Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1766

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
201903087/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 februari 2019 heeft de raad van de gemeente De Wolden het bestemmingsplan "Dunningen 4e fase, de Wijk" vastgesteld. Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van de kern De Wijk en wordt begrensd door de Haalweidigerweg aan de zuidzijde en de Woert aan de westzijde. Met het plan beoogt de raad de vierde fase van de nieuwbouwwijk Dunningen te realiseren. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wonen in de directe nabijheid van het plangebied en verzetten zich tegen het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk". Zij zijn het er niet mee eens dat de gronden van het plangebied worden ontwikkeld als woningbouwlocatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/437
JOM 2020/449
JGROND 2020/207 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JGROND 2020/215 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/207 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/215 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
JWA 2020/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903087/1/R3.

Datum uitspraak: 22 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te De Wijk, gemeente De Wolden,

2.    [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te De Wijk, gemeente

De Wolden,

appellanten,

en

de raad van de gemeente De Wolden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Dunningen 4e fase, de Wijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft [appellant sub 2] en anderen en de raad verzocht schriftelijke inlichtingen te geven als bedoeld in artikel 8:45 van de Awb.

[appellant sub 2] en anderen en de raad hebben gereageerd op het verzoek van de Afdeling om schriftelijke inlichtingen te geven.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2020, waar [appellant sub 2] en anderen, van wie [appellant sub 2], [andere appellanten], bijgestaan door mr. F. Postma, advocaat te Leeuwarden, en de raad, vertegenwoordigd door R. ter Stege en D. Roessink, zijn verschenen. Voorts is ter zitting RoodBlond B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van de kern De Wijk en wordt begrensd door de Haalweidigerweg aan de zuidzijde en de Woert aan de westzijde.

Met het plan beoogt de raad de vierde fase van de nieuwbouwwijk Dunningen te realiseren. Het plan kent daarvoor de bestemmingen "Wonen", "Groen", "Tuin" en "Verkeer - Verblijfsgebied" toe aan de gronden van het plangebied. Het aantal woningen bedraagt niet meer dan 22 volgens artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder b, van de planregels.

In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is vermeld dat aan de noordelijke zijde van het plangebied levensloopbestendige woningen en rijwoningen zijn voorzien. De rijwoningen sluiten hiermee aan bij de andere rijwoningen die zijn gerealiseerd met het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk". Daarnaast zijn in het midden en in het zuidelijke gedeelte van het plangebied vrijstaande woningen voorzien.

2.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wonen in de directe nabijheid van het plangebied en verzetten zich tegen het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk". Zij zijn het er niet mee eens dat de gronden van het plangebied worden ontwikkeld als woningbouwlocatie.

Bestuurlijke lus

3.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Bijlage

5.    De relevante wettelijke bepalingen en planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Intrekking beroepsgrond

6.    Ter zitting hebben [appellant sub 2] en anderen hun beroepsgrond over stikstof in Natura 2000-gebieden ingetrokken.

Zienswijze

7.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad in de Nota van beantwoording zienswijzen (hierna: zienswijzennota) niet is ingegaan op hun zienswijze over de landschappelijke inpassing en over de verkeersstructuur.

7.1.    De zienswijze van [appellant sub 2] en anderen is door de raad samengevat en van commentaar voorzien in de zienswijzennota. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Vertrouwensbeginsel

8.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld. Daartoe betogen zij dat bij de aankoop van hun percelen in 2015 de toezegging is gedaan dat de gronden van het plangebied de komende tien jaar niet zouden worden ontwikkeld als woningbouwlocatie en dat zij tot die tijd vrij uitzicht zouden hebben, terwijl het sinds de zomer van 2015 dan wel eind oktober 2015 binnen de gemeente bekend was dat RoodBlond B.V. plannen had tot verdere ontwikkeling van het plangebied. Daarbij komt dat de wethouder verwachtingen heeft gewekt in de verkoopbrochure voor deze woningen, omdat hierin is ingegaan op de ligging van de voorziene woningen en het daarbij behorende uitzicht. Ook heeft de wethouder in een gesprek te kennen gegeven dat de gronden van het plangebied de eerste tien jaar na het aankopen van hun percelen niet zouden worden ontwikkeld. In dit verband wijzen zij op de plantoelichting bij het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk". [appellant sub 2] en anderen voeren verder aan dat zij erop mochten vertrouwen dat zij vrij uitzicht zouden behouden, omdat zij een hogere grondprijs hebben betaald voor hun percelen ten opzichte van de percelen zonder vrij uitzicht.

