellen van deze zinkers leidt dus niet tot veranderingen aan de daarmee verbonden buitenleidingen. Daarom heeft het verzoek alleen betrekking op kosten die zijn gemaakt in verband met werkzaamheden aan kruisende leidingen. Het al dan niet bestaan van een causaal verband tussen het schadeveroorzakend besluit en de kosten van buitenleidingen is in het kader van deze procedure dus niet relevant, omdat het verzoek niet ziet op vergoeding van kosten van werkzaamheden aan buitenleidingen, aldus het college.

Oordeel van de rechtbank

9.    Volgens de rechtbank heeft het college het verzoek om nadeelcompensatie in redelijkheid kunnen afwijzen. Aan dat oordeel heeft zij de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.

Gelet op de titel van (de afdelingen 1.2 en 1.3 van) de NKL en de wijze van berekening van de schade en vergoeding in de bijlagen van de NKL, is nadeelcompensatie ingevolge de NKL slechts dan in beeld, indien er sprake is van het verleggen van leidingen. In dit geval is daarvan geen sprake. Met betrekking tot zinker nr. 7, zinker nr. 11 en zinker nr. 15 heeft Waterbedrijf Groningen dat ter zitting ook bevestigd. Met betrekking tot zinker nr. 8 is na de afsluiting een T-stuk aangebracht. Dat maakt echter niet dat sprake is van (het) verleggen (van leidingen). Op geen moment is er namelijk een nieuwe leiding aangelegd, ter vervanging van de bestaande, om zodoende de watervoorziening te kunnen blijven waarborgen. Ook is geen sprake geweest van het verplaatsen van de bestaande leidingen om zodoende de watervoorziening te kunnen waarborgen. De watervoorziening is gewaarborgd gebleven door gebruik te maken van alternatieve leidingen die al waren aangelegd.

Omdat geen sprake is van het verleggen van kabels en leidingen, is de NKL in dit geval niet van toepassing. De beroepsgronden met betrekking tot de inhoud van de NKL behoeven dan ook geen bespreking meer. Datzelfde geldt voor de beroepsgronden met betrekking tot de wijze van totstandkoming van de NKL. Evenmin wordt toegekomen aan de vraag of het college gehouden was toepassing te geven aan de in de NKL opgenomen hardheidsclausules.

Hoger beroep

10.    Waterbedrijf Groningen is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat in dit geval geen sprake is van het verleggen van leidingen in de zin van de NKL. Als gevolg van dit onjuiste oordeel heeft de rechtbank zich ten onrechte niet uitgelaten over de beroepsgronden. Indien de rechtbank terecht tot het oordeel zou zijn gekomen dat de NKL in dit geval niet van toepassing is, heeft zij voorts verzuimd om het bestreden besluit te toetsen aan het ongeschreven algemeen rechtsbeginsel van de gelijkheid voor de openbare lasten, aldus Waterbedrijf Groningen.

11.    De Afdeling zal hierna ingaan op de door Waterbedrijf Groningen in hoger beroep aangevoerde gronden. Zij zal afsluiten met een conclusie.

verleggen van leidingen

12.    Waterbedrijf Groningen betoogt dat de rechtbank, bij het ontbreken van een definitie van verleggen in de NKL, ten onrechte alleen heeft gekeken naar de betekenis van dat woord in het normale spraakgebruik en niet naar de betekenis ervan binnen de systematiek, de totstandkomingsgeschiedenis en het doel van de NKL. Bij haar grammaticale of taalkundige uitleg had de rechtbank ook de (juridische) betekenis van verleggen, zoals deze wordt gehanteerd binnen de kabel- en leidingensector in Nederland, moeten betrekken. Op basis van deze interpretatiemethoden komt Waterbedrijf Groningen tot de conclusie dat de rechtbank de NKL te strikt heeft geïnterpreteerd en heeft miskend dat ook bepaalde aanpassingen aan kabels en leidingen binnen de werking van de NKL vallen.

