Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1765

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
201902744/1/R3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:806, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Opsterland geweigerd aan Vermilion omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een mijnbouwlocatie voor het uitvoeren van een proefboring op een perceel nabij De Ripen 19 te Nij Beets. Vermilion wil een proefboring op het perceel uitvoeren om zo de mogelijke aanwezigheid van gas vast te stellen. Vermilion heeft het college verzocht een omgevingsvergunning te verlenen voor het ontwikkelen van de locatie ten behoeve van het uitvoeren van een exploratieboring. De aanvraag omvat het bouwen van twee in het maaiveld verzonken betonnen boorkelders, twee betonnen boorfundaties, een hemelwaterput en een hek en het aanleggen van een toegangsweg. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het gebruiken van de gronden voor het uitvoeren van een proefboring in strijd is met het bestemmingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/412
ABkort 2020/335
M en R 2020/83 met annotatie van J.H.G. van den Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902744/1/R3.

Datum uitspraak: 22 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    Vermilion Energy Netherlands B.V., gevestigd te Amsterdam,

2.    [appellant sub 2], wonend te Nij Beets, gemeente Opsterland,

3.    het college van burgemeester en wethouders van Opsterland,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2019 in zaak nr. 17/3226 in het geding tussen:

Vermilion

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2016 heeft het college geweigerd aan Vermilion omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van een mijnbouwlocatie voor het uitvoeren van een proefboring op een perceel nabij De Ripen 19 te Nij Beets.

Bij besluit van 18 juli 2017 heeft het college het door Vermilion daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 februari 2019 heeft de rechtbank het door Vermilion daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2017 vernietigd en het besluit van 13 september 2016 herroepen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben Vermilion en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[belanghebbenden], [appellant sub 2] en Stichting Tsjingas hebben een schriftelijke uiteenzetting op het hoger beroep van Vermilion gegeven.

Vermilion heeft een schriftelijke uiteenzetting op het hoger beroep van [appellant sub 2] gegeven.

De minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de minister) en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting op het hoger beroep van Vermilion en [appellant sub 2] gegeven.

Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

[belanghebbenden], [appellant sub 2], de Stichting, Vermilion en de minister hebben een zienswijze op het incidenteel hoger beroep ingediend.

Het college, [belanghebbenden], Vermilion, [appellant sub 2] en de Stichting hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2020, waar Vermilion, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. R. Olivier, advocaat te Den Haag, vergezeld door [gemachtigde], [appellant sub 2], en het college, vertegenwoordigd door mr. W. Zwier, advocaat te Breda, zijn verschenen. Op de zitting zijn ook de minister, vertegenwoordigd door mr. J.H. Keinemans en M. Pieters, Stichting Tsjingas, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en [appellant sub 2], [belanghebbenden], vertegenwoordigd door mr. J.T.F. van Berkel, rechtsbijstandverlener te Apeldoorn, en [belanghebbenden], gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Studies naar bodem-opbouw in het verleden hebben aangetoond dat in de diepe ondergrond van het perceel een aardgasveld aanwezig kan zijn. Vermilion wil een proefboring op het perceel uitvoeren om zo de mogelijke aanwezigheid van gas vast te stellen. De minister heeft in 2013 aan Vermilion een opsporingsvergunning verleend voor koolwaterstoffen in het gebied Akkrum, waar het perceel deel van uitmaakt.

2.    Vermilion heeft het college verzocht een omgevingsvergunning te verlenen voor het ontwikkelen van de locatie ten behoeve van het uitvoeren van een exploratieboring. De aanvraag omvat het bouwen van twee in het maaiveld verzonken betonnen boorkelders, twee betonnen boorfundaties, een hemelwaterput en een hek en het aanleggen van een toegangsweg.