8.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

Nu [appellant sub 2] en anderen stellen dat is toegezegd dat de gronden van het plangebied de eerste tien jaar na de aankoop van hun percelen in de loop van 2015 niet zouden worden ontwikkeld, ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of de raad op 28 februari 2019 het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk" heeft kunnen vaststellen. [appellant sub 2] en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit zij redelijkerwijs konden en mochten afleiden hoe de raad zijn bevoegdheid tot het vaststellen van een bestemmingsplan zou uitoefenen, en meer in het bijzonder dat de raad gedurende tien jaar niet zou meewerken aan de ontwikkeling van het plangebied. De omstandigheid dat het college op het moment dat [appellant sub 2] en anderen hun percelen kochten, heeft uitgedragen wat op dat moment de visie was voor de gronden van het plangebied, is geen uitlating of gedraging waaruit [appellant sub 2] en anderen redelijkerwijs konden en mochten afleiden dat de raad er gedurende de eerste tien jaar na het aankopen van hun percelen niet aan mee zouden werken dat de betreffende gronden zouden worden ontwikkeld. [appellant sub 2] en anderen hebben gewezen op de verkoopbrochure voor hun woningen en op het gesprek met de wethouder dat zij in hun nadere stuk hebben weergeven, maar hieruit blijkt evenmin dat de gronden van het plangebied de eerste tien jaar niet zouden worden ontwikkeld. Voor zover [appellant sub 2] en anderen hebben gewezen op de plantoelichting bij het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk", overweegt de Afdeling dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De omstandigheid dat [appellant sub 2] en anderen een hogere grondprijs hebben betaald, maakt het voorgaande niet anders, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat zij tien jaar na het aankopen van hun percelen vrij uitzicht zouden hebben.

[appellant sub 2] en anderen konden, gelet op het voorgaande, niet de gerechtvaardigde verwachting hebben dat de gronden van het plangebied de eerste tien jaar na de aankoop van hun percelen niet zouden worden ontwikkeld. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd met het vertrouwensbeginsel is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Stedenbouwkundige aspecten

Stedenbouwkundig plan

9.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Zij betogen daartoe dat er geen stedenbouwkundig plan is opgesteld, terwijl er wel een stedenbouwkundig plan is opgesteld voor het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk".

9.1.    De raad stelt dat het betoog van [appellant sub 2] en anderen niet kan leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit gelet op het relativiteitsvereiste als vervat in artikel 8:69a van de Awb. Daartoe stelt de raad dat de stedenbouwkundige structuur voor de vierde fase van de woonwijk Dunningen niet in negatieve zin het woon- en leefklimaat van [appellant sub 2] en anderen beïnvloedt. Ter onderbouwing van dit standpunt wijst de raad op de annotatie van prof. mr. A.G.A. Nijmeijer bij de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442, in AB 2014/213.

9.2.    Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept".

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

9.3.    [appellant sub 2] en anderen beroepen zich op aspecten van de norm van een goede ruimtelijke ordening, als neergelegd in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro). Deze norm strekt niet alleen tot bescherming van de belangen van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen, maar ook tot bescherming van de belangen van diegene tot wiens directe leefomgeving het desbetreffende gebied kan worden gerekend. [appellant sub 2] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied en daarom kan niet worden geoordeeld dat de ingeroepen norm uit de Wro kennelijk niet strekt tot bescherming van hun belangen. Artikel 8:69a van de Awb staat derhalve niet aan een inhoudelijke bespreking in de weg. De Afdeling zal daarom hierna inhoudelijk op de beroepsgrond ingaan.

