Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:180

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
201902604/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juni 2017 heeft de korpschef van politie besloten op een verzoek van [appellante] om haar mede te delen of hij persoonsgegevens van haar verwerkt. [appellante] is in verscheidene procedures verwikkeld over de manier waarop zij is behandeld door de politie en hoe daarbij met haar persoonsgegevens is omgegaan. Persoonlijke gegevens van [appellante] zijn in de openbaarheid gekomen. Omdat [appellante] precies wil weten wat met haar persoonsgegevens is gebeurd, heeft zij de korpschef op 28 februari 2017 verzocht om haar mede te delen of hij haar persoonsgegevens verwerkt en, indien dat het geval is, welke persoonsgegevens worden verwerkt, wat daarvan het doel is, aan wie die gegevens zijn verstrekt en wat de herkomst, voor zover bekend, van die gegevens is. Daarnaast heeft zij de korpschef verzocht om haar kopieën te verstrekken van de documenten waarin haar persoonsgegevens zijn verwerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2020/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902604/1/A3.

Datum uitspraak: 22 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 februari 2019 in zaak nr. 17/7440 in het geding tussen:

[appellante]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juni 2017 heeft de korpschef besloten op een verzoek van [appellante] om haar mede te delen of hij persoonsgegevens van haar verwerkt.

Bij besluit van 6 oktober 2017 heeft de korpschef het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] tegen het besluit van 6 oktober 2017 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] heeft de Afdeling toestemming verleend om mede op grondslag van de niet ter inzage gegeven informatie uitspraak te doen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2019, waar [appellante] en de korpschef, vertegenwoordigd door L. van den Berg, zijn verschenen.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.    De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in een bijlage. Deze maakt deel uit van de uitspraak.

Inleiding

1.1.    [appellante] is in verscheidene procedures verwikkeld over de manier waarop zij is behandeld door de politie en hoe daarbij met haar persoonsgegevens is omgegaan. Persoonlijke gegevens van [appellante] zijn in de openbaarheid gekomen. Omdat [appellante] precies wil weten wat met haar persoonsgegevens is gebeurd, heeft zij de korpschef op 28 februari 2017 verzocht om haar mede te delen of hij haar persoonsgegevens verwerkt en, indien dat het geval is, welke persoonsgegevens worden verwerkt, wat daarvan het doel is, aan wie die gegevens zijn verstrekt en wat de herkomst, voor zover bekend, van die gegevens is. Daarnaast heeft zij de korpschef verzocht om haar kopieën te verstrekken van de documenten waarin haar persoonsgegevens zijn verwerkt.

1.2.    De korpschef heeft de ontvangst van het verzoek op 21 maart 2017 bevestigd. Hij heeft vastgesteld dat het verzoek betrekking heeft op de periode van 29 oktober 2013 tot 28 februari 2017. [appellante] heeft de korpschef vervolgens in gebreke gesteld omdat hij niet op tijd op het verzoek heeft beslist.

    Bij het besluit van 2 juni 2017 heeft de korpschef [appellante] een overzicht verstrekt met door hem verwerkte persoonsgegevens. In dit besluit is vermeld wat het doel daarvan is, aan wie die gegevens zijn verstrekt en wat de herkomst, voor zover bekend, van die gegevens is. Omdat dit besluit niet op tijd was genomen, heeft de korpschef een dwangsom vastgesteld. Naar aanleiding van het bezwaar van [appellante] heeft de korpschef aanleiding gezien om het overzicht bij het besluit van 6 oktober 2017 aan te vullen.

    Naar aanleiding van het beroepschrift van [appellante] heeft de korpschef dit overzicht op enkele punten gewijzigd, aangevuld en nader onderbouwd. Dit heeft geleid tot een nieuw overzicht dat als bijlage bij het verweerschrift van de korpschef bij de rechtbank van 16 januari 2018 is gevoegd. De korpschef heeft in dit nieuwe overzicht een onderverdeling gemaakt in vijf categorieën. Ter zitting heeft [appellante] medegedeeld dat haar hoger beroep geen betrekking heeft op categorie 3. Categorie 1 is onderverdeeld in twee subcategorieën. Subcategorie a heeft betrekking op documenten bij de afdeling klachten. Subcategorie b heeft betrekking op documenten van een externe klachtcommissie. Categorie 2 heeft betrekking op documenten inzake juridische procedures die zijn gevoerd in een disciplinair onderzoek naar een wijkagent. Categorie 4 heeft betrekking op documenten van een Regionaal servicecentrum. Categorie 5 heeft betrekking op overige (contact)gegevens.

1.3.    De rechtbank heeft het besluit van 6 oktober 2017 vernietigd omdat het overzicht dat bij dat besluit zat gelet op de wijziging en aanvulling in beroep onvolledig was. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat het nieuwe overzicht wel aan de daaraan gestelde wettelijke eisen voldoet, zodat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten kunnen worden. Dat betekende dat de korpschef geen nieuw besluit op het bezwaar van [appellante] hoefde te nemen en dat het nieuwe overzicht als volledig wordt beschouwd. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de korpschef de dwangsom op juiste gronden heeft vastgesteld.