Het college heeft geweigerd de gevraagde vergunning te verlenen. Het heeft zich in het besluit op bezwaar primair op het standpunt gesteld dat het gebruiken van de gronden voor het uitvoeren van een proefboring in strijd is met de ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende agrarische bestemming en dat het in dit geval niet bevoegd is om gebruik te maken van de mogelijkheid die het bestemmingsplan in artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels biedt om van het bestemmingsplan af te wijken. Het heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat, indien het wel bevoegd zou zijn om van het bestemmingsplan af te wijken met toepassing van artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels, het niet van die bevoegdheid gebruik wil maken.

Relevante regelgeving

3.    De wettelijke bepalingen en relevante planregels van het bestemmingsplan die ten grondslag liggen aan de hierna volgende overwegingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft vastgesteld dat artikel 2.5 van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) op 1 mei 2017 is gewijzigd. De rechtbank is op basis van de nota van toelichting over deze wijziging (Stb. 2017, 114) tot het oordeel gekomen dat vanaf 1 mei 2017 niet langer het college, maar de minister bevoegd is om te beslissen op het bezwaar van Vermilion. De rechtbank heeft daarbij, zo begrijpt de Afdeling de aangevallen uitspraak, betrokken dat vanaf 1 mei 2017 op grond van artikel 2.5, aanhef en onder a, van het Bor, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is vereist voor het aanleggen van een boorgat. De minister is volgens de rechtbank bevoegd om op de aanvraag om verlening van een omgevingsvergunning te beslissen. Uitgangspunt in de Wabo is dat er één bevoegd orgaan is dat beslist op alle onderdelen van een project. Hiervan uitgaande, is de minister vanaf 1 mei 2017, naast het beslissen op een aanvraag om het aanleggen van een boorgat, daarom ook bevoegd te beslissen op de andere onderdelen van het project, zoals, in dit geval, het inrichten van de boorlocatie. Het voorgaande betekent, aldus de rechtbank, dat op het moment dat het college op 18 juli 2017 het besluit op bezwaar nam, het daartoe niet langer bevoegd was. Aangezien er sprake is van een onbevoegd genomen besluit door het college, is het beroep van Vermilion gegrond en heeft de rechtbank het besluit op bezwaar vernietigd.

De rechtbank heeft verder overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het niet bevoegd is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen. Het college had hiermee niet kunnen volstaan, maar had moeten onderzoeken of de vergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚ of 3˚, van de Wabo had kunnen worden verleend. Volgens de rechtbank kan de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wabo worden verleend. Er kan dus uitsluitend een omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo. Op de voorbereiding van zo'n besluit is ingevolge artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing. Deze procedure is in dit geval ten onrechte niet gevolgd, aldus de rechtbank. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit van 13 september 2016 herroepen wegens strijd met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Gelet op de wijziging van artikel 2.5 van het Bor zal de minister met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure, waarbij onder meer advies aan de gemeente Opsterland zal moeten worden gevraagd, een nieuw besluit op de aanvraag moeten nemen, aldus de rechtbank.

Beoordeling van het incidenteel hoger beroep van het college

5.    Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet het college, maar de minister bevoegd was om te beslissen op het bezwaar van Vermilion. Het voert daarover aan dat Vermilion geen aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo heeft ingediend, waarop de minister zou moeten beslissen, zodat niet valt in te zien waarom de minister bevoegd zou zijn te beslissen op het bezwaar van Vermilion. Het college voert verder aan dat die bevoegdheid ook niet kan worden gebaseerd op artikel 2.7 van de Wabo, aangezien er geen sprake is van onlosmakelijk samenhangende activiteiten. Het college voert verder aan dat de minister geen kennisgeving als bedoeld in artikel 3.5 van het Bor naar hem heeft gezonden.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is in het stelsel van de Wabo geen plaats voor een beslissing over een omgevingsvergunning anders dan op grond van een daartoe strekkende aanvraag. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:60, en 18 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2206. Uitgangspunt van de Wabo is dat het, behoudens de situatie als bedoeld in artikel 2.7 van die wet, de aanvrager is die bepaalt voor welke activiteiten hij een aanvraag indient en dus wat de omvang van het project is (Kamerstukken II, 2006-07, 30 844, nr. 3, blz. 37). ).