9.4.    In de zienswijzennota is vermeld dat voor de stedenbouwkundige aspecten van het plan nadrukkelijk aansluiting is gezocht bij de ruimtelijke structuur van het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk". Uit paragraaf 3.2 van de plantoelichting volgt dat de stedenbouwkundige uitgangspunten van dit plan bestaan uit het oostwaarts doortrekken van de straten vanuit de wijk Dunningen fase 3, een straat over de lengte van het plangebied en een groenstrook overeenkomstig de groenstrook in de wijk Dunningen fase 3. Deze stedenbouwkundige uitgangspunten zullen hierna aan de orde komen onder 10. en 11. De omstandigheid dat voor het plan geen  stedenbouwkundig plan is vastgesteld, maakt niet dat het plan reeds daarom in stedenbouwkundig opzicht onzorgvuldig is voorbereid.

Het betoog faalt.

Wegenstructuur

10.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet overeenstemt met de door de raad geformuleerde stedenbouwkundige uitgangspunten over de wegenstructuur. Zij voeren daartoe aan dat niet wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de straten vanuit de wijk Dunningen fase 3 oostwaarts worden doorgetrokken. Om de Oosterakker oostwaarts door te kunnen trekken, zou namelijk een weg moeten worden gerealiseerd op de gronden waaraan in het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" de bestemming "Groen" is toegekend. Daarnaast wordt volgens hen niet voldaan aan het uitgangspunt dat een straat over de noord-zuidlengte van het plangebied wordt gerealiseerd.

Verder voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat het plan niet overeenstemt met de stedenbouwkundige uitgangspunten van de eerdere fases van de woonwijk. Hiertoe betogen zij dat de parkeerplaatsen voor de levensloopbestendige woningen op de gronden met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" zijn voorzien, terwijl dit in strijd is met het stedenbouwkundige uitgangspunt afkomstig uit het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" dat een groot deel van de parkeerplaatsen op het eigen terrein komt te liggen. In de eerdere fases van de woonwijk gold ook het uitgangspunt dat alle woningen te bereiken zijn via de openbare weg, maar volgens [appellant sub 2] en anderen zijn acht woningen in het bestreden plan onbereikbaar.

10.1.    In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is vermeld dat de straten vanuit de Wijk Dunningen fase 3 oostwaarts worden doorgetrokken. Uit de stedenbouwkundige opzet die is opgenomen in deze paragraaf blijkt dat een weg aan de zuidelijke zijde van het plangebied wordt gerealiseerd die ten oosten aansluit op de Oosterakker. Hoewel in het bestemmingsplan "Dunningen 4e fase, de Wijk" de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is toegekend aan de gronden aan de zuidelijke zijde van het plangebied, kent het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" de bestemming "Groen" toe aan de gronden die ten oosten moeten aansluiten op de voorziene weg. Uit artikel 3, lid 3.1, onder a en b, van de planregels bij het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" volgt dat de voor "Groen" aangewezen gronden onder meer zijn bestemd voor groenvoorzieningen met daarbij behorende paden. Deze bestemming maakt geen wegen mogelijk. Gelet hierop kan de Oosterakker niet oostwaarts worden doorgetrokken zoals in het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk" is voorzien. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

10.2.    In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is verder vermeld dat het uitgangspunt is dat een straat over de lengte van het plangebied wordt gerealiseerd. De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" alleen is toegekend aan de gronden aan de noordoostelijke zijde van het plangebied en niet ook aan de gronden aan de zuidoostelijke zijde van het plangebied. Dit betekent dat geen straat over de lengte van het plangebied kan worden gerealiseerd. De raad heeft in zijn nadere stuk toegelicht dat hij naar aanleiding van overleg met omwonenden heeft besloten de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" niet langer toe te kennen aan de gronden aan de zuidoostelijke zijde van het plangebied. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat daarbij de opzet van de wijk, waarbij aan die zijde minder woningen zijn voorzien dan aan de noordoostelijke zijde, een rol heeft gespeeld. De Afdeling acht deze keuze niet onredelijk.

Het betoog faalt.

