Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1930

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
201907970/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:4545, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een dakopbouw op de aanbouw van een woning aan de [locatie 1] te Nijmegen en voor het verplaatsen van een beluchtingsunit. [vergunninghouder] is eigenaar van de woning waarop de vergunning betrekking heeft. Die woning is 6,6 meter hoog, en heeft goothoogtes tot 5 meter. Het bouwplan bestaat uit het realiseren van een dakopbouw op de bestaande, plat afgedekte aanbouw aan de linkerzijde van de noordgevel van de woning met een goothoogte van 4,96 meter aan de oostzijde en 4,42 meter aan de westzijde. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nijmegen Brakkenstein" op het perceel rustende bestemming "Wonen", omdat de goothoogte van de dakopbouw meer bedraagt dan de ingevolge het bestemmingsplan toegestane 3 meter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907970/1/R4.

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Nijmegen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 september 2019 in zaak nr. 19/659 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2018 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het in afwijking van het bestemmingsplan bouwen van een dakopbouw op de aanbouw van een woning aan de [locatie 1] te Nijmegen en voor het verplaatsen van een beluchtingsunit.

Bij besluit van 21 november 2018 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 september 2019 heeft de rechtbank het door

[appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 juli 2020, waar [appellant A] en [appellant B], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bloemena, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [vergunninghouder], bijgestaan door [gemachtigde].

Overwegingen

Inleiding

1.    [vergunninghouder] is eigenaar van de woning waarop de vergunning betrekking heeft. Die woning is 6,6 m hoog, en heeft goothoogtes tot 5 m. Het bouwplan bestaat uit het realiseren van een dakopbouw op de bestaande, plat afgedekte aanbouw aan de linkerzijde van de noordgevel van de woning met een goothoogte van 4,96 m aan de oostzijde en 4,42 m aan de westzijde. Het bouwplan is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Nijmegen Brakkenstein" op het perceel rustende bestemming "Wonen", omdat de goothoogte van de dakopbouw meer bedraagt dan de ingevolge het bestemmingsplan toegestane 3 m.      

    Bij besluit van 20 juni 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) voor het bouwen van een dakopbouw en het - wat de goothoogte betreft - afwijken van het bestemmingsplan.

     [appellant A] en [appellant B] wonen op het naastgelegen perceel [locatie 2] te Nijmegen en hebben tegen het besluit van 21 november 2018 beroep ingesteld. Zij vrezen dat de realisering van de dakopbouw zal leiden tot vermindering van hun privacy.

     De rechtbank is van oordeel dat het college in redelijkheid de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen.

Gronden over toepassing beleidsregel voor afwijking bestemmingsplan

2.    Het college heeft de "Beleidsregels voor grondgebonden woningen" vastgesteld (hierna: de beleidsregel). De beleidsregel gaat onder meer over de verlening van een omgevingsvergunning voor afwijking van het bestemmingsplan voor een dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw als bedoeld in artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, waarvan in dit geval sprake is.

    De rechtbank heeft terecht geoordeeld - dit is ook niet in geschil - dat uit het in artikel 5, twaalfde lid, van de beleidsregel opgenomen beleid volgt dat het college geen vergunning voor afwijking van de toegestane goothoogte ten behoeve van het bouwplan verleent. Dit, omdat het bestemmingsplan in dit geval wél een dakopbouw mogelijk maakt, en het bouwplan niet binnen de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximale goothoogte past. Het college heeft in afwijking van de beleidsregel toch een vergunning voor afwijking van de in het bestemmingsplan toegestane goothoogte verleend, in de kern omdat volgens het college bij het opstellen van het bestemmingsplan bij vergissing de maximale goothoogte op 3 m is vastgesteld. De in 1970 gebouwde woning had toen al een goothoogte van 5 m en verder is de goot- en bouwhoogte van de dakopbouw nodig om aan te kunnen sluiten bij de bestaande situatie.

    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen vaststellen dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden, die meebrengen dat een vergunning voor afwijken van het bestemmingsplan kan worden verleend.

2.1.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de goothoogte van 3 m per vergissing is vastgelegd omdat ervan moet worden uitgegaan dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan bekend was wat de juiste goothoogte was. Als het toch een vergissing was, is dat volgens hen geen reden om van de beleidsregel af te wijken. Verder achten zij het van belang dat het bestemmingsplan andere uitbreidingen van de woning dan een dakopbouw mogelijk maakt.

