Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
201905499/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2019:4293, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam Rentalys B.V. en [appellant sub 1] gelast het gebruik van het adres [locatie 1] en [locatie 2] te Amsterdam als logiesgebouw/hotel onmiddellijk te (laten) staken en gestaakt te houden. Verder heeft het college in dit besluit meegedeeld dat op 29 maart 2018, na 17.00 uur, spoedeisende bestuursdwang is toegepast door de sloten van het gebouw te vervangen. [appellant sub 1] en Rentalys B.V. zijn elk voor de helft eigenaar van het gebouw. Het pand aan de [locatie 1] bestaat uit het souterrain, de zogenoemde bel-etage en de eerste verdieping en het pand aan de [locatie 2] bestaat uit de tweede en derde verdieping en de zolder. De panden delen de begane grond.Op 28 en 29 maart 2018 hebben toezichthouders van de gemeente samen met de brandweer het gebouw bezocht. Op 28 maart 2018 verbleven acht toeristen in het gebouw en op 29 maart 2018 elf toeristen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905499/1/R4.

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2.    het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2019 in zaak nr. 18/6955 in het geding tussen onder meer:

[appellant sub 1],

en

het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid van de gemeente Amsterdam (lees: het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2018 heeft het college Rentalys B.V. en [appellant sub 1] gelast het gebruik van het adres [locatie 1] en [locatie 2] te Amsterdam als logiesgebouw/hotel onmiddellijk te (laten) staken en gestaakt te houden. Verder heeft het college in dit besluit meegedeeld dat op 29 maart 2018, na 17.00 uur, spoedeisende bestuursdwang is toegepast door de sloten van het gebouw te vervangen.

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college het door Rentalys B.V. en [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 29 maart 2018 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 18 juni 2019 heeft de rechtbank het door Rentalys B.V. en [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 oktober 2018 vernietigd voor zover daarbij de sluiting van de tweede verdieping en de achterkant van de derde verdieping is gehandhaafd, en het besluit van 29 maart 2018 herroepen voor zover de tweede verdieping en de achterkant van de derde verdieping zijn gesloten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2020, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam, is verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    [appellant sub 1] en Rentalys B.V. zijn elk voor de helft eigenaar van het gebouw aan de [locatie 1] en [locatie 2] (hierna: het gebouw). [appellant sub 1] heeft ter zitting bij de Afdeling toegelicht dat het pand aan de [locatie 1] bestaat uit het souterrain, de zogenoemde bel-etage en de eerste verdieping en dat het pand aan de [locatie 2] bestaat uit de tweede en derde verdieping en de zolder. De panden delen de begane grond. De Afdeling neemt de door [appellant sub 1] beschreven feitelijke situatie tot uitgangspunt.

    Op 28 en 29 maart 2018 hebben toezichthouders van de gemeente samen met de brandweer het gebouw bezocht. De bevindingen zijn neergelegd in een rapport, opgemaakt op 6 april 2018 (hierna: het rapport). Daarin is onder meer vermeld dat op 28 maart 2018 acht toeristen in het gebouw verbleven en op 29 maart 2018 elf toeristen.

    Het college heeft uit het rapport geconcludeerd dat het gebouw als logiesgebouw/hotel wordt gebruikt. Volgens het college voldoet het gebouw niet aan de brandveiligheidseisen van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012. Verder wordt in strijd gehandeld met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), omdat aan meer dan vier personen bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft, terwijl geen omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik is verleend. Daarnaast is het gebruik in strijd met de ter plaatse geldende bestemming "Wonen" op grond van het bestemmingsplan "De Pijp 2018". Bij het besluit van 29 maart 2018 heeft het college [appellant sub 1] en Rentalys B.V. daarom gelast om het gebruik van het gebouw als logiesgebouw/hotel te staken en gestaakt te houden. Omdat sprake is van een vlucht- en brandonveilige situatie, heeft het college verder meegedeeld dat spoedeisende bestuursdwang is toegepast door de sloten van het gebouw te vervangen. In dit besluit is vermeld dat de afsluiting in beginsel drie maanden duurt. Het college heeft het besluit van 29 maart 2018 bij het besluit op bezwaar in stand gelaten.