Waterbedrijf Groningen voert ter toelichting van haar betoog aan dat zij ingevolge haar wettelijke taak gehouden was om de drinkwatervoorziening te verzekeren en dat zij daarom genoodzaakt was  vervangende maatregelen te nemen om dezelfde capaciteit water te kunnen leveren. Zij had ervoor kunnen kiezen om de vier zinkers opnieuw één-op-één aan te leggen. In plaats daarvan heeft zij onderzoek gedaan naar een technisch adequaat alternatief tegen maatschappelijk lagere kosten. Dat alternatief was er in de vorm van het vervangen van de zinkers door koppelleidingen en/of horizontaal gestuurde boringen. Verder zijn technische aanpassingen in het leidingennetwerk gerealiseerd. Vanwege deze vervangende maatregelen en technische aanpassingen in het leidingennetwerk, alsmede door een beperkt beroep te doen op bestaande restcapaciteit van het leidingennetwerk, was het mogelijk om niet één-op-één vervangende leidingen voor de zinkers aan te leggen.

Waterbedrijf Groningen stelt zich verder op het standpunt dat zowel de door haar gekozen oplossing als de wijze waarop zij de schade heeft berekend voldoet aan de uitgangspunten van NKL. Door alleen van verleggen te spreken wanneer leidingen één-op-één worden vervangen, wordt niet in overeenstemming gehandeld met (de strekking van) de NKL, die immers uitgaat van een keuze voor het meest adequate alternatief tegen de maatschappelijk laagste kosten. Indien wordt meegegaan in het oordeel van de rechtbank, zouden de kosten van het buiten gebruik stellen, van het leidingennet afkoppelen en verwijderen van de zinkers en van de technische aanpassingen voor het kunnen laten vervallen van de zinkers dus niet voor compensatie op grond van de NKL in aanmerking komen, terwijl deze kosten wel het gevolg zijn van de provinciale baggerwerkzaamheden in het Winschoterdiep, van het hierdoor ingegeven besluit tot intrekking van de vergunning en van de keuze voor het technisch meest adequate alternatief tegen de maatschappelijk laagste kosten. Die door de NKL opgedragen keuze zou niet mogen worden beïnvloed door het risico dat een aanpassing niet als verlegging wordt gekwalificeerd. Waterbedrijf Groningen wordt dan immers gedwongen om voor een minder goed alternatief te kiezen tegen maatschappelijk hogere kosten.

12.1.    Het oordeel van de rechtbank berust op een onjuiste uitleg van de NKL. Waterbedrijf Groningen wordt gevolgd in het betoog dat de NKL, gelet op het doel van deze regeling, niet alleen ziet op verlegging van kabels en leidingen, maar op iedere aanpassing aan kabels en leidingen als gevolg van een beslissing van het college, als bedoeld in artikel 2 van de NKL. In de schriftelijke uiteenzetting heeft het college dit betoog ook niet gemotiveerd weersproken. In dit bijzondere geval zou de uitleg van de rechtbank er bovendien toe kunnen leiden dat, zoals Waterbedrijf Groningen terecht stelt, de vergunninghouder -  met het oog op zijn financiële belang bij het verkrijgen van een tegemoetkoming - waterleidingzinkers één-op-één door andere waterleidingzinkers vervangt, terwijl een goedkopere oplossing voorhanden is.

12.2.    Hoewel de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de NKL in dit geval niet van toepassing is, leidt dat, gelet op het hierna te geven oordeel over de door Waterbedrijf Groningen in beroep aangevoerde gronden, niet tot de conclusie dat het beroep ten onrechte ongegrond is verklaard.

beroepsgronden

12.3.    Waterbedrijf Groningen heeft in beroep, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Het verzoek om nadeelcompensatie ziet ook op kosten die verband houden met aanpassingen aan de op de zinkers aansluitende buitenleidingen. In het aan het verzoek gehechte overzicht is duidelijk gemaakt welke werkzaamheden aan de buitenleidingen zijn verricht en wat daarvan de kosten zijn.

De bij besluit van 22 januari 2013 in de NKL geïntroduceerde afschrijvingsregeling is onredelijk en ongemotiveerd, omdat deze regeling niet is gekoppeld aan de resterende technische levensduur van de leidingen, maar aan de leeftijd van de onderliggende vergunning. Daardoor is het normale maatschappelijke risico niet op juiste wijze verdisconteerd in de beleidsregels. Onder de bij besluit van 12 december 2006 vastgestelde beleidsregels was vergoeding van kosten van het aanpassen van kruisende leidingen nog mogelijk. Het is opmerkelijk dat de NKL ongeveer vier maanden vóór het besluit van 12 juni 2013 is gewijzigd in het nadeel van Waterbedrijf Groningen. Waterbedrijf Groningen heeft op deze wijze niet dan wel niet afdoende rekening kunnen houden met het gewijzigde beleid.