10.3.    Over het betoog dat wordt afgeweken van de stedenbouwkundige uitgangspunten van de eerdere fases van de woonwijk, overweegt de Afdeling als volgt. Hoewel in de eerdere fases van deze woonwijk de stedenbouwkundige uitgangspunten golden dat parkeerplaatsen op het eigen terrein moesten worden gerealiseerd en dat alle woningen te bereiken moesten zijn via de openbare weg, komen deze uitgangspunten in zijn algemeenheid niet terug in paragraaf 3.2 van de plantoelichting. Zo volgt uit deze paragraaf dat het parkeren bij de woningen aan de zuidelijke zijde van het plangebied op het eigen terrein geschiedt, maar dat dit niet geldt voor de rij- en levensloopbestendige woningen die aan de noordelijke zijde van het plangebied zullen worden gerealiseerd. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat er onvoldoende ruimte is om te voorzien in parkeerplaatsen op het eigen terrein van de rij- en levensloopbestendige woningen vanwege de aard van de bebouwing van deze woningen. Verder geldt er voor de woningen aan de zuidelijke zijde van het plangebied een nuancering op het uitgangspunt van de eerdere fases van de woonwijk Dunningen dat de woningen via de openbare weg bereikbaar zijn. In het verweerschrift van de raad is hierover vermeld dat privaatrechtelijk wordt geregeld dat deze woningen bereikbaar zullen zijn. Ter zitting heeft de raad verklaard dat er voor de ontsluiting van de bedoelde percelen een erfdienstbaarheid in de vorm van een recht van overpad zal worden gevestigd. De Afdeling ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in redelijkheid niet enigszins heeft mogen afwijken van de hiervoor genoemde stedenbouwkundige uitgangspunten van de eerdere fases van de woonwijk Dunningen.

Het betoog faalt.

Groenstructuur

11.    [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan ten onrechte niet overeenstemt met het door de raad geformuleerde uitgangspunt over de groenstructuur. [appellant sub 1] betoogt daartoe dat de bestemming "Wonen" niet had moeten worden toegekend aan de gronden aan de noordelijke zijde van het plangebied, omdat uit de plantoelichting en de zienswijzennota volgt dat ter plaatse een groenstrook zou worden gerealiseerd. Het niet realiseren van een groenstrook ter plaatse heeft de aantasting van zijn privacy tot gevolg. Daarnaast betogen [appellant sub 2] en anderen dat de bestemming "Groen" had moeten worden toegekend aan de gronden aan de oostelijke zijde van het plangebied, zodat een geleidelijke overgang ontstaat naar het omliggende landelijke gebied.

[appellant sub 2] en anderen betogen verder dat met het plan afbreuk wordt gedaan aan de in het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" opgenomen groene wigstructuur. Zij betogen daartoe dat de Oosterakker niet oostwaarts kan worden doorgetrokken in het bestreden plan. Zij voeren verder aan dat afbreuk wordt gedaan aan de wigstructuur uit het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk", nu de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" is toegekend aan de gronden van het plangebied waar de wigstructuur moet worden gerealiseerd, terwijl deze bestemming in de planregels niet voldoende is gespecificeerd. De gronden met deze bestemming kunnen daarom volledig worden ingericht als parkeervoorziening in plaats van als groenvoorziening.

11.1.    In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is vermeld dat een van de drie stedenbouwkundige uitgangspunten is dat een groenstrook overeenkomstig de groenstrook in de wijk Dunningen fase 3 wordt gerealiseerd. Hierover is in de zienswijzennota vermeld dat deze woonwijk wordt gekenmerkt door groene wiggen, zodat een zichtrelatie naar het omliggende buitengebied ontstaat. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze wigstructuur bestaat uit wegen waarlangs groenstroken zijn gelegen. In de zienswijzennota staat verder dat de west-oost wig op de Kokkerije is doorgetrokken en verruimd. Zo wordt het zicht op het buitengebied ten oosten van het plangebied nadrukkelijk de wijk ingehaald. Ook heeft de noord-zuid wig aan de westelijke zijde van het plangebied een zo breed mogelijke maat gekregen. Een ondergeschikte groene verbinding is de west-oost wig op de Oosterakker, die dezelfde opzet en invulling heeft gekregen als in het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk", aldus de zienswijzennota.