De uitspraak van de rechtbank

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat [appellant sub 1] hoofdverblijf had op de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping van [locatie 2]. Volgens de rechtbank levert de omstandigheid dat hij in de Basisregistratie personen staat ingeschreven op dit adres een vermoeden op dat hij daar zijn hoofdverblijf heeft. Gelet op zijn verklaringen en zijn persoonlijke spullen die zijn aangetroffen op de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping, heeft het college onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij desondanks niet daar zijn hoofdverblijf heeft.

    [locatie 1] en [locatie 2] voldoen volgens de rechtbank niet aan de in het bestemmingsplan gestelde eisen voor het houden van een bed & breakfast. [locatie 1] wordt namelijk niet bewoond en in [locatie 2] wordt aan meer dan vier gasten een slaapplaats aangeboden. Het college was daarom bevoegd om daartegen handhavend op te treden. Omdat in het gebouw aan meer dan vier personen bedrijfsmatig nachtverblijf werd verschaft, was daarnaast een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik vereist. Nu deze ontbreekt, was het college ook bevoegd om handhavend op te treden tegen het gebruik van het gebouw in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, aldus de rechtbank.

    De rechtbank heeft verder overwogen dat [locatie 2] een logiesgebouw is en niet voldoet aan de daarvoor geldende brandveiligheidseisen van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012. Het college was ook in zoverre bevoegd om handhavend op te treden. [locatie 1] is volgens de rechtbank geen logiesgebouw, maar omdat voor het gehele pand de vereiste omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik ontbrak, mocht het college ook [locatie 1] sluiten, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank kon het college echter niet in redelijkheid de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping van [locatie 2] sluiten. [appellant sub 1] woont namelijk daar en het college heeft toegelicht dat, indien een gebouw deels wordt bewoond, dat deel niet wordt gesloten.

    De rechtbank heeft tot slot overwogen dat het feit dat het gebouw inmiddels meer dan een jaar is gesloten, buiten deze procedure valt. Een eventuele heropening kan in een andere procedure aan de orde worden gesteld.

Bed & breakfast in strijd met het bestemmingsplan?

3.        [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [locatie 1] en [locatie 2] voldoen aan de in het bestemmingsplan gestelde eisen voor een bed & breakfast. Hij voert daartoe ten eerste aan dat tijdens de controles slechts drie toeristen zijn aangetroffen, namelijk op de voorzijde van de derde verdieping en de voorzijde van de zolder. In de andere verblijfsruimtes waren geen toeristen. Ten tweede heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat er in [locatie 2] negentien slaapplaatsen zijn. Dit zijn er minder. Weliswaar zijn er in dit pand meer dan vier bedden, maar dat betekent niet dat er feitelijk meer dan vier gasten zullen zijn. Ten derde heeft het college niet aangetoond dat meer dan 40% van het bruto vloeroppervlak van [locatie 2] wordt gebruikt als bed & breakfast. Tot slot wordt voldaan aan de voorwaarden die in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 zijn gesteld aan het onttrekken van het pand aan de bestemming tot wonen ten behoeve van een bed & breakfast, aldus [appellant sub 1].

3.1.    Artikel 1, aanhef en onder 1.14, van de planregels luidt: "In deze regels wordt verstaan onder: Bed & breakfast

Een gelegenheid, die met behoud van de woonfunctie door ten minste de hoofdbewoner in een woning wordt uitgeoefend en die voorziet in het verstrekken van nachtverblijf voor maximaal 4 personen voor korte tijd, waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten ondergeschikt is."

    Artikel 16.1, aanhef en onder a, luidt: "De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen inclusief huisgebonden beroep of huisgebonden bedrijf en bed & breakfast".

    Artikel 16.3.1, onder a, luidt: "Voor de in artikel 16.1 genoemde gronden gelden de volgende regels: in woningen is huisgebonden beroep, huisgebonden bedrijf en bed & breakfast toegestaan tot een maximum van 40% van het bruto vloeroppervlak van de woning met een maximum van 60 m2."

3.2.    Vast staat dat [locatie 1] ten tijde van de controles geen hoofdbewoner had, maar wel werd gebruikt voor het verschaffen van nachtverblijf. Dat betekent dat geen sprake was van een bed & breakfast als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 1.14 van de planregels, zodat in strijd met het bestemmingsplan werd gehandeld. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het gebruik van [locatie 1].

    Het betoog faalt in zoverre.

