Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
201906239/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad zijn beslissing om op 30 september 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Zaanstad 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 182,00, voor rekening van [appellant] komen. In het besluit van 17 oktober 2018 staat dat de toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van afval dat op 30 september 2018 is aangetroffen aan de Westzanerdijk in Zaandam. Op de foto's bij het besluit is te zien dat er naast een bovengrondse afvalcontainer een aantal pakketten gebundeld karton en één zeer grote kartonnen doos met de naam en het adres van [appellant] erop lagen. Het is niet in geschil dat [appellant] daar karton heeft neergelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906239/1/R4.

Datum uitspraak: 12 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Zaandam, gemeente Zaanstad,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft het college zijn beslissing om op 30 september 2018 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Zaanstad 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 182,00, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 4 juni 2019 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 juli 2020, waar het college, vertegenwoordig door mr. S. Essakkili en M. van Elk, is verschenen.

Overwegingen

1.    In het besluit van 17 oktober 2018 staat dat de toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van afval dat op 30 september 2018 is aangetroffen aan de Westzanerdijk in Zaandam. Op de foto's bij het besluit is te zien dat er naast een bovengrondse afvalcontainer een aantal pakketten gebundeld karton en één zeer grote kartonnen doos met de naam en het adres van [appellant] erop lagen. Het is niet in geschil dat [appellant] daar karton heeft neergelegd.

2.    [appellant] stelt dat dat hij zijn karton op 30 september 2018 naast de container heeft gelegd, waar al karton van andere buurtbewoners lag, in afwachting van het kunnen lenen van de aanhangwagen van zijn buurman om het karton naar het afvalbrengstation te brengen. Hij stelt dat hij vier dagen later het karton van hem en zijn buurtbewoners, dat nog steeds naast de container lag, met de inmiddels geleende aanhangwagen naar het afvalbrengstation heeft gebracht. Volgens hem staat in het besluit van 17 oktober 2018 dan ook ten onrechte dat het afval meteen is verwijderd door de toezichthouder van de gemeente. [appellant] voert aan dat het college ten onrechte heeft bepaald dat de kosten van het toepassen van bestuursdwang voor zijn rekening komen, terwijl hij het karton zelf heeft weggebracht en het college daarom geen kosten zou hebben gemaakt.

    [appellant] stelt dat hij op donderdag 4 oktober 2018 tussen 13:00 en 14:00 uur bij het afvalbrengstation was, waarbij hij de kleur, het type en het kenteken van zijn auto vermeldt. Hij stelt dat hij contact heeft opgenomen met het afvalbrengstation om de camerabeelden op te vragen van het moment dat hij daar was, maar dat die niet aan hem mochten worden verstrekt vanwege privacyregels. Volgen [appellant] heeft hij tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase het college verzocht om de camerabeelden op te vragen. Ook is volgens [appellant] tijdens deze hoorzitting een buurman gehoord die, toen hij zijn hond aan het uitlaten was, heeft gezien dat een toezichthouder van de gemeente foto's van het karton maakte en vervolgens wegging zonder het karton mee te nemen.

    Verder heeft hij twee verklaringen overgelegd van een andere buurman en een buurvrouw. De buurman verklaart dat hij op 4 oktober 2018 zijn aanhangwagen aan [appellant] heeft uitgeleend om spullen van de verbouwing, waaronder het karton dat bij de containers lag, naar het afvalbrengstation te brengen. De buurvrouw verklaart dat zij op 3 oktober het karton heeft zien liggen bij de container, dat zij die avond bij [appellant] op bezoek is geweest om zijn nieuwe badkamer te bezichtigen, dat [appellant] toen heeft gezegd dat hij de volgende dag, donderdag 4 oktober, het karton naar het afvalbrengstation zou brengen met de aanhangwagen van de buurman en dat zij op vrijdagochtend heeft gezien dat het karton weg was.

2.1.    Het college heeft in zijn brief van 23 april 2020 gesteld dat uit navraag bij de betrokken toezichthouders is gebleken dat zij de aangetroffen kartonnen doos wel degelijk hebben afgevoerd. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de toezichthouders altijd controleren met een bepaald voertuig waarin het aangetroffen afval kan worden onderzocht en waarmee het afval altijd meteen wordt meegenomen. Volgens het college komt het niet voor dat toezichthouders foto's van het afval maken zonder het afval vervolgens mee te nemen. Verder heeft het college in die brief en ter zitting toegelicht dat ook op 20 en 27 september 2018 verkeerd aangeboden kartonnen dozen zijn aangetroffen die tot [appellant] konden worden herleid. In beide gevallen had het college spoedeisende bestuursdwang toegepast, maar zijn de kosten daarvan uiteindelijk niet op [appellant] verhaald, omdat het college één besluit heeft ingetrokken omdat er een te korte periode tussen de twee besluiten zat en omdat het college in het andere geval in bezwaar aannemelijk achtte dat [appellant] de dozen in zijn voortuin had gelegd en dat een ander de dozen verkeerd had aangeboden. Volgens het college is het goed mogelijk dat [appellant] op 4 oktober ander karton dan de op 30 september 2018 aangetroffen doos heeft weggebracht naar het afvalbrengstation. [appellant] heeft niet gereageerd op dit standpunt en heeft niet weersproken dat er op 20 en 27 september 2018 ook kartonnen dozen van hem zijn aangetroffen.

2.2.    Hoewel [appellant] met de twee verklaringen van zijn buren en zijn eigen gedetailleerde verslag van zijn bezoek aan het afvalbrengstation tot op zekere hoogte aannemelijk heeft gemaakt dat hij op 4 oktober 2018 karton daarheen heeft gebracht, heeft hij daarmee niet aannemelijk gemaakt dat hij toen ook de doos heeft weggebracht die volgens het college op 30 september 2018 is aangetroffen en is verwijderd. Ook al zouden de camerabeelden van het afvalbrengstation aantonen dat [appellant] daar op 4 oktober 2018 karton heeft weggebracht, dan zou dat niet aantonen dat hij toen ook de door de toezichthouders op 30 september 2018 aangetroffen doos heeft weggebracht. Daarbij betrekt de Afdeling dat het, gelet op de eerder aangetroffen dozen en de omstandigheid dat [appellant] aan het verbouwen was, aannemelijk is dat [appellant] rond die tijd meerdere grote kartonnen dozen heeft weggegooid. De verklaring van de buurman tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase, die zou hebben gezien dat een toezichthouder foto's van het karton maakte en vervolgens wegging zonder het karton mee te nemen, is onvoldoende objectief om enkel op grond daarvan aan te nemen dat de op 30 september 2018 aangetroffen doos niet is verwijderd door de toezichthouders. Daar komt bij dat het college, onder verwijzing naar de vaste werkwijze van de toezichthouders, heeft betwist dat dit zich kan hebben voorgedaan.

    Gelet op het voorgaande heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij zelf de op 30 september 2018 aangetroffen doos heeft weggebracht en dat het college geen kosten heeft gemaakt voor de verwijdering daarvan. Zijn betoog geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft bepaald dat de kosten van het toepassen van bestuursdwang voor zijn rekening komen.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2020

687.