Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1743

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-07-2020
Datum publicatie
22-07-2020
Zaaknummer
202001436/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 15 oktober 2018 heeft de raad voor rechtsbijstand Amsterdam aanvragen om toevoegingen voor [appellant] afgewezen. [appellant] heeft Zilveren Kruis, de Stichting Philadelphia Zorg (hierna: Philadelphia), de Stichting Cordaan en [belanghebbende] op grond van artikel 15, derde lid, van de Algemene verordening gegevensverwerking verzocht om verstrekking van een kopie van de verwerkte persoonsgegevens van hemzelf en zijn stiefdochter. [appellant] heeft op 30 augustus 2018 en 28 september 2018 zes aanvragen ingediend om een toevoeging voor rechtsbijstand in procedures tegen deze partijen op grond van artikel 35 van de Uitvoeringswet AVG, omdat volgens hem onvoldoende persoonsgegevens zijn verstrekt. De raad heeft de aanvragen van [appellant] afgewezen, omdat het om een probleem gaat waar hij geen advocaat voor nodig heeft. [appellant] bestrijdt dit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001436/1/A2.

Datum uitspraak: 22 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 januari 2020 in zaak nr. 19/3224 in het geding tussen:

[appellant] en [partij], kantoorhoudend te Amsterdam,

en

de raad voor rechtsbijstand Amsterdam (lees: het bestuur van de raad voor rechtsbijstand; hierna: de raad).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 15 oktober 2018 heeft de raad aanvragen om toevoegingen voor [appellant] afgewezen.

Bij besluit van 8 mei 2019 heeft de raad de door [appellant] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 januari 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingebracht.

De Afdeling heeft partijen telefonisch gehoord op 6 juli 2020. Aan deze telefonische hoorzitting hebben mr. dr. C. Raat, advocaat te Voorschoten, namens [appellant], en mr. M. Doets, namens de raad, deelgenomen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage die onderdeel is van deze uitspraak.

2.    [appellant] heeft Zilveren Kruis, de Stichting Philadelphia Zorg (hierna: Philadelphia), de Stichting Cordaan en [belanghebbende] op grond van artikel 15, derde lid, van de Algemene verordening gegevensverwerking (hierna: de AVG) verzocht om verstrekking van een kopie van de verwerkte persoonsgegevens van hemzelf en zijn stiefdochter. [appellant] heeft op 30 augustus 2018 en 28 september 2018 zes aanvragen ingediend om een toevoeging voor rechtsbijstand in procedures tegen deze partijen op grond van artikel 35 van de Uitvoeringswet AVG, omdat volgens hem onvoldoende persoonsgegevens zijn verstrekt.

    De raad heeft de aanvragen van [appellant] bij onderscheiden besluiten van 15 oktober 2018, gehandhaafd bij besluit van 8 mei 2019, afgewezen op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), omdat het om een probleem gaat waar hij geen advocaat voor nodig heeft. [appellant] bestrijdt dit en stelt dat sprake is van feitelijke en juridische complexiteit en betoogt dat daarom bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] in dit geval in staat moet worden geacht om zonder de hulp van een advocaat de procedures te voeren. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de procedures op grond van artikel 35 van de Uitvoeringswet AVG in zijn geval feitelijk en/of juridisch complex zijn, zodat niet van hem zou mogen worden verlangd dat hij zelf dan wel met hulp van derden, niet zijnde een advocaat, deze procedures zou kunnen voeren. De rechtbank wijst erop dat bij deze procedures op grond van artikel 35, vierde lid, van de Uitvoeringswet AVG verplichte procesvertegenwoordiging niet geldt. Het betoog van [appellant] dat aanvragen op grond van de AVG vaak worden afgewezen en daarom complex zijn wordt door de rechtbank niet gevolgd, omdat de enkele afwijzing van een aanvraag niet betekent dat het hieruit ontstane geschil in beginsel complex is en dat de burger niet zelf kan procederen. Over het betoog van [appellant] dat bij toewijzing van een aanvraag op grond van de AVG slechts een marginaal overzicht van persoonsgegevens wordt verstrekt, heeft de rechtbank overwogen dat partijen in dat geval van mening verschillen over de hoeveelheid te verstrekken gegevens en daarmee de complexiteit van een zaak nog niet vaststaat. Volgens de rechtbank blijkt uit de omstandigheid dat de wederpartij meerdere advocaten heeft ingeschakeld ook niet dat de zaak complex is, omdat het de keuze van een procespartij is om juridische bijstand in te schakelen, ook als het minder complexe zaken betreft. Uit het betoog van [appellant] dat de wetgeving over de AVG veel discussie oproept en de rechtspraak hierover nog in ontwikkeling is, kan evenmin worden afgeleid dat de zaken complex zijn, aldus de rechtbank. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] geen toegang tot de rechter is onthouden en dat de afwijzingen van de aanvragen om toevoeging in dit geval niet in strijd zijn met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de raad de aanvraag om een toevoeging op goede gronden heeft afgewezen.