3.3.    Over [locatie 2] overweegt de Afdeling dat volgens het rapport een Mexicaanse man het pand op 28 maart 2018 ‘s ochtends verliet. Hij verklaarde dat hij met zijn gezin van in totaal vier personen op de zolder verbleef. In het rapport staat dat later tijdens de controle is gezien dat twee vrouwen en een man vanaf de eerste verdieping de trap omhoog namen naar [locatie 2]. De toezichthouders kregen tijdens de controle op 28 maart 2018 geen verdere toegang tot dit pand. [appellant sub 1] heeft ter zitting verklaard dat het Mexicaanse gezin op 28 maart 2018 is uitgecheckt en dat de drie personen die op de trap zijn aangetroffen in hun plaats zijn gekomen.

    Tijdens de controle op 29 maart 2018 is geconstateerd dat een Spaans stel verbleef in de ruimte aan de voorzijde van de derde verdieping. Volgens hun boekingsbevestiging zouden zij van 26 tot en met 30 maart 2018 in het pand verblijven. In de ruimte aan de voorzijde van de zolder is een Russische vrouw aangetroffen. Volgens haar boekingsbevestiging zou zij van 26 tot en met 31 maart 2018 in het pand verblijven.

    Gelet op de personen die zijn aangetroffen tijdens de controles, de boekingsbevestigingen en de verklaringen van [appellant sub 1], werd op 28 en 29 maart 2018 in [locatie 2] aan ten minste zes personen nachtverblijf verschaft. Dat betekent dat ook in [locatie 2] geen sprake was van een bed & breakfast als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder 1.14 van de planregels. Of meer dan 40% van het vloeroppervlak als bed & breakfast werd gebruikt kan in het midden worden gelaten. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het met het bestemmingsplan strijdige gebruik in [locatie 2]. Dat het gebruik volgens [appellant sub 1] in overeenstemming is met de Huisvestingsverordening Amsterdam 2016 kan daaraan niet afdoen.

    Het betoog faalt ook in zoverre.

Omgevingsvergunning brandveilig gebruik vereist?

4.        [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat geen omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik is vereist voor [locatie 2]. In dat pand wordt namelijk een bed & breakfast met nachtverblijf voor maximaal vier personen geëxploiteerd en dan is zo’n omgevingsvergunning niet vereist. Verder zijn [locatie 1] en [locatie 2] afzonderlijke woningen. Voor zover in [locatie 1] aan meer dan vier personen nachtverblijf wordt verschaft, kan het ontbreken van de vereiste omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik van dit pand, er daarom niet toe leiden dat tevens [locatie 2] wordt gesloten, aldus [appellant sub 1].

4.1.    Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo luidt: "Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk in met het oog op de brandveiligheid bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen."

    Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht luidt: "Als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de wet worden aangewezen: het in gebruik nemen of gebruiken van een bouwwerk waarin bedrijfsmatig of in het kader van verzorging nachtverblijf zal worden verschaft aan meer dan 10 personen, dan wel het in afwijking daarvan bij de bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van de Woningwet, bepaalde aantal personen."

    Artikel 4.1 van de Bouwverordening Amsterdam 2013 luidt: "In afwijking van het bepaalde in artikel 2.2, eerste lid, onder a van het Besluit omgevingsrecht wordt het aantal personen bepaald op 4."

4.2.    Zoals onder 3.3 is overwogen, werd in [locatie 2] aan meer dan vier personen bedrijfsmatig nachtverblijf verschaft. Dat betekent dat een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik vereist is. Aangezien [appellant sub 1] daarover niet beschikt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van een overtreding.

    Het betoog faalt.

5.        [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [locatie 1] niet mocht worden gesloten. Zoals de rechtbank heeft geoordeeld, is dit pand geen logiesgebouw. Dat betekent dat in zoverre geen overtreding plaatsvond en dit pand ten onrechte is gesloten, aldus [appellant sub 1].

5.1.    Het oordeel van de rechtbank komt erop neer dat in [locatie 1] weliswaar geen brandveiligheidseisen van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012 werden overtreden omdat dit pand geen logiesgebouw is, maar dat het college toch bevoegd was om spoedeisende bestuursdwang toe te passen en dit pand te sluiten, omdat voor het gebouw - [locatie 1] en [locatie 2] tezamen - een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik is vereist en deze niet is verleend. Ter beoordeling ligt daarom voor of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat ook voor [locatie 1] een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik is vereist. De Afdeling overweegt daarover het volgende.

