Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:170

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-01-2020
Datum publicatie
22-01-2020
Zaaknummer
201905326/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2018 heeft het dagelijks bestuur van het Recreatieschap voor het Friese water en land de "Marrekrite" het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur afgewezen. Het dagelijks bestuur heeft een civiele procedure tegen [appellant] aangespannen in verband met het ontruimen van een stuk grond. [appellant] heeft het dagelijks bestuur in het Wob-verzoek gevraagd om een kopie van de agenda en de notulen van de vergadering van het dagelijks bestuur van 9 januari 2018, of in ieder geval van de vergadering waarin de beslissing tot het voeren van die civiele procedure is genomen. Het nemen van een procesbeslissing is een vereiste. Met de gevraagde documenten tracht hij te bereiken dat het dagelijks bestuur niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens een onbevoegdelijk gestart rechtsgeding. Hij wil aantonen dat de rechtbank in de civiele procedure is misleid over die procesbeslissing. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek van [appellant] afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905326/1/A3.

Datum uitspraak: 22 januari 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2019 in zaak nr. 18/2002 in het geding tussen:

[appellant]

en

het dagelijks bestuur van het Recreatieschap voor het Friese water en land de "Marrekrite".

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2018 heeft het dagelijks bestuur het verzoek van [appellant] om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij besluit van 5 juni 2018 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het dagelijks bestuur in de proceskosten van [appellant] veroordeeld. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 december 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. J.A. Vos, advocaat te Ede, en [directeur], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het dagelijks bestuur heeft een civiele procedure tegen [appellant] aangespannen in verband met het ontruimen van een stuk grond. [appellant] heeft het dagelijks bestuur in het Wob-verzoek gevraagd om een kopie van de agenda en de notulen van de vergadering van het dagelijks bestuur van 9 januari 2018, of in ieder geval van de vergadering waarin de beslissing tot het voeren van die civiele procedure is genomen (hierna: de procesbeslissing). Het nemen van een procesbeslissing is een vereiste gelet op artikel 15 van de Gemeenschappelijke Regeling Marrekrite (hierna: de Gemeenschappelijke Regeling). Met de gevraagde documenten tracht hij te bereiken dat het dagelijks bestuur niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens een onbevoegdelijk gestart rechtsgeding. Hij wil aantonen dat de rechtbank in de civiele procedure is misleid over die procesbeslissing. Het dagelijks bestuur heeft het verzoek van [appellant] afgewezen. Omdat de beslissing van 9 januari 2018 buiten vergadering is genomen, zijn er volgens het dagelijks bestuur geen stukken als een uitnodiging, agenda of notulen beschikbaar. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar van [appellant] tegen die beslissing ongegrond verklaard.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank acht het niet ongeloofwaardig dat de procesbeslissing op 9 januari 2018 buiten vergadering en na een informele consultatie is genomen en er daarom geen agenda is en geen notulen zijn gemaakt. De schriftelijke beslissing van het dagelijks bestuur was nadien opgesteld en slechts door één persoon ondertekend. Dit duidt er volgens de rechtbank niet op dat het dagelijks bestuur in een formele vergadering bijeen is geweest. In de omstandigheid dat het dagelijks bestuur op 9 februari 2018 wel bijeen is geweest in een buitengewone vergadering en waarin de onbevoegd verrichte rechtshandeling is bekrachtigd, ziet de rechtbank een bevestiging van het oordeel dat de procesbeslissing van 9 januari 2018 buiten vergadering is genomen en dat er daarom geen verdere stukken zijn. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat er toch nadere stukken zijn. De rechtbank heeft het beroep daarom ongegrond verklaard.

Hoger beroep

3.    Het dagelijks bestuur heeft in zijn nadere stuk gesteld dat het recreatieschap inmiddels niet meer de eigenaar is van het stuk grond dat diende te worden ontruimd. Volgens het dagelijks bestuur heeft [appellant] daarom geen belang meer bij zijn hoger beroep tegen het vonnis in kort geding van de rechtbank Noord-Nederland van 7 maart 2018. Omdat de procedure op grond van de Wob met dat geding samenhangt, is deze ontwikkeling van belang voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep in deze procedure, aldus het dagelijks bestuur.