In artikel 2.4, eerste lid, van de Wabo is geregeld dat de hoofdregel is dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning. Als uitzondering op die hoofdregel worden in het tweede tot en met vijfde lid van dat artikel andere bestuursorganen als bevoegd gezag aangewezen. Eén van die uitzonderingen zijn de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen projecten die van nationaal belang worden geacht, zoals de in artikel 3.3, vierde lid, van het Bor bedoelde mijnbouwwerken. Dan is de minister bevoegd.

5.2.    Vermilion heeft een aanvraag ingediend voor het bouwen van twee in het maaiveld verzonken betonnen boorkelders, twee betonnen boorfundaties, een hemelwaterput en een hek en het aanleggen van een toegangsweg. Dit is daarmee de omvang van het project, waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd. Er bestaat, gelet op hetgeen is aangevraagd, geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel van de Wabo dat het college bevoegd is te beslissen op die aanvraag. De in artikel 2.4, tweede tot en met vijfde lid bedoelde gevallen doen zich hier niet voor. Dat sinds de wijziging van artikel 2.5 van het Bor op 1 mei 2017 voor het aanleggen van een boorgat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo is vereist en de minister op grond van artikel 3.3, vierde lid, van het Bor bevoegd is op een aanvraag om verlening van zo'n vergunning te beslissen, maakt dit niet anders. Vermilion heeft, zoals het college terecht aanvoert, geen aanvraag ingediend om verlening van een omgevingsvergunning voor een project als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De activiteiten waarop de ingediende aanvraag ziet, hangen ook niet onlosmakelijk in de zin van artikel 2.7 van de Wabo samen met het aanleggen van een boorgat, zoals het college ook terecht aanvoert. Het college was daarom, daargelaten of dit in de bezwaarfase mogelijk is, niet gehouden Vermilion te verzoeken haar aanvraag aan te vullen waarna de minister in deze procedure het bevoegd gezag zou zijn geworden.

Dit betekent dat het college ook na 1 mei 2017 het bevoegd gezag was. Het college was daarom bevoegd om op het bezwaar van Vermilion te beslissen. Dit heeft de rechtbank niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Beoordeling van het hoger beroep van Vermilion

6.    Vermilion betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet bevoegd was om op grond van artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels van het bestemmingsplan af te wijken. Zij voert daarover aan dat dit artikel het mogelijk maakt dat het college voor het uitvoeren van een exploratieboring van het bestemmingsplan afwijkt. Volgens Vermilion valt haar aanvraag binnen de reikwijdte van artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels, aangezien de gronden en bouwwerken ter plaatse voor dat doel zullen worden gebruikt.

6.1.    Niet in geschil is dat het uitvoeren van een proefboring in strijd is met artikel 3.1 van de planregels van het bestemmingsplan, dat aan het perceel een agrarische bestemming toekent. Het bestemmingsplan geeft het college de bevoegdheid om met toepassing van artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels een omgevingsvergunning te verlenen voor tijdelijke exploratieboringen.

6.2.    In het aan de aanvraag ten grondslag gelegde rapport 'Mijnbouwlocatie Oosterboorn 1, Ruimtelijke motivering' van Royal HaskoningDHV van 8 juni 2016 een is in hoofdstuk 4 beschreven welke werkzaamheden ten behoeve van de door Vermilion uit te voeren exploratieboring zullen worden verricht. De Afdeling merkt op dat de in dit rapport beschreven werkzaamheden ruimer zijn dan het project, waarop de ingediende aanvraag om een omgevingsvergunning ziet. De belangrijkste werkzaamheden zijn volgens het rapport het geschikt maken van de locatie door onder andere de boorkelders aan te brengen en de terreinverharding aan te leggen, het aanvoeren van materieel, materiaal en personeelsverblijven, het opbouwen van de boortoren, het uitvoeren van de booractiviteiten, het testen van het aanwezige gas, het afbreken en afvoeren van de boortoren en het afvoeren van afvalstoffen, materieel, materiaal en personeelsverblijven.

