Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1653

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-07-2020
Datum publicatie
15-07-2020
Zaaknummer
201902341/4/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:793, heeft de Afdeling het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas opdragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak alsnog toereikend te motiveren waarom de door [appellant] overgelegde gegevens met betrekking tot de WOZ-waarde het college geen aanleiding geven om aan de juistheid van het nadere advies te twijfelen, dan wel een gewijzigd besluit te nemen. Het college diende de Afdeling en [appellant] de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902341/4/A2.

Datum uitspraak: 15 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Moordrecht, gemeente Zuidplas,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:793, heeft de Afdeling het college opdragen om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak alsnog toereikend te motiveren waarom de door [appellant] overgelegde gegevens met betrekking tot de WOZ-waarde het college geen aanleiding geven om aan de juistheid van het nadere advies te twijfelen, dan wel een gewijzigd besluit te nemen. Het college diende de Afdeling en [appellant] de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Binnen de gestelde termijn is geen reactie ontvangen.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de rechtbank het beroep van [appellant] tegen het besluit van 10 oktober 2017 waarbij het college aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade heeft toegekend, terecht gegrond heeft verklaard. Het tegen de uitspraak van de rechtbank door het college ingestelde hoger beroep is daarom ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de Afdeling het beroep van [appellant] dat van rechtswege is ontstaan tegen het nieuwe besluit op bezwaar van 23 juli 2019 beoordeeld. De Afdeling heeft vastgesteld dat het verschil tussen de door [appellant] overgelegde WOZ-waarde en de door SAOZ gehanteerde waarde van de gronden 33% is en daarmee is aan te merken als een aanzienlijk verschil. Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het verschil met de in het kader van de WOZ vastgestelde waarde van de gronden geen aanleiding is geweest om de door de SAOZ vastgestelde taxatie onjuist te achten. Dat leidt er toe dat het college het nadere advies niet aan het besluit van 23 juli 2019 ten grondslag heeft kunnen leggen. De conclusie is dat het besluit is genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil heeft de Afdeling het college opdragen om dit gebrek te herstellen.

2.    De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, het college om het geconstateerde gebrek te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn eindigde op 11 juni 2020 en is ongebruikt verstreken. Het college heeft niet om verlenging van deze termijn gevraagd. Daarom is niet voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Het geconstateerde gebrek in het besluit van 23 juli 2019 is niet hersteld.

3.    Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

4.    De Afdeling ziet aanleiding om het college met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb, op te dragen met inachtneming van hetgeen in deze en de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daartoe een termijn stellen. De Afdeling wijst het college, naar zij aanneemt ten overvloede, op het bindend karakter van die termijn.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

5.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas van 23 juli 2019;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas op om met binnen 4 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    bepaalt dat tegen het te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 256,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.F. Donner-Haan, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2020