    Uit het rapport volgt dat in de twee ruimtes op de eerste verdieping van [locatie 1] nachtverblijf werd verschaft aan in totaal vier personen. Dit is ook niet in geschil. Tijdens de controle verbleven er geen personen in de overige ruimtes van [locatie 1]. Wel zijn op de bel-etage een tweepersoons slaapbank, een tweepersoonsbed en een eenpersoons opklapbed aangetroffen. Op de bel-etage is verder een kleine badkamer met een wasbakje, spiegel en föhn en een afzonderlijke badkamer met een douche en toilet. Daarnaast is er een keuken die is voorzien van een klein kookplaatje, magnetron, koffiezetapparaat, waterkoker, wat servies en bestek, en enkele schoonmaakbenodigdheden. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bel-etage is ingericht voor het bedrijfsmatig verschaffen van nachtverblijf. Aangezien in dit deel van het pand vijf slaapplaatsen zijn en op de eerste verdieping in elk geval vier slaapplaatsen, is aannemelijk dat aan meer dan vier personen bedrijfsmatig nachtverblijf werd verschaft. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat ook voor [locatie 1] een omgevingsvergunning voor brandveilig gebruik is vereist, zodat sprake is van een overtreding, en het college bevoegd was om het pand te sluiten.

    Het betoog faalt.

Sluiting tweede verdieping en achterzijde derde verdieping van [locatie 2]

6.        Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat het college bevoegd was om handhavend op te treden tegen het gebruik van [locatie 1] en [locatie 2] in strijd met het bestemmingsplan en in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo.

        Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

7.        Het college hanteert als vaste gedragslijn dat, indien een deel van een pand dat in strijd met de regelgeving wordt gebruikt voor het bedrijfsmatig verschaffen van nachtverblijf deels wordt bewoond, dat gedeelte niet wordt gesloten.

8.        Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat [appellant sub 1] niet in een deel van [locatie 2] woonde. Het voert daartoe aan dat alle verblijfsruimtes in [locatie 2] op dezelfde wijze zijn ingericht en dat in het gehele pand dezelfde Engelstalige instructies voor gebruikers zijn aangetroffen. Verder zijn tijdens de controle op 28 maart 2018 drie personen aangetroffen op de trap van naar de tweede verdieping. Volgens het college verbleven zij in één of meer van de ruimtes waar [appellant sub 1] stelt te hebben gewoond.

        Het college voert verder aan dat weliswaar op de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping persoonlijke spullen van [appellant sub 1] zijn aangetroffen, maar dat al deze spullen gemakkelijk te verwijderen zijn. Daarnaast zijn de kasten in deze ruimtes afsluitbaar, zodat die ruimtes door toeristen kunnen worden gebruikt. Ook is het mogelijk dat [appellant sub 1] op 28 of 29 maart 2018 een aantal persoonlijke spullen heeft geplaatst op de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping, om te proberen te bewijzen dat hij daar woont. Tot slot heeft [appellant sub 1] verklaard dat hij in verschillende ruimtes van [locatie 2] verblijft. Dat betekent dat hij geen bestendig hoofdverblijf op de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping had, maar dat zijn verblijf gelijk moet worden gesteld met dat van een toerist.

8.1.    Niet in geschil is dat [appellant sub 1] ten tijde van het besluit van 29 maart 2018 in de Basisregistratie personen stond ingeschreven op het adres van [locatie 2]. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, levert dit een vermoeden op dat hij dit pand als hoofdverblijf gebruikte. Naar het oordeel van de Afdeling is dit vermoeden bevestigd door de bevindingen van de controle op 29 maart 2018. Tijdens deze controle zijn op de tweede verdieping en op de achterzijde van de derde verdieping een groot aantal persoonlijke spullen aangetroffen zoals kleding en schoenen, toiletartikelen, correspondentie, boeken, cd’s en ingelijste foto’s, waarvan [appellant sub 1] onbestreden heeft verklaard dat deze van hem zijn. Vanwege de hoeveelheid spullen en de korte periode tussen de controles op 28 en 29 maart 2018, is niet aannemelijk dat [appellant sub 1] zijn persoonlijke spullen tussen deze twee controles in het pand heeft geplaatst.