Waterbedrijf Groningen kan zich niet verenigen met de wijze waarop toepassing van de hardheidsclausule van de artikelen 6 en 10 van de NKL achterwege is gelaten. Indien Waterbedrijf Groningen de te verwijderen zinkers had vervangen door soortgelijke, dieper gelegen zinkers, was vergoeding van de kosten daarvan op grond van de NKL mogelijk geweest. Omdat zij heeft gekozen voor een technisch alternatief dat tegen de maatschappelijk laagste kosten was te realiseren, blijft zij echter met lege handen achter.

Het college heeft in strijd gehandeld met het algemene rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten en met het eigen beleid, dat mede vorm wordt gegeven door de NKL, door de geleden schade niet te vergoeden, aldus Waterbedrijf Groningen.

buitenleidingen

12.4.    Ter zitting van de Afdeling heeft het college desgevraagd te kennen gegeven dat het zich niet langer op het standpunt stelt dat het verzoek om nadeelcompensatie niet tevens ziet op vergoeding van kosten van werkzaamheden aan buitenleidingen.

afschrijvingsregeling

12.5.    De invulling van het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico is afhankelijk van alle relevante omstandigheden van het geval. Van belang zijn onder meer de aard van de schadeveroorzakende maatregel (tijd, duur, plaats, ontstaanswijze en andere relevante omstandigheden), de aard, ernst en omvang van de schade en de vraag of de ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag.

12.6.    Het vaststellen van de omvang van het normale maatschappelijke risico of normale ondernemersrisico is in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, in dit geval het college, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het college is daarbij niet zonder meer gebonden aan regels over de vaststelling van de omvang van het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico van bestuursorganen die tot andere rechtspersonen behoren. Dat er bestuursorganen zijn die op een andere wijze dan het college invulling hebben gegeven aan het normale maatschappelijke risico of het normale ondernemersrisico, maakt dat niet anders.

12.7.    Volgens artikel 4, tweede lid, van de NKL, gelezen in verbinding met bijlage 2 bij de NKL, is vergoeding van de kosten van verlegging van kruisende leidingen in natte infrastructuur afhankelijk van de ouderdom van de vergunning op de dag van de inwerkingtreding van het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning. Gedurende de eerste vijftien jaren is het vergoedingspercentage 100. Vanaf het begin van het zestiende jaar tot het einde van het dertigste jaar daalt het vergoedingspercentage lineair van 80 naar 0.

12.8.    In het betoog van Waterbedrijf Groningen is geen grond te vinden voor het oordeel dat het college, mede gelet op de beoordelingsruimte die het daarbij heeft, het vergoedingspercentage niet in redelijkheid heeft kunnen relateren aan de ouderdom van de vergunning. De ouderdom van de vergunning is van belang voor de beslissing op een verzoek om nadeelcompensatie. Met het verstrijken van de tijd neemt het risico van een wijziging of intrekking van de vergunning, in verband met werkzaamheden aan de infrastructuur die nopen tot aanpassing of verwijdering van leidingen, immers navenant toe. De vergunninghouder dient in zijn bedrijfsvoering rekening te houden met de mogelijkheid dat hij de leidingen - vroeg of laat - moet verleggen. Indien hij vooraf geen mogelijkheden had om te voorkomen dat hij schade zou lijden, betekent dat voorts niet per definitie dat hij de schade op de overheid kan afwentelen. Voor tal van risicofactoren, zoals weersgesteldheid, invloed van de seizoenen, ziekte van werknemers, stakingen, normale omzetschommelingen en economische recessie, geldt immers dat een ondernemer daarop geen invloed heeft. Dit soort risicofactoren zijn inherent aan het drijven van een onderneming en de daardoor geleden schade behoort in beginsel tot het normale ondernemersrisico. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4566).

Voor zover de bij besluit van 22 januari 2013 vastgestelde wijziging van de NKL in het nadeel van Waterbedrijf Groningen was, neemt dat niet weg dat, gelet op het voorgaande, de wijziging niet in strijd is met het algemene rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten.