De aanleg van de locatie zal ongeveer drie maanden duren. De duur van de boring beloopt minimaal één maand en maximaal twee maanden. Het testen van het gas kan enkele dagen duren.

Na het uitvoeren van de boring wordt de boortoren afgebroken en, net zoals het aanwezige materiaal en materieel afgevoerd. Mocht de boring succesvol zijn, dan blijft op de locatie een vloeistofkerende verharding achter, met daarop de afsluiter van de put. Vervolgens wordt een afzonderlijke procedure gestart om gaswinning ter plaatse mogelijk te maken. Mocht de boring niet succesvol zijn, zal worden bezien of de locatie geschikt is voor andere doeleinden, zoals warmtewinning. Indien de locatie niet voor andere doelen kan worden gebruikt, wordt de locatie opgeruimd en blijft er in het landschap niets zichtbaars achter, aldus het rapport.

6.3.    Naar het oordeel van de Afdeling kan de boring die Vermilion in de toekomst op het perceel wil uitvoeren, worden aangemerkt als een exploratieboring als bedoeld in artikel 3.6 , aanhef en onder k, van de planregels. De activiteiten, waarop de aangevraagde omgevingsvergunning ziet, worden ten behoeve van deze exploratieboring aangewend. De aanvraag valt daarom binnen de reikwijdte van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels. Dat in het rapport van 8 juni 2016 is aangegeven dat, indien geen economisch winbare hoeveelheid gas wordt gevonden, zal worden bezien of de locatie geschikt is voor andere doelen, zoals warmtewinning, doet hieraan niet af. Als de locatie geschikt blijkt voor warmtewinning, zal een aanvraag om omgevingsvergunning moeten worden ingediend om de gronden en werken daarvoor te mogen gebruiken. Vermilion heeft dat ter zitting ook bevestigd. Dat Vermilion op het aanvraagformulier heeft aangevinkt dat geen sprake is van tijdelijke bouwwerken en tijdelijk gebruik, leidt evenmin tot een ander oordeel. Of sprake is van een exploratieboring als bedoeld in artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels moet worden beoordeeld aan de hand van de activiteiten waarop de aangevraagde omgevingsvergunning ziet.

Het betoog slaagt.

Beoordeling van het hoger beroep van [appellant sub 2]

7.    [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Vermilion geen belang heeft bij een nieuw besluit op haar aanvraag. Zij voert daarover aan dat de termijnen die zijn opgenomen in artikel 66a van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (hierna: het Barmm) zijn verstreken en Vermilion de aangevraagde proefboring dus niet meer kan uitvoeren. [appellant sub 2] voert verder aan dat de opsporingsvergunning voor koolwaterstoffen in het gebied Akkrum die in 2013 aan Vermilion is verleend niet meer geldig is, zodat zij om die reden ook geen proefboring op het perceel meer kan uitvoeren.

7.1.    De Afdeling is, anders dan Vermilion betoogt, van oordeel dat, gelet op het verhandelde ter zitting en de door [appellant sub 2] overgelegde foto's, [appellant sub 2] in ieder geval zicht heeft op de locatie zodat zij belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht is.

De Afdeling ziet bovendien, anders dan Vermilion betoogt, ook geen grond voor het oordeel dat [appellant sub 2] geen belang heeft bij een beoordeling van haar hoger beroep.

7.2.    Het betoog van [appellant sub 2] dat Vermilion in verband met de verstreken termijnen van artikel 66a van het Barmm geen belang heeft bij een nieuw besluit, volgt de Afdeling niet.