Hoger beroep

4.    [appellant] voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij in dit geval in staat moet worden geacht om zonder de hulp van een advocaat de procedures te voeren. Daartoe voert [appellant] aan dat het in werkinstructie R010 neergelegde beleid van de raad in strijd is met artikel 28 van de Wrb, nu volgens dat beleid aanvragen over procedures inzake de AVG categorisch worden afgewezen. Bovendien blijkt volgens [appellant] uit de besluitvorming niet dat de raad heeft onderzocht of aanleiding bestaat om toch een toevoeging te verstrekken vanwege de feitelijke en juridische complexiteit. [appellant] wijst erop dat hij naar aanleiding van zijn verzoeken op grond van de AVG om zijn persoonsgegevens alleen generieke overzichten van categorieën van gegevens heeft ontvangen, maar dat hij meer informatie nodig heeft voor een succesvolle schadeprocedure. Volgens [appellant] kan hij de procedures niet zonder juridische bijstand voeren, omdat uit jurisprudentie over de AVG volgt dat het een complex rechtsgebied betreft. Ook wijst [appellant] erop dat verzoeken om persoonsgegevens categorisch worden afgewezen, dat wederpartijen grote advocatenkantoren inhuren en dat het voeren van de procedures voor hem en zijn stiefdochter emotioneel belastend is. Ten slotte verwijst [appellant] naar een hoger beroep over een door hem ingediend verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob-verzoek) om informatie van Philadelphia dat momenteel aanhangig is bij de Afdeling. Gelet hierop is wel degelijk sprake van feitelijk en juridisch complexe zaken, aldus [appellant].

    Verder voert [appellant] aan dat het door de raad gevoerde beleid, neergelegd in werkinstructie R010, in strijd is met artikel 28 van de Wrb, nu volgens dat artikel verplichte procesvertegenwoordiging geen criterium is bij de verlening van een toevoeging. In dat verband wijst [appellant] erop dat in andere bestuursrechtelijke zaken, zoals over bijstand en sociale zekerheid, evenmin procesvertegenwoordiging verplicht is, maar in die zaken doorgaans wel een toevoeging wordt verstrekt.

    Ten slotte betoogt [appellant] dat hij door het niet toekennen van gesubsidieerde rechtsbijstand wordt belemmerd in de uitoefening van zijn recht op een daadwerkelijke toegang tot de rechter als gewaarborgd in artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

Beoordeling hoger beroep

5.    Niet in geschil is dat [appellant] voor de procedures tegen Philadelphia en Zilveren Kruis op zowel 30 augustus 2018 als op 28 september 2018 aanvragen om toevoeging heeft ingediend en dat de op 28 september 2018 ingediende aanvragen alleen al daarom terecht zijn afgewezen. In geschil is of de resterende aanvragen om toevoeging voor de procedures tegen de vier instanties genoemd onder overweging 2. terecht zijn afgewezen.

- Feitelijke en juridische complexiteit

5.1.    Op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet. Bij de beoordeling van de vraag, of een aanvraag een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, komt de raad beoordelingsruimte toe. In dit kader heeft de raad beleid ontwikkeld, dat is neergelegd in de werkinstructie R010. In deze werkinstructie is vermeld dat geen toevoeging wordt verstrekt voor zaken waarin een rechtzoekende op grond van artikel 35 van de Uitvoeringswet AVG een verzoekschrift bij de rechtbank indient met het verzoek om een niet-publieke instelling te bevelen het verzoek op grond van de AVG alsnog toe- of af te wijzen, omdat de rechtzoekende dit zelf kan. Verder is in werkinstructie R010 bepaald dat bij hoge uitzondering een toevoeging kan worden verstrekt. De advocaat dient dan bij de aanvraag gemotiveerd aan te geven dat de zaak zodanig feitelijk en/of juridisch complex is, dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is, aldus werkinstructie R010.