11.2.    Zoals hiervoor onder 10.1. is overwogen, kan de Oosterakker niet oostwaarts in het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk" worden doorgetrokken. Dit betekent dat ook de west-oost wig ter plaatse van de Oosterakker niet kan worden gerealiseerd. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

11.3.    De Afdeling overweegt verder dat ter realisatie van de noord-zuid wig aan de gronden aan de westelijke zijde van het plangebied de bestemming "Groen" is toegekend. Net zoals in het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" is de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend aan de gronden waar de west-oost wig ter plaatse van de Kokkerije wordt gerealiseerd. Hoewel [appellant sub 2] en anderen betogen dat de gronden met deze bestemming volledig kunnen worden ingericht als parkeervoorziening, volgt uit artikel 5, lid 5.1, onder c, e en g, van de planregels dat deze gronden ook zijn bestemd voor sloten, bermen, beplanting, groenvoorzieningen en bebossing. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de wegenstructuur zal worden gecombineerd met groen. Naar het oordeel van de Afdeling is, gelet op de parkeerbehoefte waarop onder 15. zal worden ingegaan en op de afbeelding in paragraaf 3.1 van de plantoelichting, niet aannemelijk dat er geen ruimte is voor groen ter plaatse van de gronden van het plangebied met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied".

Voor zover [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben aangevoerd dat aan de gronden aan de noordelijke en oostelijke zijde van het plangebied de bestemming "Groen" had moeten worden toegekend, overweegt de Afdeling dat deze gronden volgens de zienswijzennota niet behoren tot de wiggen.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan verder past binnen het stedenbouwkundige uitgangspunt dat een groenstrook wordt gerealiseerd overeenkomstig de groenstrook in de wijk Dunningen fase 3.

Het betoog faalt.

Stedenbouwkundige opzet

12.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat met het plan de huidige stedenbouwkundige opzet van de woonwijk wordt aangetast. Daartoe betogen zij dat de rijwoningen niet passend zijn bij de rest van de woonwijk. Daarnaast voeren zij aan dat de wegenstructuur van het bestreden plan afbreuk doet aan de wegenstructuur van de eerdere fases, omdat is gekozen voor rechte lijnen in plaats van krommingen.

12.1.    [appellant sub 2] en anderen hebben naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk gemaakt dat de rijwoningen die het plan mogelijk maakt niet passen bij de bestaande woningen in de woonwijk. Daarbij betrekt de Afdeling dat in paragraaf 3.2 van de plantoelichting is vermeld dat het bestreden plan voorziet in rijwoningen die aansluiten op de rijwoningen aan de Kokkerije die met het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" zijn gerealiseerd.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ontwikkeling van de gronden van het plangebied past binnen de bestaande stedenbouwkundige opzet van de woonwijk. Dat in het bestreden plan voor wegen is gekozen die, anders dan elders in de wijk, geen kromming vertonen, leidt niet tot het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen.

Het betoog faalt.

Bebouwingsopzet

13.    [appellant sub 2] en anderen betogen dat de bebouwingsopzet van de voorziene woningen ten onrechte afwijkt van de bebouwingsopzet die gold voor de woningen die zijn gerealiseerd in de eerdere fases van de woonwijk. In de eerdere fases is gekozen voor een ruime opzet waarbij de afstanden van de voorgevels tot de perceelgrenzen soms meer dan 5 m bedroegen, terwijl in het bestreden plan de afstanden tot de perceelgrenzen kleiner zijn en verder kunnen worden beperkt. Daarnaast voeren zij aan dat het bestreden plan ten opzichte van de plannen voor de eerdere fases van de woonwijk ten onrechte voorziet in de mogelijkheid om hogere schuttingen te plaatsen. Hierdoor zal hun uitzicht naar het buitengebied worden aangetast.

13.1.    In de planregels zijn de afstanden van de voorgevels van de woningen tot de perceelgrenzen neergelegd. Op grond van artikel 6, lid 6.2.1, aanhef en onder h, van de planregels zal de afstand van een vrijstaande woning, dan wel de niet aangebouwde zijde van een aaneen gebouwde woning, tot de perceelgrens ten minste 3 m bedragen. Op grond van artikel 6, lid 6.4, aanhef en onder b, van de planregels kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken en worden toegestaan dat de afstand van een gebouw tot de perceelgrens wordt verkleind.