De overgangsregeling in artikel 66a van het Barmm komt erop neer dat de activiteiten die onder het bereik van het Barmm vallen tot tien maanden na de inwerkingtreding van het Besluit van 6 maart 2017 kunnen worden gemeld overeenkomstig de oude regeling. Onder de oude regeling gemelde boringen kunnen tot twaalf maanden na de inwerkingtreding van het Besluit worden gestart en tot achttien maanden na de inwerkingtreding van het Besluit worden voortgezet.

Dat Vermilion niet binnen tien maanden na de inwerkingtreding van het Besluit een melding heeft gedaan, betekent slechts dat zij, om de proefboring te kunnen uitvoeren, een aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo moet indienen. Vermilion moet die aanvraag ook indienen, indien zij een gemelde boring niet binnen twaalf maanden zou hebben gestart of binnen achttien maanden zou hebben afgerond. De overgangsregeling brengt, anders dan [appellant sub 2] aanvoert, niet met zich dat bij overschrijding van de genoemde termijnen de proefboring niet meer kan worden uitgevoerd.

7.3.    Het betoog van [appellant sub 2] dat Vermilion geen belang meer heeft, omdat haar opsporingsvergunning niet meer geldig is, volgt de Afdeling ook niet.

Vermilion heeft een aanvraag ingediend om een winningsvergunning, als bedoeld in artikel 10, eerste lid, van de Mijnbouwwet. Dat is niet in geschil. Uit het derde lid van dat artikel volgt dat, indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, de opsporingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het aangevraagde gebied, tenminste blijft gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Dat, naar [appellant sub 2] stelt, de winningsvergunning niet zal worden verleend, doet er niet af aan dat de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning met het indienen van de aanvraag om een winningsvergunning is verlengd.

Conclusie

8.    De hoger beroepen van Vermilion en het college zijn gegrond. Wat zij voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

De rechtbank heeft het beroep van Vermilion niet inhoudelijk beoordeeld. De Afdeling zal de zaak daarom naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van wat hiervoor is overwogen.

9.    Uit wat hiervoor over de hoger beroepen is overwogen, volgt dat het college bevoegd is te beslissen op het bezwaar van Vermilion. Verder volgt daaruit dat de aanvraag binnen de reikwijdte van artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels valt. De rechtbank zal, aan de hand van de door Vermilion aangedragen beroepsgronden tegen het besluit op bezwaar moeten beoordelen of het college met dat besluit in redelijkheid heeft kunnen weigeren op grond van artikel 3.6, aanhef en onder k, van de planregels van het bestemmingsplan af te wijken.

10.    De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de hoger beroepen van Vermilion Energy Netherlands B.V. en het college van burgemeester en wethouders van Opsterland gegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 28 februari 2019 in zaak nr. 17/3226;

IV.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

V.    stelt de door Vermilion Energy Netherlands B.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten;

VI.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Opsterland aan Vermilion Energy Netherlands B.V. het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 519,00 (zegge: vijfhonderdnegentien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2020

473.

 

BIJLAGE

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

[…];

e.   1°het oprichten,

2° het veranderen of veranderen van de werking of

3°het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk;

[…].

Artikel 2.2, eerste lid, onder e

Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

Artikel 2.4

1. Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning, behoudens in gevallen als bedoeld in het tweede tot en met vijfde lid.

[…];

3. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat Onze daarbij aangewezen Minister op de aanvraag beslist ten aanzien van projecten die behoren tot een bij de maatregel aangewezen categorie projecten die van nationaal belang zijn. Bij de maatregel kan worden bepaald dat de aanwijzing slechts geldt in daarbij aangewezen categorieën gevallen.

[…].

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien

[…];

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

[…].

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1° met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2° in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3° in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

[…].