5.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het beleid van de raad, zoals neergelegd in werkinstructie R010, niet in strijd is met artikel 28 van de Wrb nu dit beleid een uitzonderingsmogelijkheid bevat voor gevallen die feitelijk en/of juridisch complex zijn. Op grond van dit beleid worden, anders dan [appellant] betoogt, aanvragen om toevoegingen in zaken over de AVG dan ook niet categorisch afgewezen.

5.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] met zijn hierboven weergegeven argumenten niet aannemelijk gemaakt dat de zaken waarvoor hij aanvragen om toevoeging heeft ingediend feitelijk of juridisch complex zijn. Zijn stelling dat verzoeken om een kopie van persoonsgegevens categorisch worden afgewezen heeft [appellant] niet met gegevens of bescheiden gestaafd en leidt reeds daarom niet tot het oordeel dat de zaak complex is. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de enkele omstandigheid dat een aanvraag wordt afgewezen dan wel dat niet de gevraagde persoonsgegevens zijn verstrekt niet betekent dat het geschil dat hieruit is ontstaan complex is. De raad mocht van [appellant] verwachten dat hij, zo nodig bijgestaan door personen of instellingen anders dan een advocaat, in eigen bewoordingen kan aangeven waarom hij van mening is dat aan hem meer verwerkte persoonsgegevens moeten worden verstrekt. De vraag of meer verwerkte persoonsgegevens aan [appellant] moeten worden verstrekt, betreft geen zodanig ingewikkelde rechtsvraag dat daarom bijstand van een advocaat noodzakelijk is.

    Dat de jurisprudentie over de AVG niet eenduidig is en dit een complex rechtsgebied betreft, hoefde de raad dan ook niet tot een ander oordeel te leiden. Ter zitting bij de Afdeling heeft de raad toegelicht dat bijvoorbeeld zaken waarin de uitleg van artikelen van de AVG aan de orde is zouden kunnen worden aangemerkt als juridisch complex. De door [appellant] ingebrachte beschikkingen van de rechtbank Noord-Holland van 23 mei 2019 en van de rechtbank Amsterdam van 10 oktober 2019 dateren van na het besluit van 8 mei 2019. Hierin heeft de raad dan ook geen grond hoeven zien voor het oordeel dat de zaak juridisch complex is. Voor zover [appellant] betoogt dat de zaak inmiddels juridisch complex is geworden, heeft de raad ter zitting bij de Afdeling verklaard dat [appellant] een nieuwe aanvraag voor een toevoeging kan indienen en dat hij daaraan ook nieuwe ontwikkelingen in de procedures ten grondslag kan leggen. Dat er meerdere procedures van [appellant] lopen, waaronder een bij de Afdeling aanhangig hoger beroep over een door hem ingediend Wob-verzoek om informatie van Philadelphia, leidt op zichzelf ook niet tot het oordeel dat de procedures waarvoor de aanvragen zijn ingediend complex zijn.

    In de omstandigheid dat het voeren van de procedures emotioneel belastend voor [appellant] is, is evenmin grond gelegen voor het oordeel dat bijstand door een advocaat noodzakelijk is. Desgewenst kan een andere persoon of instelling als bedoeld in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb hem hierbij van dienst zijn. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt uit de omstandigheid dat wederpartijen meerdere advocaten hebben ingeschakeld op zich evenmin dat de zaak complex is, omdat het de keuze van een procespartij is om juridische bijstand in te schakelen.

5.4.    Het betoog van [appellant] dat in werkinstructie R010 in strijd met artikel 28 van de Wrb wordt betrokken dat in procedures op grond van artikel 35 van de Uitvoeringswet AVG geen procesvertegenwoordiging verplicht is, mede nu in verschillende bestuursrechtelijke zaken wel gefinancierde rechtsbijstand wordt toegekend, kan naar het oordeel van de Afdeling niet worden gevolgd. Met dit betoog gaat [appellant] eraan voorbij dat het door de raad in werkinstructie R010 neergelegde beleid er niet aan in de weg staat dat een toevoeging wordt verstrekt in het geval in de aanvraag gemotiveerd is aangegeven dat een zaak waarin op grond van artikel 35 van de Uitvoeringswet AVG een verzoekschrift wordt ingediend feitelijk of juridisch complex is.

