Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1778

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-07-2020
Datum publicatie
29-07-2020
Zaaknummer
202002385/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers, waaronder de locatie nabij de Beethovensingel, Kalmanstraat en Leharkade te Alkmaar. Het bestreden besluit voorziet in de aanwijzing van een locatie voor een orac voor bewoners van de Beethovensingel, de Kalmanstraat en de Leharkade te Alkmaar. De locatie wordt in het bestreden besluit aangeduid als WE131R. [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], nabij de aangewezen locatie voor de orac. Zij kunnen zich niet verenigen met de aanwijzing van deze locatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002385/1/R1.

Datum uitspraak: 29 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Alkmaar,

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft het college locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (hierna: oracs), waaronder de locatie nabij de Beethovensingel, Kalmanstraat en Leharkade te Alkmaar.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 juni 2020, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant] en [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestreden besluit voorziet in de aanwijzing van een locatie voor een orac voor bewoners van de Beethovensingel, de Kalmanstraat en de Leharkade te Alkmaar. De locatie wordt in het bestreden besluit aangeduid als WE131R.

    [appellant] en anderen wonen aan de [locatie 1], [locatie 2] en [locatie 3], nabij de aangewezen locatie voor de orac. Zij kunnen zich niet verenigen met de aanwijzing van deze locatie.

Zienswijze

2.    [appellant] en anderen betogen dat het college onvoldoende gemotiveerd op de naar voren gebrachte zienswijzen is ingegaan en daarmee heeft gehandeld in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat het college de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

    Het betoog faalt.

Toetsingskader

3.    Bij de keuze van een locatie voor orac's dient het college een afweging te maken van alle betrokken belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2506), komt het college bij de keuze voor locaties voor de plaatsing van orac's beleidsruimte toe. Dit betekent dat de Afdeling, aan de hand van de beroepsgronden, beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze voor de aangewezen locatie heeft kunnen komen. Daarbij beoordeelt zij allereerst of het college de locatie geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een orac. Als dat zo is, beoordeelt de Afdeling vervolgens of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de locatie vanwege een geschiktere alternatieve locatie. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie, dat geoordeeld moet worden dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor die locatie, maar had moeten kiezen voor de alternatieve locatie.

4.    Het college heeft bij de aanwijzing van de locatie voor de orac het Afvalbeleidsplan 2016-2020 van 25 februari 2016 (hierna: afvalbeleidsplan) en het Beleid inzameling huishoudelijke afvalstoffen nabij elk perceel gemeente Alkmaar van 30 november 2016 (hierna: inzamelbeleidsplan) gehanteerd.

Geschiktheid van de locatie

5.    [appellant] en anderen betogen dat de aangewezen locatie niet geschikt is voor plaatsing van een orac. Volgens hen wordt niet voldaan aan de criteria die het college daarvoor hanteert in het inzamelbeleidsplan. Zij stellen dat voor veel woningen die op de orac zijn aangewezen geldt dat deze op een grotere afstand dan de in het inzamelbeleidsplan als acceptabel aangenomen 75 m tot het inzamelpunt zijn gelegen. In de wijk wonen veel oudere mensen en mensen met minder mobiliteit voor wie de afstand tot de aangewezen locatie te groot is, aldus [appellant] en anderen.

5.1.    De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of het in artikel 8:69a van de Awb neergelegde relativiteitsvereiste eraan in de weg staat dat [appellant] en anderen zich in zoverre met succes kunnen beroepen op de artikelen in het inzamelbeleidsplan.

5.2.    Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

5.3.    Het inzamelbeleidsplan voorziet in bepalingen die erop zien dat de inzameling van huishoudelijke afval nabij elk perceel zodanig plaatsvindt dat sprake is van een laagdrempelige voorziening. Het tweede artikel bepaalt dat bij een afstand tot 75 m tussen het perceel waar het huishoudelijke restafval ontstaat en de inzamelvoorziening toetsingscriteria van toepassing zijn met het oog op een doelmatige inrichting van de buitenruimte. Volgens het derde artikel van het inzamelbeleidsplan gelden bij een afstand die meer bedraagt dan 75 m tussen het perceel waar het huishoudelijke restafval ontstaat en de inzamelvoorziening specifieke criteria. Indien, volgens het vierde artikel, sprake is van een loopafstand groter dan 125 m vanaf een perceel dat slechts wordt bewoond door ouderen boven de leeftijd van 75 jaar en/of personen met een fysieke beperking, dan wordt voor dat perceel een alternatieve wijze voor het aanbieden van huishoudelijk restafval mogelijk gemaakt.