Het hoger beroep

1.4.    [appellante] betoogt in hoger beroep allereerst dat het door de rechtbank in de uitspraak opgenomen procesverloop niet juist is. [appellante] betoogt vervolgens dat de korpschef eerder een dwangsom heeft verbeurd dan rechtbank heeft aangenomen. Tot slot betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het nieuwe overzicht volledig is.

1.5.    De Afdeling zal deze betogen hieronder beoordelen.

Het procesverloop

2.    Volgens [appellante] is het procesverloop onjuist omdat hieruit volgt dat op 12 december 2018 door de rechtbank zou zijn aangekondigd dat een nadere zitting achterwege zou blijven. [appellante] was hier echter niet van op de hoogte.

2.1.    Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3729, geeft het procesverloop een beknopte beschrijving van de procedure. De rechtbank heeft bij brief van 9 oktober 2018 laten weten dat een nadere zitting achterwege blijft, tenzij partijen aangeven mondeling op zitting gehoord te willen worden. Bij brief van 14 november 2018 heeft de rechtbank partijen herinnerd aan de brief van 9 oktober 2018. [appellante] heeft bij brief van 17 november 2018 gereageerd met de mededeling dat zij niet meer op zitting gehoord hoeft te worden. Dat de rechtbank een brief van 12 december 2018 in het procesverloop noemt, moet op een kennelijke verschrijving berusten. Er bestaat daarom geen aanleiding hieraan gevolgen te verbinden.

    Het betoog faalt.

De dwangsom

3.    [appellante] heeft de korpschef op 8 april 2017 in gebreke gesteld. De korpschef heeft [appellante] bij brief van 12 april 2017 medegedeeld dat de ingebrekestelling niet in behandeling kan worden genomen, omdat die per e-mail is binnengekomen. De korpschef heeft daarbij medegedeeld dat het niet mogelijk is om via de e-mail een ingebrekestelling te sturen. Daarop heeft [appellante] bij brief van 17 april 2017 de korpschef nogmaals in gebreke gesteld.

3.1.    [appellante] stelt dat zij de korpschef op 8 april 2017 zowel per mail als per gewone post in gebreke heeft gesteld. De korpschef had bij zijn brief van 30 maart 2017 een antwoordenveloppe gevoegd, waarmee zij een brief heeft verstuurd waarin zij is ingegaan op een verzoek om inzage. Daarbij heeft zij ook een ingebrekestelling verstuurd, zo heeft zij geschreven in haar brief van 17 april 2017.

3.2.    [appellante] heeft haar verzoek op 28 februari 2017 ingediend. De termijn die de korpschef heeft om te beslissen op dat verzoek, was op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wbp vier weken. De korpschef had dus voor 28 maart 2017 een besluit op het verzoek moeten nemen. Vervolgens heeft [appellante] de korpschef bij e-mailbericht van 8 april 2017 in gebreke gesteld, een termijn gegeven om alsnog binnen twee weken te besluiten op haar verzoek en gesteld dat, indien hij dat niet doet, hij daarna een dwangsom verbeurt. Niet is gebleken en [appellante] heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij op die dag ook per gewone post een ingebrekestelling heeft toegezonden. De korpschef ontkent zo’n brief te hebben ontvangen. De korpschef heeft [appellante] bij brief van 12 april 2017 medegedeeld dat een ingebrekestelling niet per e-mail kan worden ingediend maar per gewone post moet worden ingediend. [appellante] heeft bij brief van 17 april 2017 de korpschef opnieuw in gebreke gesteld, een termijn gegeven om alsnog binnen twee weken te besluiten op haar verzoek en gesteld dat, indien hij dat niet doet, hij daarna een dwangsom verbeurt.

    De Afdeling is van oordeel dat de eerste dag waarop de korpschef een dwangsom is verschuldigd 2 mei 2017 is. Dit is de dag nadat twee weken waren verstreken voor het geven van een besluit na de brief van 17 april 2017. De korpschef heeft de digitale weg voor het indienen van verzoeken nog niet geopend en daarom kan de e-mail van [appellante] van 8 april 2017 niet worden aangemerkt als een ingebrekestelling. Omdat de gelijktijdige verzending per gewone post op die datum niet is aangetoond en de ontvangst wordt ontkend, kan niet van 8 april 2017 worden uitgegaan. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

Het overzicht met verwerkte persoonsgegevens

Het betoog van [appellante]

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de in het nieuwe overzicht opgenomen persoonsgegevens in begrijpelijke vorm zijn verschaft, dat ze zijn voorzien van een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, dat het duidelijk is waarop de verwerking van de categorieën van gegevens betrekking heeft, dat duidelijk is wie de ontvangers of categorieën van ontvangers zijn en dat duidelijk is wat de herkomst van de gegevens is. Bovendien  staan volgens [appellante] niet alle persoonsgegevens op het overzicht vermeld. Gegevens die de korpschef naar de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB) heeft gestuurd, staan bijvoorbeeld niet op het overzicht vermeld. De korpschef had ook verwerkingen met betrekking tot intern overleg, haar contact met politiemedewerkers, brieven, e-mailberichten, telefoon- en interne notities en gespreksverslagen in het nieuwe overzicht moeten opnemen. Om deze redenen heeft zij onvoldoende inzage gehad in haar persoonsgegevens. Verder heeft de korpschef enkele verwerkingen ten onrechte op het overzicht opgenomen, aldus [appellante].