2.2.    De Afdeling stelt vast dat de bestaande woning in 1970 is gebouwd, met goothoogtes tot 5 m. In het bestemmingsplan is een goothoogte van 3 m opgenomen. Ter zitting heeft het college erop gewezen dat dit een duidelijke vergissing is geweest, alleen al nu het gezien de toelichting op het plan de bedoeling is geweest om de bestaande bouwmogelijkheden te handhaven. Hierover merkt de Afdeling op dat, wat hier ook van zij, uiteindelijk doorslaggevend is wat in het bestemmingsplan zelf is bepaald. Dat laat onverlet dat er in dit geval onvoldoende aanleiding is voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet kunnen verlenen van een vergunning voor afwijking van het bestemmingsplan voor [vergunninghouder] gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Het college heeft daarbij terecht van belang geacht dat de bestaande woning legaal is gebouwd, en dat gezien de (goot)hoogte van deze woning een passende dakopbouw alleen mogelijk is indien die aansluit bij de al bestaande en eerder vergunde bouwhoogten. De hoogte van de woning zal niet veranderen, en past binnen de in het bestemmingsplan toegestane maximale bouwhoogte van 8 m. Dat, zoals [appellant A] en [appellant B] betogen, mogelijk andere bouwwerkzaamheden aan de woning wel passen binnen het bestemmingsplan, maakt dat niet anders. Gelet daarop kon het college op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van de beleidsregel afwijken.

     Het betoog faalt.

Gronden over afweging

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bij zijn besluit om in afwijking van het bestemmingsplan te vergunnen de vrees van [appellant A] en [appellant B] voor aantasting van hun privacy niet doorslaggevend heeft hoeven achten, onder meer omdat het raam in de dakopbouw geblindeerd wordt. Ook hebben [appellant A] en [appellant B] volgens de rechtbank de door hen gevreesde geluidoverlast als gevolg van het enkele meters verplaatsen van een beluchtingsunit, waarmee het college volgens [appellant A] en [appellant B] in zijn afweging rekening had moeten houden, niet aannemelijk gemaakt.

3.1.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de plaatsing van een raam in de zijgevel een aantasting oplevert van hun privacy en de verplaatsing van de beluchtingsunit kan leiden tot onaanvaardbare geluidhinder. Zij wijzen in hoger beroep in dit verband op een notitie van J.W. Zomer van 19 november 2019.

    In de overgelegde notitie worden enkele opmerkingen van algemene aard over het raam en de beluchtingsunit gemaakt. Er wordt echter niet met concrete argumenten duidelijk gemaakt waarom het oordeel van de rechtbank over deze onderwerpen onjuist is. Ook voor het overige vindt de Afdeling daarvoor geen gronden. Zij betrekt daarbij dat, zoals ter zitting door [vergunninghouder] is toegelicht, het raam geblindeerd wordt zodat vanuit dat raam geen zicht zal bestaan op het perceel van [appellant A] en [appellant B], en dat het bij de verplaatsing van de beluchtingsunit slechts gaat om een iets andere plaatsing van een geluiddempende suskast van het ventilatiesysteem.

     Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college in de gestelde belangen op het punt van privacy en geluid geen aanleiding heeft hoeven zien om de vergunning voor afwijking van de in het bestemmingsplan voorgeschreven maximale goothoogte te weigeren.

    Dit betoog faalt.

Welstand

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat uit de stukken voldoende blijkt dat bij de toetsing aan de welstandseisen de juiste criteria zijn toegepast. De Commissie Beeldkwaliteit heeft in haar welstandsadvies het correcte toetsingskader en toetsingsniveau expliciet vermeld. [appellant A] en [appellant B] hebben naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan niet voldoet aan de criteria voor 'G5-Villawijken' van de Uitwerkingsnota Beeldkwaliteit. Nu zij geen tegenadvies hebben ingediend, mocht het college zijn besluitvorming volgens de rechtbank baseren op het welstandsadvies van de Commissie Beelkwaliteit.

4.1.    [appellant A] en [appellant B] bestrijden dit oordeel in hoger beroep, en verwijzen hierbij naar de eerder genoemde notitie van J.W. Zomer.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:724, en de rechtbank terecht tot uitgangspunt heeft genomen, mag het bevoegd gezag, hoewel het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het bevoegd gezag dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.

    In de notitie van J.W. Zomer zijn over welstand enige opmerkingen van algemene aard gemaakt, maar is geen onderbouwing gegeven die duidelijk maakt op welk punt het welstandsadvies onjuist is. [appellant A] en [appellant B] hebben ook voor het overige in beroep noch in hoger beroep met duidelijke argumenten aangegeven dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria.     

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. R.J.J.M. Pans, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020

262-935.