Verder zijn de bouwhoogten voor overige bouwwerken, zoals schuttingen, in de planregels neergelegd. Op grond van artikel 4, lid 4.2.2, onder a en b, van de planregels dat hoort bij de bestemming "Tuin" mag de bouwhoogte van een overig bouwwerk niet meer dan 1 m bedragen indien het overige bouwwerk voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht en in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen. Op grond van artikel 6, lid 6.2.3, onder a, van de planregels dat hoort bij de bestemming "Wonen" mag de bouwhoogte van een overig bouwwerk niet meer dan 1 m bedragen indien het overig bouwwerk voor de voorgevel van het woonhuis en in het verlengde daarvan wordt gebouwd en in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen.

13.2.    Bij de vaststelling van het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk" diende de raad opnieuw een afweging te maken omtrent de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de afstanden tussen de woningen en de perceelgrenzen en de toegestane bouwhoogten. In hetgeen [appellant sub 2] en anderen naar voren hebben gebracht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad een afstand van 3 m van een vrijstaande woning, dan wel de niet aangebouwde zijde van een aaneen gebouwde woning, tot de perceelgrens en een bouwhoogte van een overig bouwwerk van 1 of 2 m niet ruimtelijk aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij heeft de raad in redelijkheid kunnen laten meewegen dat dit gangbare afstanden dan wel bouwhoogten zijn voor een bebouwde omgeving als hier aan de orde.

Wat betreft het betoog dat het uitzicht naar het buitengebied aangetast wordt door de mogelijkheid om schuttingen te realiseren, overweegt de Afdeling dat door middel van de wegenstructuur en het daaraan grenzende groen doorzichten naar het buitengebied worden gerealiseerd.

Het betoog faalt.

Water

14.    [appellant sub 1] vreest dat het plan negatieve gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding in het plangebied en daarmee voor zijn perceel dat direct grenst aan dit gebied. Hij betoogt daartoe dat in het plan niet is geregeld dat conform het advies van het waterschap Drents Overijsselse Delta een wadi van 750 m² zal worden aangelegd. Er had daarom een voorwaardelijke verplichting in het plan moeten worden opgenomen, zodat de aanleg en de instandhouding van de wadi is geborgd.

14.1.    De Afdeling stelt vast dat aan de stroken grond die grenzen aan het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" en de strook grond ten westen van de levensloopbestendige woningen, die de raad wil gebruiken als wadi en extra waterberging, de bestemming "Groen" is toegekend. Op grond van de artikelen 3, lid 3.1, aanhef en onder a en f, en 1, lid 1.43, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Groen" bestemd voor groenvoorzieningen met daarbij horende water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals (infiltratie)vijvers en voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede waterberging.

Niet in geschil is dat de raad de inrichting en de instandhouding van de stroken grond aan de westelijke zijde van het plangebied en de strook grond ten westen van de levensloopbestendige woningen als wadi en extra waterberging noodzakelijk acht in het kader van een goede ruimtelijke ordening.

De raad heeft gesteld dat voor de realisering en instandhouding van de hiervoor genoemde stroken grond als wadi en extra waterberging in de anterieure overeenkomst als voorwaarde het bergen van voldoende water is opgenomen en dat het gemeentebestuur de gronden van het plangebied met de bestemming "Groen" heeft aangekocht of zal aankopen. Volgens vaste rechtspraak biedt een civielrechtelijke overeenkomst tussen de gemeente en de eigenaar van gronden waarop een voorziening moet worden gerealiseerd echter onvoldoende zekerheid dat de benodigde voorziening ook daadwerkelijk zal worden gerealiseerd (vergelijk de uitspraken van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3063, en van 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2517). De raad heeft weliswaar toegelicht dat de drie stroken grond met de bestemming "Groen" aan het gemeentebestuur zullen worden verkocht, maar niet kan worden uitgesloten dat deze gronden niet aan het gemeentebestuur zullen worden verkocht.

