Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1843

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
05-08-2020
Datum publicatie
12-08-2020
Zaaknummer
202001125/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2020:414, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001125/1/V1.

Datum uitspraak: 5 augustus 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 januari 2020 in zaak nr. NL19.19532 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 21 januari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 29 mei 2020 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.    De vreemdeling stelt uit Eritrea te zijn gevlucht uit angst voor de militaire dienstplicht. De staatssecretaris gelooft niet dat de vreemdeling uit Eritrea komt en ook niet dat zijn geboortedatum en naam kloppen, omdat de vreemdeling in Italië en in Nederland verschillende geboortedata en namen heeft opgegeven. Deze uitspraak gaat over het oordeel van de rechtbank dat de staatssecretaris beter moet uitleggen waarom hij de vreemdeling niet gelooft, hoewel de vreemdeling met bewijsstukken is gekomen om te laten zien wie hij is.

2.    De staatsecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de verschillen in de geregistreerde persoonsgegevens van de vreemdeling ten onrechte in diens nadeel heeft uitgelegd. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat de vreemdeling op verschillende momenten verschillende persoonsgegevens heeft opgegeven. Ook heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat hij draagkrachtig heeft gemotiveerd dat de vreemdeling met de door de hem in beroep overgelegde documenten zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende waarde heeft toegekend aan de omstandigheid dat de vreemdeling Tigrinja spreekt en de herkomstvragen tijdens het eerste gehoor op 29 januari 2019 juist heeft beantwoord. Ook heeft de rechtbank volgens de staatssecretaris niet onderkend dat hij de herkomst en nationaliteit van de vreemdeling nog minder geloofwaardig heeft geacht wegens zijn ongeloofwaardig geachte verklaringen over zijn vrees voor de militaire dienstplicht en over de illegale uitreis.

2.1.    De vreemdeling is in Italië geregistreerd met de volgende namen en geboortedata:

- [naam A], geboren op [2001],

- [naam B], geboren op [2001] en

- [naam C], geboren op [2001].

De vreemdeling staat in Nederland in Havank, het vingerafdrukkenherkenningssysteem van de politie, geregistreerd als:

- [naam B], geboren op [2001] en

in NSIS, het Nationaal Schengen Informatiesysteem als:

- [naam D], geboren op [2001].

2.2.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3680, is de staatssecretaris, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, er in beginsel terecht van uitgegaan dat de registratie van de geboortedatum en naam van de vreemdeling in Italië zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Het is aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat de registratie in Italië onjuist is. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, betoogt de staatssecretaris, gelet op die uitspraak, terecht dat de vreemdeling met de enkele stelling dat in Italië geen tolk aanwezig was onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in Italië fouten zijn gemaakt bij de registratie van zijn geboortedatum en naam. Verder wijst de staatssecretaris er terecht op dat de vreemdeling zonder tolk het registratieformulier in Italië niet had kunnen invullen, omdat hij heeft verklaard dat hij het westers schrift in dat formulier niet kon lezen. Ook heeft de staatssecretaris er ter zitting bij de rechtbank terecht op gewezen dat de vreemdeling in Nederland ook met tolk verschillende geboortedata heeft opgegeven. Nu de geboortedatum deel uitmaakt van de identiteit van de vreemdeling, heeft de staatssecretaris de door hem gestelde identiteit niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht.

2.3.    Dat de vreemdeling Tigrinja spreekt en tijdens het eerste gehoor juist heeft geantwoord op de herkomstvragen over Eritrea betekent nog niet dat moet worden uitgegaan van een langdurig verblijf in Eritrea of van het bezitten van de Eritrese nationaliteit, zoals de staatssecretaris niet ten onrechte heeft vermeld in het besluit van 24 juli 2019. Zo heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat de vreemdeling tijdens het eerste gehoor geen kennis bleek te hebben van algemene zaken in Eritrea, omdat hij niets wist te vertellen over de militaire dienstplicht of de vrijstellingsgronden daarvoor. Voorts betoogt de staatssecretaris niet ten onrechte dat de vreemdeling met de door hem overgelegde kopieën van zijn doopakte, en van de identiteitskaart en bewonerspas van zijn gestelde vader, zijn identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris heeft er ter zitting terecht op gewezen dat de overgelegde doopakte een kopie is die niet kan worden onderzocht en verder dat hij niet kan vaststellen of de man aan wie de overgelegde kopieën van de identiteitskaart en bewonerspas toebehoren daadwerkelijk de vader van de vreemdeling is. Ten slotte heeft de staatssecretaris niet ten onrechte geen geloof gehecht aan de illegale uitreis van de vreemdeling en bevreemdingwekkend geacht dat de vreemdeling geen voorbereidingen heeft getroffen voor de reis en zich niet heeft laten informeren over de reisagent, de te volgen route en de duur van de reis.

2.4.    De grieven slagen.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De staatssecretaris heeft het besluit van 29 mei 2020 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat die uitspraak wordt vernietigd, wordt ook het besluit 29 mei 2020 vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep tegen het besluit van 24 juli 2019. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

4.    De vreemdeling heeft tevergeefs een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel door te verwijzen naar een zaak van een andere minderjarige Eritrese vreemdeling die in Italië met verschillende geboortedata stond geregistreerd en aan wie de staatssecretaris wel een asielvergunning heeft verleend. De staatssecretaris heeft terecht in het verweerschrift aangevoerd dat het alleen al niet gaat om vergelijkbare gevallen, omdat de vreemdeling in die andere zaak, anders dan de vreemdeling in deze zaak, gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over algemene zaken in Eritrea en over de illegale uitreis.

5.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 21 januari 2020 in zaak nr. NL19.19532;

III.    verklaart het beroep ongegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 29 mei 2020, V-nummer […].

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2020

488-954.