Ten tijde van  het nemen van de beslissing van 12 juni 2013 was de op 9 juni 1950 verleende vergunning ouder dan 30 jaar. Dat betekent dat de kosten van het verleggen van kruisende leidingen op grond van artikel 4, tweede lid, van de NKL, gelezen in verbinding met bijlage 2 bij de NKL, in beginsel voor rekening van Waterbedrijf Groningen komen.

12.9.    Voor het geval een oorzakelijk verband, als bedoeld in artikel 7 van de NKL, bestaat tussen de beslissing van 12 juni 2013 en de door Waterbedrijf gesteld kosten van werkzaamheden aan buitenleidingen, is er geen reden om bij de vergoeding van die kosten op een andere wijze invulling te geven aan het normale maatschappelijke risico dan bij kosten van verleggen van kruisende leidingen. De aard van de schadeveroorzakende maatregel en van de schade is immers niet anders. Ook de gestelde kosten van werkzaamheden aan buitenleidingen komen dus in beginsel voor rekening van Waterbedrijf Groningen.

hardheidsclausule

12.10.    Ten slotte is in het betoog geen grond te vinden voor het oordeel dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Dat Waterbedrijf Groningen de mogelijkheid had om de te verwijderen zinkers door dieper gelegen zinkers te laten vervangen, laat onverlet dat het college een verzoek om vergoeding van de kosten daarvan had kunnen weigeren onder verwijzing naar de zogenoemde afschrijvingsregeling van artikel 4, tweede lid, van de NKL, gelezen in verbinding met bijlage 2 bij de NKL. Zij is in dit opzicht niet benadeeld door haar keuze voor een alternatief dat tegen lagere maatschappelijk kosten was te realiseren. Voorts heeft Waterbedrijf Groningen niet bestreden dat de kosten van dit alternatief ten opzichte van de totale bedrijfskosten voor haar geen abnormale last betekenen. De weigering om voor deze kosten, met toepassing van de hardheidsclausule, een vergoeding toe te kennen, is niet onredelijk.

Conclusie

13.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

Proceskosten

14.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Van Ravels    w.g. Hazen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020

452.

 

BIJLAGE

 

Nadeelcompensatieregeling verleggen kabels en leidingen provincie Groningen 2006

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1.1. Definities

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a.    aanvrager: de indiener van een aanvraag als bedoeld in artikel 2 of 7;

b.    kabel: een sterke, buigzame, verbinding, bestaande uit een of meer geleiders die zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt voor het transport van elektrische energie of elektrische signalen of optische signalen;

c.    leiding: een buis, vervaardigd van een duurzaam materiaal zoals staal, beton of kunststof en geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen;

d.    vergunning: elke al dan niet schriftelijke toestemming van de provincie Groningen;

e.    droge infrastructuur: provinciale waterstaatswerken als bedoeld in het Wegenreglement der provincie Groningen, met uitzondering van waterwegen en die dijken als hierna onder f genoemd;

f.    natte infrastructuur: provinciale waterwegen en dijken, voor wat betreft de laatste slechts voor zover het gaat om de aanleg van of wijziging aan de dijk als waterkeringswerk;

g.    langsleiding: een leiding of kabel die, krachtens vergunning, parallel is gelegd aan, boven, onder op of in provinciale infrastructuur;

h.    kruisende leiding: een leiding of kabel die, krachtens vergunning, kruisend door, op, boven, onder of in provinciale infrastructuur is gelegd;

i.    buitenleiding: een leiding of kabel die buiten het beheergebied van de provincie is gelegd en valt onder één van de categorieën openbare werken als bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet privaatrecht.

Afdeling 1.2. Recht op vergoeding voor het verleggen van kruisende - en/ of langsleidingen en de omvang daarvan

Artikel 2

Voor zover blijkt dat een aanvrager ten gevolge van een besluit van gedeputeerde staten, inhoudende de wijziging of intrekking van een vergunning, schade lijdt of zal lijden, waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, kennen gedeputeerde staten, met inachtneming van de artikelen 3 tot en met 35, op aanvraag aan hem een vergoeding toe.

Artikel 3

De omvang van de schade wordt overeenkomstig de voorschriften, vervat in de van deze regeling deel uit makende bijlage 1, berekend.