5.5.    Niet is gebleken dat de raad zijn beleid in de besluitvorming over de aanvragen van [appellant] onjuist heeft toegepast. Nu [appellant] een beroep doet op de uitzonderingsgrond in werkinstructie R010, is het aan hem om aannemelijk te maken dat de daarin beschreven uitzondering zich voordoet. De raad heeft voldoende gemotiveerd dat uit de overgelegde stukken niet blijkt dat de zaken feitelijk of juridisch complex zijn.

5.6.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat [appellant] met hetgeen hij aan de aanvragen ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zaken waarvoor hij aanvragen om toevoeging heeft ingediend feitelijk of juridisch complex zijn.

- Artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het EVRM

5.7.    In artikel 47 van het Handvest is bepaald dat het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand is beperkt tot rechtsbijstand die noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb leidt alleen tot een beperking van de subsidiëring van rechtsbijstand in het geval waarin de behartiging van een belang redelijkerwijs aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van de Wrb. Verder is in artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb bepaald dat een toevoeging kan worden geweigerd indien het een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van de raad eenvoudig afgehandeld kan worden. Uit deze artikelen vloeit voort dat gesubsidieerde rechtsbijstand wordt toegekend als dit nodig is omdat de zaak niet aan de aanvrager kan worden overgelaten. De in artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, en artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb opgenomen beperkingen vallen daarmee binnen de in artikel 47 van het Handvest vastgelegde begrenzing van het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand. Naar het oordeel van de Afdeling leveren artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, en artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wrb geen schending op van artikel 47 van het Handvest.

    Verder oordeelt de Afdeling dat artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb niet strijd is met artikel 6 van het EVRM. De Afdeling verwijst voor de motivering van dit oordeel naar de uitspraken van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1365 en van 10 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3303).

    Gelet op het voorgaande faalt het beroep van [appellant] op artikel 47 van het Handvest en artikel 6 van het EVRM.

Conclusie

6.    Gelet op het hiervoor onder 5.6. en 5.7. overwogene, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de raad de aanvragen van [appellant] om een toevoeging in redelijkheid op grond van artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb heeft kunnen afwijzen.

    Het betoog faalt.

7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2020

633.

 

BIJLAGE

 

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

3. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, heeft in het bijzonder de volgende rechten:

a. onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging;

b. te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging;

c. zichzelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen;

d. de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden onder dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge;

e. zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal die ter terechtzitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt.

Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie

Artikel 47

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Wet op de rechtsbijstand

Artikel 12

[…]

2. Rechtsbijstand wordt niet verleend indien:

[…]

g. het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

[…]

Artikel 28

1. Het bestuur kan de toevoeging weigeren indien de aanvraag:

[…]

c. een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van het bestuur eenvoudig afgehandeld kan worden;

[…]

Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensverwerking

Artikel 35 Toepasselijkheid burgerlijk recht bij beslissing van niet-bestuursorganen

1. Indien de beslissing op een verzoek als bedoeld in artikel 34 is genomen door een ander dan een bestuursorgaan, kan de belanghebbende zich tot de rechtbank wenden met het schriftelijk verzoek de verwerkingsverantwoordelijke te bevelen het verzoek als bedoeld in de artikelen 15 tot en met 22 van de verordening alsnog toe of af te wijzen.

[…]

4. De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.

[…]

Werkinstructie R010 te gebruiken voor alle civiele zaken die niet in een andere categorie te coderen zijn

[…]

Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

De AVG maakt onderscheid tussen publieke instellingen en niet-publieke instellingen.

Niet-publieke instellingen

Toevoegingsaanvragen voor een verzoek rechten betrokkene (bijvoorbeeld inzage of verwijdering) op grond van de AVG wijs je af op zelfredzaamheid. Je gebruikt hiervoor tekstcode 130 (zelfredzaamheid).

Als de niet-publieke instelling niet tijdig beslist of het verzoek om inzage afwijst, dan kan rechtzoekende een verzoekschrift bij de rechtbank indienen met het verzoek om de instelling te bevelen het verzoek inzage alsnog toe- of af te wijzen. Het is niet noodzakelijk dat het verzoekschrift door een advocaat wordt ingediend (artikel 35, lid 4, Uitvoeringswet AVG). De toevoegingsaanvraag wijs je af met tekstcode 130 (zelfredzaamheid).

Als de advocaat bij de aanvraag gemotiveerd aangeeft dat de zaak zodanig feitelijk en/of juridisch complex is dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is, kun je bij hoge uitzondering een toevoeging verstrekken.

[…]