Beoordeling

4.1.    Op grond van artikel 35, tweede lid, van de Wbp, heeft een betrokkene, indien een bestuursorgaan zijn persoonsgegevens verwerkt, recht op een volledig overzicht met verwerkingen van persoonsgegevens in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

4.2.    De korpschef heeft zich in zijn verweer op het standpunt gesteld dat [appellante] hoger beroep heeft ingesteld om haar ongenoegen te uiten over de wijze waarop hij met haar belangen is omgegaan in de beroepsprocedure die de wijkagent heeft aangespannen naar aanleiding van het disciplinair onderzoek. Ter zitting heeft de korpschef toegelicht dat hij, als hij opnieuw gaat zoeken, ongetwijfeld meer e-mails met persoonsgegevens van [appellante] kan vinden, maar dat er een grens is aan wat als een redelijke inspanning kan worden aangemerkt om te onderzoeken welke persoonsgegevens bij hem berusten. Volgens de korpschef heeft hij die grens bereikt. Verder heeft de korpschef toegelicht dat de vijftien documenten die hij naar de CRvB heeft gestuurd hem bekend voorkomen. Deze documenten staan niet op het nieuwe overzicht vermeld. De korpschef heeft toegelicht dat in in ieder geval één van die documenten de persoonsgegevens van [appellante] zijn verwerkt.

4.3.    Alleen al gezien het in 4.2. gestelde voldoet het nieuwe overzicht niet aan de eisen die in artikel 35, tweede lid, van de Wbp worden gesteld. Dat [appellante] deze procedure volgens de korpschef is gestart om haar ongenoegen te uiten over de wijze waarop hij met haar belangen is omgegaan, ontslaat de korpschef niet van zijn wettelijke verplichting om een volledig overzicht van verwerkingen van persoonsgegevens van [appellante] aan haar te verstrekken. De korpschef moet daarom opnieuw zoeken naar persoonsgegevens van [appellante] die hij verwerkt heeft in de periode van 29 oktober 2013 tot 28 februari 2017. Het gaat daarbij alleen om verwerkingen van persoonsgegevens van [appellante] bij de korpschef en niet om verwerkingen van persoonsgegevens van [appellante] bij derden. Bij deze nieuwe zoekslag moet de korpschef inzichtelijk maken op welke wijze hij heeft gezocht naar de verwerkingen van haar persoonsgegevens. Omdat de Wbp op 25 mei 2018 is ingetrokken en vanaf dat moment de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG) geldt, moet de korpschef bij verstrekking van een nieuw overzicht toepassing geven aan de AVG en bezien of het overzicht daarmee in overeenstemming is. De rechtbank heeft gezien het voorgaande ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

5.    Het voorgaande betekent dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling bepalen dat de korpschef opnieuw een besluit moet nemen op het bezwaar van [appellante], met inachtneming van deze uitspraak. Het betoog van [appellante] dat de rechtbank bij het in stand laten van de rechtsgevolgen had moeten beoordelen of het overzicht aan de AVG voldoet, kan daarom ook buiten beschouwing blijven. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. Ter zitting is overigens gebleken dat het niet is uitgesloten dat [appellante] en de korpschef in der minne tot een oplossing komen.

6.    De korpschef dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 februari 2019 in zaak nr. 17/7440, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 6 oktober 2017 in stand heeft gelaten;

III.    bepaalt dat de korpschef van politie een nieuw besluit op het bezwaar van [appellante] moet nemen;

IV.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V.    veroordeelt de korpschef van politie tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 39,70 (zegge: negenendertig euro en zeventig cent);

VI.    gelast dat de korpschef van politie aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. H.C.P. Venema, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Langeveld-Mak

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2020

317-857.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 2:14

1. Een bestuursorgaan kan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is.

[…]

Artikel 4:17

1. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. De Algemene termijnenwet is op laatstgenoemde termijn niet van toepassing.

2. De dwangsom bedraagt de eerste veertien dagen € 23 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 35 per dag en de overige dagen € 45 per dag.

3. De eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

[…]

Wet bescherming persoonsgegevens [zoals die luidde tot 25 mei 2018]

Artikel 35

1. De betrokkene heeft het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

2. Indien zodanige gegevens worden verwerkt, bevat de mededeling een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

[…]