Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1875

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
05-08-2020
Zaaknummer
201908265/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:4520, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg een verzoek van [appellante] om aanvulling en/of wijziging van gegevens in de basisregistratie personen ingewilligd. Op 19 april 2018 heeft [appellante] de Peruaanse geboorteakte van haar minderjarige dochter aan het college overgelegd. Op deze geboorteakte heeft de dochter de geslachtsnaam "[naam A]". Dit zijn de geslachtsnaam van de man, die als de vader van de dochter in de geboorteakte staat vermeld, en die van de moeder. [appellante] heeft het college onder meer verzocht om als geslachtsnaam van haar dochter alleen haar eigen geslachtsnaam "[naam B]" te registreren in de brp.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module BRP 2020/2077
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908265/1/A3.

Datum uitspraak: 5 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 oktober 2019 in zaak nr. 19/2294 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2018 heeft het college een verzoek van [appellante] om aanvulling en/of wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (hierna: de brp) ingewilligd.

Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 april 2019 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juni 2020, waar [appellante], bijgestaan door mr. S.C. van Heerd, advocaat te Venlo, en het college, vertegenwoordigd door mr. A.P.A. Jonkers-Schutter, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Besluitvorming

2.    Op 19 april 2018 heeft [appellante] de Peruaanse geboorteakte van haar minderjarige dochter aan het college overgelegd. Op deze geboorteakte heeft de dochter de geslachtsnaam "[naam A]". Dit zijn de geslachtsnaam van de man, die als de vader van de dochter in de geboorteakte staat vermeld, en die van de moeder. [appellante] heeft het college onder meer verzocht om als geslachtsnaam van haar dochter alleen haar eigen geslachtsnaam "[naam B]" te registreren in de brp.

2.1.    Het college heeft bij besluit van 8 oktober 2018 de gegevens van de geboorteakte geregistreerd in de brp. Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk verklaard en deels ongegrond verklaard. Het college stelt zich op het standpunt dat het college het verzoek van [appellante] niet heeft hoeven opvatten als een verzoek om op grond van artikel 2.58 van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) om de in de brp vastgelegde geslachtsnaam van de dochter, "[naam A]", te wijzigen in "[naam B]", zoals deze zou luiden bij toepassing van het Nederlandse recht, en dat het haar evenmin de mogelijkheid daartoe heeft hoeven aanbieden.

Uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de geslachtsnaam van de dochter overeenkomstig haar geboorteakte en de Wet brp in de brp is geregistreerd. De Wet brp biedt geen ruimte om gegevens in de brp te registreren die afwijken van de in de artikelen 2.2 en 2.8, tweede lid, van de Wet brp vermelde geschriften, in dit geval de geboorteakte, terwijl het verzoek van [appellante] daar feitelijk op neerkomt. Verder is niet onomstotelijk komen vast te staan dat de registratie van de geslachtsnaam onjuist is, zodat [appellante] geen beroep kan doen op artikel 2.58 van de Wet brp. Als [appellante] van mening is dat de gegevens op de geboorteakte onjuist zijn, moet zij zich tot de civiele rechter wenden en kan zij eventueel op basis van de uitkomst vervolgens het college verzoeken de gegevens in de brp te wijzigen. De rechtbank ziet in het door [appellante] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 26 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD5517, steun voor dit standpunt. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om in te gaan op de uitleg die het college heeft gegeven aan artikel 10:24 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) en het Peruaanse familierecht. Omdat het volgens de rechtbank niet aan het college was om daar op in te gaan, ligt aan het besluit van 2 april 2019 een onjuiste motivering ten grondslag en moet dat besluit worden vernietigd. Omdat het college terecht heeft geweigerd om een andere geslachtsnaam van de dochter dan die staat vermeld op de geboorteakte te registreren in de brp, heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Hoger beroep en conclusie

4.    Het hoger beroep van [appellante] gaat over de vraag of het college, gelet op het voornoemde arrest van 26 september 2008, haar op grond van artikel 10:24 van het BW de mogelijkheid had moeten bieden een andere geslachtsnaam voor haar dochter te laten registreren in de brp dan die is vermeld op de geboorteakte. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Dat betekent dat [appellante] geen gelijk krijgt. In de hiernavolgende overwegingen wordt uitgelegd waarom.

Overwegingen

5.    De geboorteakte is een akte als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet brp. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het voor de inschrijving in de brp uit moet gaan van de gegevens in die geboorteakte. De Wet brp biedt het college niet de mogelijkheid om in afwijking van die geboorteakte andere gegevens, die niet zijn ontleend aan geschriften zoals genoemd in artikel 2.8, tweede lid, van de Wet brp, te registeren in de brp. Dat kan alleen als onomstotelijk komt vast te staan dat de in de brp opgenomen gegevens onjuist zijn. Het bewijs daarvoor kan alleen worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1707). De rechtbank heeft onbestreden overwogen dat dergelijke geschriften hier niet voorhanden zijn, zodat daarvan wordt uitgegaan.