Artikel 4

1. Onverminderd de artikelen 5 en 6, bestaat de vergoeding bij een langsleiding uit een percentage van de berekende schade, welk percentage lineair gerelateerd is aan de tijdsduur die is verstreken vanaf de datum van inwerkingtreding van het besluit tot verlening van de vergunning tot en met de dag van de inwerkingtreding van het besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning, overeenkomstig hetgeen ter zake is weergegeven ten behoeve van respectievelijk de droge en natte infrastructuur in de van deze regeling deel uitmakende schema's zoals opgenomen in bijlage 2.

2. Onverminderd de artikelen 5 en 6, bestaat de vergoeding bij een kruisende leiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingkosten zoals is weergegeven in de van deze regeling deel uitmakende bijlage 3. Op het bepalen van de vergoeding voor een kruisende leiding van natte infrastructuur is tevens de van deze regeling deel uitmakende bijlage 2 van toepassing.

Artikel 5

Geen vergoeding vindt plaats als in het besluit tot verlening van de vergunning een bepaling is opgenomen dat binnen een periode van vijf jaren, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van de vergunning, een wijziging of intrekking van die vergunning te voorzien is in verband met binnen die periode uit te voeren werkzaamheden aan en ten behoeve van de desbetreffende infrastructuur en binnen de genoemde periode van vijf jaar daadwerkelijk een besluit tot wijziging of intrekking van de vergunning wordt toegezonden.

Artikel 6

Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van de schade ten laste van de aanvrager dient te blijven dan uit de toepassing van de artikelen 3 tot en met 5 voortvloeit, kan van die artikelen worden afgeweken.

Afdeling 1.3. Recht op vergoeding voor het verleggen van buitenleidingen en de omvang daarvan

Artikel 7

Gedeputeerde staten kennen de aanvrager die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens gedeputeerde staten van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak leidende tot een verlegging van een buitenleiding, op aanvraag een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.

Artikel 8

De omvang van de schade wordt overeenkomstig de voorschriften vervat in de bijlage 1 bij deze regeling berekend.

Artikel 9

Onverminderd artikel 10, bestaat de vergoeding bij een buitenleiding uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding alsmede uitvoeringskosten van de werkelijke verleggingkosten zoals is weergegeven in de van deze regeling deel uitmakende bijlage 4.

Artikel 10

Indien in bijzondere omstandigheden gronden aanwezig zijn om te concluderen dat redelijkerwijs een groter of kleiner gedeelte van de schade ten laste van de aanvrager dient te blijven dan uit de toepassing van de artikelen 8 en 9 voortvloeit, kan van die artikelen worden afgeweken.

[…].

Bijlagen behorend bij en onderdeel uitmakend van de NKL provincie Groningen 2006

Bijlage 1, bedoeld in artikel 3 en artikel 8 van de NKL provincie Groningen 2006

Wijze van schadeberekening

Inleiding

In de NKL provincie Groningen 2006 worden de volgende soorten kabels en leidingen onderscheiden:

1. langsleidingen en kruisende leidingen van natte infrastructuur; de vergoeding voor het verleggen wordt bepaald aan de hand van bijlage 2,

2. kruisende leidingen; de vergoeding voor het verleggen wordt bepaald aan de hand van bijlage 3,

3. buitenleidingen; de vergoeding voor het verleggen wordt bepaald aan de hand van bijlage 4.

Voor de kabels en leidingen genoemd onder 1, 2 en 3 geldt dat allereerst de kosten van een verlegging worden bepaald. Van deze kosten worden voordelen afgetrokken die voortvloeien uit een verlegging. Het aldus berekende bedrag is de schade die een kabel- of leidingbeheerder lijdt door een verlegging. De wijze van schadeberekening is in deze bijlage bepaald.

1. Wijze waarop de omvang van de schade wordt bepaald

[…].

2. Schadeberekening

Artikel 1

1. De hoogte van de kosten voor het verleggen van een kabel of leiding wordt vastgesteld aan de hand van de werkelijke verleggingkosten, deze bestaan uit: materiaalkosten, kosten van het uit en in bedrijf stellen, kosten van ontwerp en begeleiding, uitvoeringskosten.