Als de raad de realisering van de genoemde voorziening noodzakelijk acht in het kader van een goede ruimtelijke ordening en het gemeentebestuur het niet zelf in zijn macht heeft de noodzakelijke maatregelen te treffen, zoals hier het geval is, en deze in stand te houden, is het daarvoor opnemen van een voorwaardelijke verplichting in de planregels nodig (vergelijk de uitspraak van 4 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3020). In de planregels zal een concrete verwijzing over de inrichting en de instandhouding van de stroken grond van het plangebied die grenzen aan het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" en de strook grond ten westen van de levensloopbestendige woningen met de bestemming "Groen" moeten worden opgenomen. Dat is hier ten onrechte niet gebeurd. Gelet hierop wordt in het plan niet geregeld wat de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Het besluit is in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid en is op dit punt in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

Het betoog slaagt.

Parkeren en verkeer

15.    [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat er te weinig ruimte is om voldoende parkeerplaatsen te realiseren ter plaatse van de gronden op de noordelijke zijde van het plangebied met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" waar de rij- en levensloopbestendige woningen zijn voorzien. Doordat er te weinig ruimte is en de verkeersstromen als gevolg van het plan zullen toenemen, zal de verkeersveiligheid in het geding komen. Daarnaast vrezen [appellant sub 2] en anderen dat de gronden met de bestemming "Groen" zullen worden ingericht als parkeervoorziening voor de vrijstaande woningen, omdat er binnen de andere bestemmingen niet genoeg ruimte is om voldoende parkeerplaatsen te kunnen realiseren.

15.1.    Uit paragraaf 5.1.9.1 van de plantoelichting volgt dat voor de berekening van de parkeerbehoefte is aangesloten bij de normen in de publicatie nr. 317 van het CROW "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie". Daarbij is ervan uitgegaan dat het plangebied in een "niet stedelijk" gebied en in de stedelijke zone "rest bebouwde kom" ligt, wat niet is betwist.

15.2.    Over de levensloopbestendige en rijwoningen volgt uit de berekening in paragraaf 5.1.9.2 van de plantoelichting dat er in totaal een parkeerbehoefte van 24 parkeerplaatsen bestaat. Deze parkeerplaatsen zullen worden gerealiseerd op de gronden op de noordelijke zijde van het plangebied met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied". Naar het oordeel van de Afdeling bieden deze gronden voldoende ruimte voor 24 parkeerplaatsen.

Wat betreft het betoog over de verkeersveiligheid ter plaatse van de levensloopbestendige en rijwoningen, overweegt de Afdeling als volgt. Uit paragraaf 5.1.9.3 van de plantoelichting volgt dat de voorziene ontwikkeling een totale verkeersgeneratie van 171 vervoersbewegingen per weekdagetmaal oplevert en dat dit geen onevenredige verkeersdruk met zich brengt. De omliggende wegen kunnen deze verkeerstoename volgens de plantoelichting verwerken. De raad heeft verder van belang kunnen achten dat de gronden op de noordelijke zijde van het plangebied met de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" vooral door bestemmingsverkeer zullen worden gebruikt. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot verkeersonveilige situaties.

15.3.    Over de vrijstaande woningen is in paragraaf 5.1.9.1 van de plantoelichting vermeld dat er tien vrijstaande woningen worden gerealiseerd en dat elke woning een parkeerbehoefte heeft van 2,3 parkeerplaatsen. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting staat dat het parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden. De Afdeling stelt vast dat de bestemming "Tuin" grenst aan de gronden waar de vrijstaande woningen zijn voorzien. Op grond van artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden bestemd voor parkeerplaatsen en inritten. Naar het oordeel van de Afdeling bieden de gronden met de bestemming "Tuin" die grenzen aan de gronden waar de vrijstaande woningen zijn voorzien voldoende ruimte voor het realiseren van de benodigde parkeerplaatsen. Ter zitting heeft de raad verklaard dat de gronden met de bestemming "Groen" dan ook niet als parkeervoorziening zullen worden ingericht. Gelet hierop is de vrees van [appellant sub 2] en anderen dat de gronden met de bestemming "Groen" zullen worden ingericht als parkeervoorziening voor de vrijstaande woningen nu er binnen de andere bestemmingen onvoldoende ruimte is om voldoende parkeerplaatsen te kunnen realiseren ongegrond.

Het betoog faalt.