5.4.     Vast staat dat de in geding zijnde orac in de directe nabijheid van de woningen van [appellant] en anderen is voorzien conform het tweede artikel van het inzamelbeleidsplein. De gronden die in het beroepschrift naar voren zijn gebracht, houden in dit opzicht geen verband met hun eigen belangen, maar met de belangen van andere bewoners, met name ouderen, die op een grotere afstand dan 75 m van de inzamelvoorziening wonen als bedoeld in het derde en vierde artikel van het inzamelbeleidsplan.

    Deze beroepsgrond kan er, gelet op artikel 8:69a van de Awb, daarom niet toe leiden dat het bestreden besluit om die reden wordt vernietigd. De Afdeling ziet dan ook af van een inhoudelijke bespreking van dit betoog.

Verkeersveiligheid

6.    [appellant] en anderen vrezen verder voor aantasting van de verkeersveiligheid. Zij onderbouwen dit door te stellen dat de locatie van de aangewezen orac is gelegen langs een route met schoolverkeer van en naar een tweetal basisscholen toe. Het in- en uitrijden van inzamelvoertuigen zal volgens hen onveilige situaties opleveren. Ook zijn er 84 huishoudens op slechts één orac aangewezen, hetgeen - nu het de drempel om het afval per voet weg te brengen, verlaagt - zal leiden tot een verkeerstoename in hun wijk, aldus [appellant] en anderen.

6.1.    Het college heeft in het besluit van 18 februari 2020 uiteengezet dat de aangewezen locatie voldoet aan de in het inzamelbeleidsplan opgenomen toetsingscriteria, waaronder de verkeersveiligheid. Het college verwijst daarbij naar een beoordeling van een verkeerskundige van de gemeente.

    Op de Leharkade geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Verder is de aangewezen locatie voor de orac volgens de reactie van het college op de ingediende zienswijzen goed zichtbaar. Dit is door [appellant] en anderen niet bestreden. Hoewel niet is uitgesloten dat het gemotoriseerde verkeer bij het ledigen van de orac en het in- en uitrijden van het inzamelvoertuig wordt opgehouden, acht de Afdeling - in aanmerking genomen dat het inzamelvoertuig bij het ledigen van de orac de weg slechts 1 of 2 keer per week gedurende maximaal 5 minuten (gedeeltelijk) zal blokkeren - het voldoende aannemelijk dat de invloed op de verkeersveiligheid beperkt zal zijn. Hierbij betrekt de Afdeling dat, zoals het college in haar reactie op de zienswijzen heeft gesteld, de gemeente bij het tijdstip van het ledigen van de orac rekening houdt met de schooltijden.

    Voor zover [appellant] en anderen stellen dat, nu 84 huishoudens op één orac zijn aangewezen, verkeerstoename in de wijk zal ontstaan, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is gemaakt dat het aantal verkeersbewegingen, als gebruikers al met de auto komen, zodanig zou toenemen dat dit tot ernstige hinder leidt. Mede gelet op het vorenstaande  bestaan er voorts geen concrete aanknopingspunten voor het oordeel dat een eventuele toename van het verkeer zal leiden tot veiligheidsrisico’s.

    Gelet op het voorgaande biedt wat [appellant] en anderen aanvoeren over de verkeersveiligheid geen grond voor het oordeel dat het college de aangewezen locatie niet in redelijkheid geschikt heeft kunnen achten voor de plaatsing van een orac.

    Het betoog faalt.

Alternatieve locaties

7.    [appellant] en anderen betogen voorts dat het college de locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen nu er geschiktere alternatieve locaties in de wijk voorhanden zijn. Zij wijzen enerzijds op de in het ontwerp voorziene locatie op de kruising van de Beethovensingel en de Kalmanstraat, en anderzijds op twee plaatsen aan de Beethovensingel, een aan de noordzijde en een aan de zuidzijde daarvan.