2. De hoogte van de kosten wordt gecorrigeerd indien zich door de verlegging of aanpassing van de kabel of leiding een kwantificeerbare voordeeltoerekening voordoet.

Artikel 2

Onder materiaalkosten worden onder meer kosten van bedrijfseigen materialen verstaan die noodzakelijk zijn voor de instandhouding van de functie van de te verleggen kabel of leiding en daarvoor noodzakelijke beschermingsconstructies. Hieronder worden in elk geval verstaan: kosten van kabel- en of leidingcomponenten, kosten van elektrotechnische, werktuigbouwkundige en civieltechnische materialen, kosten van bouwmaterialen, alsmede kosten van bouwmaterialen bestemd voor gebouwen waarin delen van kabel- en leidingsystemen worden ondergebracht. Ook de kosten van het transport van materialen naar de bouwplaats vallen onder het begrip materiaalkosten.

Artikel 3

Onder de kosten van het uit en in bedrijf stellen worden verstaan: - kosten van het spannings- of productloos maken van de kabel of leiding alsmede de kosten van het weer in bedrijf stellen van de kabel of leiding, - kosten samenhangend met tijdelijke voorzieningen van operationele aard nodig om de levering tijdens de uitvoering van een verlegging te waarborgen, zoals extra kosten van personele aard ten behoeve van bedrijfsvoering en hulpmiddelen voor die bedrijfsvoering zoals watertanks, gasflessen en noodaggregaten.

Artikel 4

Voor de bepaling van de kosten van ontwerp en begeleiding is de Rechtsverhouding opdrachtgever-architect, ingenieur en adviseur (DNR 2005) van toepassing.

Artikel 5

Onder uitvoeringskosten worden onder meer verstaan: kosten van civieltechnische, bouwkundige en installatietechnische werkzaamheden (zoals werkputten en ondersteuningen); kosten samenhangend met de uitvoering van het verwijderen van als direct gevolg van de onderhavige werkzaamheden verlaten kabels of leidingen, waarbij de ter plaatse vrijgekomen materialen het eigendom worden van de leidingbeheerder; kosten van constructieve en bijzondere voorzieningen die nodig zijn in verband met de aanraking van het infrastructuurwerk (zoals overkluizingen en mantelbuizen); kosten van tijdelijke voorzieningen van fysieke aard: alle tijdelijke fysieke kabel- en leidingverbindingen die de leidingbeheerder moet aanleggen en later buiten bedrijf stellen in het kader van de door gedeputeerde staten gevraagde verlegging,; de kosten van een

CAR-verzekering; de eenmalige kosten verbonden aan het vestigen van zakelijke rechten.

Artikel 6

Er wordt een aftrek nieuw voor oud toegepast indien sprake is van kenbaar technisch versleten kabels of leidingen. Onder technisch versleten wordt verstaan: kabels of leidingen waarvan de technische levensduur binnen een periode van 5 jaar verstreken zal zijn. Een aftrek nieuw voor oud vindt plaats op basis van een contante waardeberekening waarbij wordt uitgegaan van de technische levensduur van de betreffende kabel of leiding. Indien delen van een zelfstandige eenheid vervangen moeten worden, wordt voor de berekening uitgegaan van de integrale kosten van de vervanging van de gehele zelfstandige eenheid onder toerekening van een evenredig deel van de kosten aan het te vervangen onderdeel. De technische levensduur van een aantal soorten kabels en leidingen wordt bepaald aan de hand van het overzicht dat hierna volgt. De technische levensduur van soorten kabels of leidingen die niet in dit overzicht zijn opgenomen wordt naar redelijkheid bepaald. Leidingen met een technische levensduur van 100 jaar en ouder worden niet geacht aan veroudering onderhevig te zijn: voor het bepalen van de hoogte van de kosten voor het verleggen van dergelijke leidingen geldt geen aftrek nieuw voor oud. De hoogte van de kosten van een verlegging wordt voorts gecorrigeerd als zich door de verlegging een kwantificeerbare voordeeltoerekening voordoet doordat de capaciteit van de leiding toeneemt, de leiding meer druk kan verdragen (verhoging van de drukklasse), een evident verkeerde ligging wordt opgeheven, constructiefouten worden opgeheven, een foutieve keuze van leidingmaterialen wordt opgeheven voor zover deze de technische levensduur significant zou kunnen beïnvloeden, er sprake is van achterstallig onderhoud eveneens gepaard gaand met een significante verkorting van de technische levensduur of er sprake is van een noodzakelijke reconstructie van oudere opstallen. Bij een reconstructie van oudere opstallen kan afhankelijk van de situatie een correctie nieuw voor oud worden toegepast conform de relevante bepalingen van de onteigeningswet, waarbij dan een eventuele vergroting van de functionaliteit eveneens in mindering gebracht kan worden op de vergoeding.