    De overige door het college genoemde bevindingen geven zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang bezien onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat [appellant sub 1] toch geen hoofdverblijf had in [locatie 2]. [appellant sub 1] heeft verklaard dat de verschillende ruimtes in het pand op dezelfde wijze zijn ingericht, omdat hij het gehele pand zelf heeft ingericht. Verder zijn de Engelstalige gebruiksinstructies weliswaar aangetroffen in de keuken, maar niet in de woonkamer, de slaapkamer en de andere ruimtes waarvan [appellant sub 1] heeft verklaard te wonen en die hij niet deelt met gasten. Dat de kasten van [appellant sub 1] afsluitbaar zijn, kan niet uit het rapport worden afgeleid en is bovendien geen aanwijzing dat [appellant sub 1] niet daar woonde. Tot slot volgt uit het rapport niet dat de drie personen die op 28 maart 2018 op de trap richting de tweede verdieping liepen, op die verdieping of de achterzijde van de derde verdieping verbleven. Volgens [appellant sub 1] verbleven zij op de zolder, die via deze trap bereikbaar is.

    Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat [appellant sub 1] woont op de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping. Dat [appellant sub 1] heeft verklaard dat hij afwisselt in welke van deze ruimtes hij slaapt, doet daaraan niet af. Om hoofdverblijf te hebben in deze ruimtes, is niet vereist dat hij altijd in dezelfde ruimte slaapt. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat het college volgens zijn vaste gedragslijn niet in redelijkheid de tweede verdieping en de achterzijde van de derde verdieping van [locatie 2] heeft kunnen sluiten.

    Het betoog faalt.

Sluitingsduur en heropeningsverzoek

9.        [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de duur van de sluiting en de reactie van het college op een heropeningsverzoek niet in de huidige procedure aan de orde kunnen worden gesteld. Hij voert daartoe aan dat hij één maand na de sluiting van het gebouw een heropeningsverzoek heeft ingediend. Dat verzoek is mondeling afgewezen. Omdat tegen een mondelinge mededeling geen bezwaar kan worden gemaakt, dient de afwijzing van het heropeningsverzoek bij de huidige procedure te worden betrokken. [appellant sub 1] voert verder aan dat het besluit van 29 maart 2018 in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel omdat daaruit niet kan worden afgeleid hoe lang het gebouw gesloten blijft.

9.1.    Over de duur van de sluiting staat in het besluit van 29 maart 2018 het volgende:

    "De bestuursdwang (de afsluiting) duurt in beginsel drie maanden. U kunt een heropeningsverzoek doen. Wij beoordelen dit verzoek op basis van een te voeren overleg, een plan van aanpak en het uitgevoerde onderzoek. Heropening kan plaatsvinden, indien wij het vertrouwen hebben dat de overtreders zich aan de regels houden, de rust is hersteld en de loop naar het illegale logiesgebouw/hotel Is gestaakt."

9.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de huidige procedure uitsluitend ziet op het bestuursdwangbesluit van 29 maart 2018. Een beslissing op een heropeningsverzoek staat daar los van. Tegen de afwijzing van een heropeningsverzoek, of het uitblijven van een besluit op zo’n verzoek, staan afzonderlijke rechtsmiddelen open.

    [appellant sub 1] betoogt echter terecht dat in het besluit van 29 maart 2018 en het besluit op bezwaar niet staat hoe lang het gebouw gesloten blijft. Uit de onder 9.1 aangehaalde mededeling kan niet worden afgeleid of de sluiting drie maanden of onbepaalde tijd duurt, en of het gebouw na afloop van een bepaalde termijn zonder meer wordt geopend, of dat daarvoor eerst een heropeningsverzoek moet worden ingediend. Ook in hoger beroep is onduidelijk gebleven hoe deze mededeling moet worden begrepen. Het besluit op bezwaar voldoet daarom niet aan de eisen die daaraan uit een oogpunt van rechtszekerheid moeten worden gesteld. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

Slotoverwegingen

10.    Het hoger beroep van het college is ongegrond. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het gedeelte van het besluit op bezwaar van 16 oktober 2018 dat ziet op de duur van de sluiting van het gebouw, in stand is gelaten. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd. Het gedeelte van het besluit van 16 oktober 2018 dat ziet op de duur van de sluiting komt wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voor vernietiging in aanmerking. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen over de duur van de sluiting. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

11.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2019 in zaak nr. 18/6955, voor zover het gedeelte van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 16 oktober 2018, kenmerk JB.18.002893.001, dat ziet op de duur van de sluiting, in stand is gelaten;

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 16 oktober 2018, kenmerk JB.18.002893.001, voor zover dat ziet op de duur van de sluiting;

VI.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit aan [appellant sub 1] toe te zenden;

VII.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aan [appellant sub 1] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020

912.