    Zij betogen dat, anders dan het college in de reactie op de zienswijzen heeft gesteld, het op de door hen voorgestelde locaties niet problematisch is als vrachtwagens bij het ophalen van afval over het fietspad moeten rijden. Zij stellen in dat verband dat op de Beethovensingel thans reeds locaties voor het verzamelen van plastic- en groenafval zijn aangewezen.

    [appellant] en anderen stellen verder dat door orac’s op de alternatieve locaties te plaatsen de vrees voor zwerfafval en geuroverlast verminderd wordt. Zij onderbouwen dit met de stelling dat de alternatieve locaties minder afgelegen liggen.

    Ook stellen zij dat de alternatieve locaties de uitlaatgassen en het gebruik van brandstof door de vrachtwagens die het afval ophalen, verminderen. Zij betogen in dit verband dat de aanrijroute korter is en de route minder obstakels, zoals verkeersdrempels, kent.

    Tot slot neemt door de alternatieve locaties de inbreuk op hun privacy door dichtslaande deuren en stationair draaiende automotoren af. De voorgestelde locaties verminderen de prikkel om afval met de auto weg te brengen, aldus [appellant] en anderen.

7.1.    Het college heeft zich in de reactie op de zienswijzen op het standpunt gesteld dat de door [appellant] en anderen aangedragen alternatieve locaties niet geschikter zijn dan de aangewezen locatie. Daarbij acht het college van belang dat de maximale snelheid op de Beethovensingel, anders dan op de Leharkade, 50 km/uur bedraagt. Verder voldoen de alternatieve locaties niet beter aan het toetsingscriterium van de verkeersveiligheid, aangezien de inzamelvoertuigen bij het ledigen van de orac’s op de alternatieve locaties de fietsstrook afsluiten, aldus het college. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van wat het college over de geschiktheid van de aangedragen alternatieve locaties in dit verband naar voren heeft gebracht.

    Wat [appellant] en anderen voor het overige aanvoeren, kan evenmin leiden tot het oordeel dat het college niet voor de aangewezen locatie heeft mogen kiezen. Het verkeerd aanbieden van afval, en de eventueel daarmee gepaard gaande geuroverlast, betreft een kwestie van handhaving. Dat [appellant] en anderen ter zitting naar voren hebben gebracht dat zij hebben waargenomen dat er momenteel afval naast de inmiddels geplaatste orac wordt gedeponeerd, maakt dit niet anders. Dat bij normaal gebruik van de orac sprake zal zijn van geuroverlast is niet aannemelijk, omdat de orac - zoals het college in de reactie op de zienswijzen heeft toegelicht - een afgesloten inwerptrommel heeft waardoor deze niet open kan blijven staan en het afval zich ondergronds bevindt.

    Voorts ziet de Afdeling in de enkele stelling dat uitlaatgassen en het gebruik van brandstof door plaatsing van de orac op een van de alternatieve locaties verminderen, geen grond voor het oordeel dat dit effect zodanig is dat het college de betrokken locatie daarom niet in redelijkheid voor plaatsing van de orac heeft kunnen aanwijzen. Dat geldt eveneens voor de door [appellant] en anderen gestelde hinder die veroorzaakt wordt door met draaiende motor geparkeerde auto’s. In wat [appellant] en anderen aanvoeren ziet de Afdeling geen grond voor de conclusie dat, als gebruikers al met een motorvoertuig naar de orac komen en de motor al laten draaien tijdens het aanbieden van huisvuil, de hinder daarvan zodanig is dat het college om die reden de aangewezen locatie niet in redelijkheid heeft kunnen aanwijzen.

    Hoewel niet onbegrijpelijk is dat [appellant] en anderen de orac liever niet in de directe nabijheid van hun woning geplaatst zouden zien, bestaat in het licht van het voorgaande geen grond voor het oordeel dat de voorgestelde alternatieve locaties zodanig geschikter zijn, dat het college deze in redelijkheid had moeten verkiezen boven de aangewezen locatie.

    Het betoog faalt.

Conclusie

8.    Het beroep is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 29 juli 2020

195-890.