Overzicht technische levensduur

Het onderstaande overzicht is niet uitputtend zodat de technische levensduur van een kabel of leiding die niet in dit overzicht is opgenomen naar redelijkheid en billijkheid bepaald dient te worden.

(…).

Bijlage 2, bedoeld in artikel 4, onder a, (langsleidingen en kruisende leidingen van natte infrastructuur) van de NKL provincie Groningen 2006

De schade bij een verlegging van een langsleiding of een kruisende leiding van natte infrastructuur wordt bepaald op basis van bijlage 1 waarna, afhankelijk van de ouderdom van de ingetrokken vergunning, aan de hand van onderstaande percentages de vergoeding bepaald wordt. Bij het bepalen van de schade wegens verlegging van een kruisende leiding van natte infrastructuur wordt rekening gehouden met het bepaalde in bijlage 3. De tabellen concretiseren een aftrek ‘maatschappelijk risico’: bij een verlegging van een langsleiding vanwege een droog of nat infrastructuurwerk is de vergoeding bij een in te trekken vergunning die ouder is dan 10 respectievelijk 20 jaar nihil. Bij een verlegging van een kruisende leiding vanwege een nat infrastructuurwerk is de vergoeding bij een in te trekken vergunning die ouder is dan 30 jaar nihil.

Vergoedingspercentage droge infrastructuur. Gedurende de eerste vijf jaren bedraagt het vergoedingspercentage 100. Vanaf het begin van het 6e jaar tot het einde van het 10e jaar daalt het vergoedingspercentage lineair van 80 naar 0.

Vergoedingspercentage langsleidingen natte infrastructuur Gedurende de eerste vijf jaren bedraagt het vergoedingspercentage 100. Vanaf het begin van het 6e jaar tot het einde van het 20e jaar daalt het vergoedingspercentage lineair van 80 naar 0.

Vergoedingspercentage kruisende leidingen natte infrastructuur Gedurende de eerste vijftien jaren bedraagt het vergoedingspercentage 100. Vanaf het begin van het 16e jaar tot het einde van het 30e jaar daalt het vergoedingspercentage lineair van 80 naar 0.

Bijlage 3, bedoeld in artikel 4, onder b, (kruisende leidingen) van de NKL provincie Groningen 2006

De schade bij een verlegging van een kruisende leiding wordt bepaald op basis van bijlage 1. De vergoeding voor een verlegging van een kruisende leiding bestaat uit de componenten kosten van ontwerp en begeleiding en uitvoeringskosten. Materiaalkosten en de kosten van het uit en in bedrijf stellen komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Bijlage 4, bedoeld in artikel 9 (buitenleidingen) van de NKL provincie Groningen 2006

Ten aanzien van de vergoeding voor de verlegging van buitenleidingen is in de eerste plaats de juridische grondslag van de aanwezigheid van de leidingen van belang:

-     Ligt een leiding op basis van het eigendoms- of een ander zakelijk recht, dan wel op grond van een gedoogplicht waarop de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is, dan wordt de vergoeding van de verlegging op basis van de Onteigeningswet bepaald.

-    Is in een wettelijke schadevergoedingsregeling niet voorzien omdat de leiding ligt op basis van een vergunning van een ander bestuursorgaan dan gedeputeerde staten, dan wel op basis van een overeenkomst of een andere vorm van toestemming van de grondeigenaar, dan wordt de vergoeding voor het verleggen van een buitenleiding op dezelfde manier bepaald als de vergoeding voor het verleggen van een kruisende leiding, zoals opgenomen in bijlage 3 van deze regeling.

Daarvoor is wel vereist dat de te verleggen leiding valt onder het begrip ‘openbaar werk’ zoals bedoeld in artikel 1 van de Belemmeringenwet Privaatrecht.