Besluit omgevingsrecht

Artikel 2.5, zoals dat luidt vanaf 1 mei 2017

In afwijking van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet is geen omgevingsvergunning vereist met betrekking tot mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw, met uitzondering van installaties:

a. waarmee een boorgat wordt aangelegd, gewijzigd of uitgebreid of

b. die zijn geplaatst bij of verbonden met een voor winning bestemd mijnbouwwerk.

Artikel 3.3

[…].

4. Onze Minister van Economische Zaken is bevoegd te beslissen op een aanvraag die betrekking heeft op:

a. een inrichting die in hoofdzaak een mijnbouwwerk is, en

b. mijnbouwwerken, niet zijnde inrichtingen.

Mijnbouwwet

Artikel 10

1. Onverminderd de artikelen 7 en 8 wordt de houder van een opsporingsvergunning die met gebruikmaking van die vergunning de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen heeft aangetoond, op zijn aanvraag, ingediend gedurende de geldingsduur van die vergunning, een winningsvergunning voor die delfstoffen verleend voor het gebied waarvoor de opsporingsvergunning geldt. Indien de opsporingsvergunning geldt voor een gebied dat niet overeenkomstig artikel 11, vijfde lid, is begrensd en de aanwezigheid van de betrokken delfstoffen slechts in een deel van het gebied is aangetoond, wordt de winningsvergunning verleend voor het deel van het gebied, waarvoor verlening uit geologisch oogpunt gerechtvaardigd is.

[…].

3.

Indien een aanvraag als bedoeld in het eerste lid is ingediend, blijft de opsporingsvergunning, voor zover deze betrekking heeft op het aangevraagde gebied, tenminste gelden tot het tijdstip waarop de beschikking waarbij op de aanvraag wordt beslist onherroepelijk wordt. Indien een winningsvergunning wordt verleend, vervalt op het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk wordt, voor het gebied waarvoor de winningsvergunning geldt, de opsporingsvergunning voor de betrokken delfstoffen. Voor zover hierdoor voorschriften als bedoeld in artikel 12 vervallen die nog niet zijn uitgewerkt, gaan zij gelden als voorschriften die zijn verbonden aan de winningsvergunning.

Besluit algemene regels milieu mijnbouw

Artikel 66a

1. Een melding die is gedaan in de periode tussen de bekendmaking van het Besluit van 6 maart 2017, houdende wijziging van het Besluit omgevingsrecht, het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw (Staatsblad 2017, 114) tot tien maanden na de inwerkingtreding van dat besluit, geldt in afwijking van artikel 2.5 van het Besluit omgevingsrecht, de Bijlage, onderdeel D, categorie 17.2, kolom 4, bij het Besluit milieueffectrapportage en de artikelen 5, onderdeel a, onder 1°, 7, zesde lid, 8, zesde lid, en 8a, van dit besluit als een melding als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid, aanhef, en 8, eerste lid, aanhef, van het Besluit algemene regels milieu mijnbouw met toepassing van het Besluit omgevingsrecht, het Besluit milieueffectrapportage en het Besluit algemene regels milieu mijnbouw zoals deze besluiten luidden voor de inwerkingtreding van het eerder genoemde besluit.

2. Het aanleggen, wijzigen of uitbreiden van een boorgat, waarvoor een melding is gedaan, kan worden begonnen tot en met 12 maanden na de inwerkingtreding van het besluit, bedoeld in het eerste lid, en voortgezet tot en met 18 maanden na de inwerkingtreding van dat besluit.

Bestemmingsplan "Buitengebied"

Ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch".

Artikel 3.6, aanhef en onder k

Burgemeester en Wethouders kunnen, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

- de landschappelijke en cultuurhistorische waarden, zoals opgenomen in bijlage 1;

- de natuurlijke waarden;

- de milieusituatie;

- de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;

- de verkeersveiligheid;

- het verlichtingsniveau;

ten behoeve van afwijking van het bepaalde in lid 3.1 een omgevingsvergunning verlenen voor: tijdelijke exploratieboringen.