Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1852

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
201905387/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:3075, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905387/1/V2.

Datum uitspraak: 5 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 10 juli 2019 in zaak nr. NL19.11260 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 10 juli 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verwers, advocaat te Wageningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De vreemdeling komt uit Jordanië en heeft een opvolgende asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij afvallig is geworden van de islam. De staatssecretaris heeft zijn afvalligheid niet geloofwaardig geacht. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling tegenstrijdig heeft verklaard over het beginpunt van zijn afvalligheid en onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van afkering. In hoger beroep is aan de orde of de rechtbank het standpunt van de staatssecretaris op de juiste manier heeft getoetst, en of de staatssecretaris zijn standpunt deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.    In zijn grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank bij de toetsing van het besluit van 14 mei 2019 ten onrechte haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van dat van hem.

2.1.    De rechtbank heeft overwogen dat de vreemdeling niet tegenstrijdig heeft verklaard over het beginpunt van zijn afvalligheid en dat hij voldoende inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van afkering. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat uit het rapport gehoor opvolgende aanvraag volgt dat de vreemdeling consistent en inzichtelijk heeft verklaard op basis van welke naar hun aard algemene leefregels, waarmee hij in zijn land van herkomst te maken kreeg, hij een afkeer tegen de islam heeft ontwikkeld. Tevens heeft zij van belang geacht dat de vreemdeling in zijn land van herkomst matig praktiserend was en niet intrinsiek geïnteresseerd in de islam. Volgens de rechtbank kan binnen dit kader niet van de vreemdeling worden verwacht dat hij verklaart over een diepgewortelde innerlijke overtuiging, maar is het in het onderhavige geval voldoende dat de vreemdeling inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor afkering en het proces van afkering van deze leefregels. De rechtbank heeft daarom het besluit van 14 mei 2019 vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen waarbij moet worden beoordeeld of de vreemdeling bij (toegedichte) afvalligheid moet worden aangemerkt als vluchteling of bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade.

2.2.    De staatssecretaris klaagt terecht dat de rechtbank door op deze wijze te overwegen niet heeft getoetst of zijn besluit van 14 mei 2019 de toetsing in rechte kan doorstaan, maar ten onrechte haar eigen oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas in de plaats heeft gesteld van zijn oordeel (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:891). Hierbij heeft zij in haar beoordeling ten opzichte van de door haar aangehaalde verklaringen van de vreemdeling over de motieven voor en het proces van afkering van de islam, de door de vreemdeling afgelegde, hiermee tegenstrijdige verklaringen, waar de staatssecretaris in zijn besluitvorming op heeft gewezen, onvoldoende betrokken. Verder heeft de rechtbank door de onder 2.1. beschreven opdracht aan de staatssecretaris te geven, hem in zoverre de mogelijkheid ontnomen om zijn standpunt dat de vreemdeling tegenstrijdig heeft verklaard over het beginpunt van zijn afvalligheid en dat de vreemdeling onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn motieven voor en het proces van afkering alsnog in een nieuw besluit deugdelijk te motiveren.

2.3.    De grieven slagen al hierom.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 10 juli 2019 in zaak nr. NL19.11260;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Prins

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020

594-596.