    Dit betoog slaagt niet. In dit geding ligt de vraag voor of [appellant] met het hoger beroep zou kunnen bereiken dat hij de door hem op grond van de Wob gevraagde documenten ontvangt. Nu hij die documenten (nog) niet heeft, heeft hij nog belang bij een beoordeling van de afwijzing van zijn verzoek. Wat hij met de documenten wil doen indien hij ze krijgt, is voor de beoordeling van zijn belang bij deze procedure niet relevant.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuist toetsingscriterium heeft toegepast. Het dagelijks bestuur heeft niet gesteld dat bij onderzoek de gevraagde documenten niet of niet meer werden aangetroffen. Impliciet volgt uit artikel 10 van de Gemeenschappelijke Regeling dat een agenda of uitnodiging en verslaglegging noodzakelijk is, omdat op die manier aan de verplichtingen in dat artikel kan worden voldaan. Dat de procesbeslissing buiten vergadering en na een informele consultatie zou zijn genomen, hoeft volgens hem niet te betekenen dat er geen stukken over de totstandkoming ervan voorhanden zijn. Ook in een dergelijk geval worden de verschillende bestuursleden wel degelijk geraadpleegd. [appellant] stelt dat niet goed denkbaar is dat de procesbeslissing die is gedateerd op 9 januari 2018, is genomen zonder een toelichting, te meer gelet op de noodzaak van de juiste datering van dat besluit. Aantekeningen van een telefoongesprek of een e-mailwisseling kunnen in functionele zin ook als een agenda en notulen worden aangemerkt, zo voert [appellant] aan. Ter zitting heeft [appellant] aangevuld dat hij het originele, digitale bestand van de procesbeslissing wil ontvangen, omdat hij aan de hand van de technische informatie ervan kan afleiden wanneer de procesbeslissing is aangemaakt.

4.1.    Artikel 10 (Werkwijze en besluitvorming) van de Gemeenschappelijke Regeling luidt:

1. en 2. […].

3. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

4. De vergadering wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

5. Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, een nieuwe vergadering.

6. Op de vergadering, bedoeld in het vijfde lid, is het vierde lid niet van toepassing. Het dagelijks bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien alle zitting hébbende leden tegenwoordig zijn.

7. Indien bij een stemming, anders dan over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen, de stemmen staken, wordt opnieuw gestemd. Staken de stemmen andermaal over hetzelfde voorstel, dan beslist de stem van de voorzitter.

8. Het dagelijks bestuur kan voor zijn vergaderingen een reglement van orde vaststellen.

    Artikel 15 (Taken en bevoegdheden dagelijks bestuur), eerste lid, aanhef en onder f, luidt: "Tot de taken en bevoegdheden van het dagelijks bestuur behoren in elk geval […] te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, […] te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, […].

4.2.    Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, is het in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

4.3.    Voor zover [appellant] ter zitting heeft gesteld dat hij het digitale bestand van de procesbeslissing wenst te ontvangen, overweegt de Afdeling dat hij dit in zijn verzoek noch in bezwaar naar voren heeft gebracht. Het verzoek was beperkt tot een uitnodiging, een agenda en notulen, al dan niet in functionele zin zodat e-mails of aantekeningen daarover er ook onder zijn te scharen. In hoger beroep is het niet mogelijk het verzoek uit te breiden, zodat de Afdeling dit punt buiten beschouwing laat.

    [appellant] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het dagelijks bestuur niet heeft gesteld dat de uitnodiging, agenda en notulen, niet werden aangetroffen. Al in het besluit van 19 maart 2018 staat dat die stukken er niet zijn. Ook in zijn schriftelijke uiteenzetting stelt het dagelijks bestuur dat er naast het procesbesluit van 9 januari 2018 geen verdere stukken aanwezig zijn. Zoals de rechtbank ook heeft geoordeeld - en die in zoverre een juiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd - acht de Afdeling de genoemde mededelingen van het dagelijks bestuur niet ongeloofwaardig. [directeur], die directeur is bij het recreatieschap, heeft ter zitting toegelicht dat het recreatieschap maar klein is en dat de organisatie ervan ten tijde van belang niet op orde was. Zo ontbrak bijvoorbeeld een mandateringsbesluit. [directeur] stelt te lichtvaardig te zijn omgesprongen met de vergadervoorschriften voor het dagelijks bestuur in de Gemeenschappelijke Regeling. Uit zijn verklaring blijkt dat hij met de bestuursleden informeel contact heeft gehad en dat de beslissing om het rechtsgeding aan te spannen terloops is besproken. Achteraf bleek dat niet te kloppen, aldus [directeur]. Met het betoog van [appellant] dat ook een besluit buiten vergadering om voorbereiding vergt, er een vraagstuk moet worden voorgelegd, en daarvan aantekeningen moeten worden gemaakt, wat daarvan ook zij, is niet aannemelijk gemaakt dat dit in dit concrete geval ook is gebeurd. De voorbereiding en het voorleggen van het vraagstuk kunnen ook mondeling zijn verricht. Gelet op het relaas van [directeur], dat hij te lichtvaardig met de regels is omgesprongen, ligt het voorts niet in de rede dat hij aantekeningen van de bespreking met de leden heeft gemaakt. [appellant] heeft voorts geen begin van bewijs overgelegd dat mogelijk toch e-mails over het procesbesluit zijn verstuurd of dat aantekeningen zijn gemaakt.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Konings

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2020

612.