Conclusie

16.    Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 20 weken na verzending van deze tussenuitspraak alsnog:

- met inachtneming van wat is overwogen onder 10.1. en 11.2, te waarborgen dat de Oosterakker oostwaarts kan worden doorgetrokken in het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk";

- met inachtneming van wat is overwogen onder 14.1., een voorwaardelijke verplichting in de planregels op te nemen waarmee wordt geregeld dat de gronden van het plangebied die grenzen aan het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk" met de bestemming "Groen" en de strook grond ten westen van de levensloopbestendige woningen met de bestemming "Groen" als wadi en extra waterberging worden ingericht en in stand worden gehouden.

De raad dient de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

Proceskosten

17.     In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente de Wolden op:

- om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak, met inachtneming van wat is overwogen onder 16., de daar omschreven gebreken in het besluit van de raad van de gemeente De Wolden van 28 februari 2019 tot vaststelling van het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk" te herstellen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

w.g. Daalder    w.g. Lap

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2020

288-926.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:2

"Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen."

Artikel 3:46

"Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering."

Artikel 8:45

"1. De bestuursrechter kan partijen en anderen verzoeken binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden."

Artikel 8:51d

"Indien de bestuursrechter in hoogste aanleg uitspraak doet, kan hij het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. De artikelen 8:51a, eerste lid, tweede volzin, en tweede lid, 8:51b, tweede en derde lid, en 8:51c, aanhef en onderdelen b tot en met d, zijn van toepassing."

Artikel 8:69a

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 3.1

"1. De gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in het plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven. Deze regels betreffen in elk geval regels omtrent het gebruik van de grond en van de zich daar bevindende bouwwerken. Deze regels kunnen tevens strekken ten behoeve van de uitvoerbaarheid van in het plan opgenomen bestemmingen, met dien verstande dat deze regels ten aanzien van woningbouwcategorieën uitsluitend betrekking hebben op percentages gerelateerd aan het plangebied."

Planregels behorend bij het plan "Dunningen 3e fase, de Wijk"

Artikel 3 Groen

"3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

met daarbij behorende:

b. paden;"

Planregels behorend bij het plan "Dunningen 4e fase, de Wijk"

Artikel 1 Begrippen

"In deze regels wordt verstaan onder:

[…]

1.43 water en waterhuishoudkundige voorzieningen

al het oppervlaktewater zoals sloten, greppels, (infiltratie)vrijvers, kanalen, beken en andere waterlopen, ook als deze incidenteel of structureel droogvallen. Alsmede voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie, en waterkwaliteit;

[…]."

Artikel 3 Groen

"3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen

met daarbij behorende:

[…]

f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

[…]."

Artikel 4 Tuin

"4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

f. voorzieningen, parkeerplaatsen en inritten daaronder begrepen.

[…]

4.2.2 Overige bouwwerken

Voor het bouwen van overige bouwwerken gelden de volgende regels:

a. indien het overig bouwwerk voor de voorgevel of een naar de weg gekeerde zijgevel van het hoofdgebouw of het verlengde daarvan wordt opgericht, mag de bouwhoogte niet meer dan 1 m bedragen;

b. in overige gevallen mag de bouwhoogte niet meer dan 2 m bedragen."

Artikel 5 Verkeer - Verblijfsgebied

"5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen gronden zijn bestemd voor:

[…]

c. sloten, bermen en beplanting;

[…]

e. groenvoorzieningen;

[…]

g. bebossing;

[…]"

Artikel 6 Wonen

"6.2.1 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

[…]

b. het aantal woningen bedraagt niet meer dan 22;

[…]

h. de afstand van een vrijstaande woning, dan wel de niet aangebouwde zijde van een aaneen gebouwd woning tot de perceelgrens zal ten minste 3 m bedragen.

[….]

6.2.3 Overige bouwwerken

a. indien de overige bouwwerken zijnde vóór de voorgevel van het woonhuis en het verlengde daarvan worden gebouwd bedraagt de bouwhoogte maximaal 1 m, in overige gevallen 2 m;

[…]

6.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

- het bebouwingsbeeld;

- de woonsituatie;

- de verkeersveiligheid;

- de sociale veiligheid;

- de milieusituatie;

- de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;

- de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;

bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

[…]

b. lid 6.2.1, sub h en toestaan dat de afstand van een gebouw tot de perceelgrens wordt verkleind;

[…]"