5.1.    Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, kan [appellante] daarom niet worden gevolgd in haar betoog dat het college haar op grond van artikel 10:24 van het BW de mogelijkheid had moeten bieden om, in afwijking van de geboorteakte, de door haar gewenste geslachtsnaam te registeren in de brp. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante] zich met dit verzoek tot de ambtenaar van de burgerlijke stand en eventueel tot de civiele rechter moet wenden. Afhankelijk daarvan kan zij vervolgens het college verzoeken die gegevens, zoals deze dan blijken uit een geschrift zoals bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, aanhef en onder a of b, van de Wet brp, over te nemen in de brp. Het beroep van [appellante] op het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2008 slaagt niet, omdat het in die zaak ging om de inschrijving en verbetering van een buitenlandse huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand door de ambtenaar van de burgerlijke stand, terwijl het hier gaat om het overnemen van de gegevens van een buitenlandse geboorteakte in de brp door het college. De ambtenaar van de burgerlijke stand kan, zoals is neergelegd in titel 4 van boek 1 van het BW, onder meer aktes opmaken, aktes opnemen in de burgerlijke stand, aktes verbeteren, vermeldingen daaraan toevoegen en aktes doorhalen. In het BW, de Wet brp of anderszins is in dergelijke bevoegdheden voor het college niet voorzien. Anders dan [appellante] heeft betoogd, kan dat ook niet worden afgeleid uit het feit dat de bevolkingsambtenaar en de gemeentelijke basisadministratie worden vermeld in de door de Hoge Raad aangehaalde passage uit de memorie van toelichting bij (thans) artikel 10:24 van het BW (Kamerstukken II 1997/98, 25 971, nr. 3, blz. 1-2). De Hoge Raad heeft zich in het arrest van 26 september 2008 ook niet uitgelaten over het overnemen van gegevens van een buitenlandse geboorteakte in de brp, maar alleen geoordeeld dat de ambtenaar van de burgerlijke stand bij het inschrijven van een buitenlandse huwelijksakte in de registers van de burgerlijke stand aan een Nederlandse vrouw de keuze van haar geslachtsnaam moet bieden.

     Het betoog slaagt niet.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.L. Crombach, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020

689.

 

BIJLAGE

 

Wet basisregistratie personen

Artikel 2.2

De inschrijving in de basisregistratie geschiedt op grond van de geboorteakte, de aangifte van de betrokkene of ambtshalve.

Artikel 2.8

[…]

2. De gegevens over de burgerlijke staat worden, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring over het desbetreffende feit die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

[…]

Artikel 2.10

1. Indien aannemelijk is dat omtrent een gegeven over de familierechtelijke betrekkingen tot de ouders of de kinderen, over het huwelijk en de eerdere huwelijken, over de echtgenoot en de eerdere echtgenoten, over het geregistreerd partnerschap en de eerdere geregistreerde partnerschappen of over de geregistreerde partner en de eerdere geregistreerde partners een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c of d, kan worden verschaft, mogen deze gegevens niet worden ontleend aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e.

2. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder c, d of e, alsmede artikel 2.8, derde lid, worden geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten.

3. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder d en e, worden geen gegevens ontleend, indien aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn.

4. Aan een geschrift als bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, onder e, worden geen gegevens ontleend, dan nadat de gegevens voor zover mogelijk zijn geverifieerd door raadpleging van de basisregistratie en zo nodig van andere registers of van geschriften die door de betrokkene zijn overgelegd.

Artikel 2.58

1. Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen.

2. Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling.

3. Het college voldoet binnen vier weken aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, en kan de termijn, voor zover noodzakelijk, met telkens acht weken verlengen, indien het verzoek gegevens over de burgerlijke staat of de nationaliteit betreft. Het college doet terstond mededeling van de verlenging aan de verzoeker.

4. Artikel 2.55, tweede en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

5. Het college van burgemeester en wethouders doet van de uitvoering van het verzoek terstond mededeling aan de verzoeker.

Artikel 2.60

Een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om:

a. aan een aangifte geen of slechts ten dele gevolg te geven;

b. een gegeven over de burgerlijke staat niet op te nemen, dan wel een geschrift daarover dat als akte is aangeboden niet als zodanig aan te merken;

c. een gegeven over de nationaliteit niet op te nemen;

d. ambtshalve over te gaan tot inschrijving, of tot opneming van gegevens in het geval dat inschrijving of opneming op grond van een aangifte had moeten geschieden;

e. ambtshalve over te gaan tot verbetering, aanvulling of verwijdering van een algemeen gegeven;

f. bij een opgenomen algemeen gegeven een aantekening over de onjuistheid van dat gegeven of over de strijdigheid daarvan met de Nederlandse openbare orde te plaatsen;

g. niet te voldoen aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 2.55 tot en met 2.59, wordt gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Burgerlijk Wetboek

Artikel 10:24

1. Indien de geslachtsnaam of de voornamen van een persoon ter gelegenheid van de geboorte buiten Nederland zijn vastgelegd of als gevolg van een buiten Nederland tot stand gekomen wijziging in de persoonlijke staat zijn gewijzigd en zijn neergelegd in een overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte, worden de aldus vastgelegde of gewijzigde geslachtsnaam of voornamen in Nederland erkend. De erkenning kan niet wegens onverenigbaarheid met de openbare orde worden geweigerd op de enkele grond dat een ander recht is toegepast dan uit de bepalingen van deze wet zou zijn gevolgd.

2. Lid 1 laat onverlet de toepassing van artikel 25 van dit Boek.