Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1594

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-07-2020
Datum publicatie
08-07-2020
Zaaknummer
201906357/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij te onderscheiden besluiten van 13 juni 2017 heeft de burgemeester van Den Haag aan Grand Cafe Victoria B.V. een drank- en horecawetvergunning en een exploitatievergunning verleend. Grand Cafe Victoria B.V. exploiteert een café-restaurant aan het Prins Hendrikplein 10 in Den Haag. Op 20 maart 2017 heeft Grand Cafe Victoria B.V aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning. Bij besluiten van 13 juni 2017 zijn aan haar een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning verleend. De drank- en horecavergunning geldt voor de benedenlokaliteit, een gevelterras en een zomerterras op het plein, een zogeheten eilandterras. Op 19 maart 2017 heeft zij tevens een aanvraag ingediend voor een terrasvergunning voor het eilandterras. Bij besluit van 6 juli 2017 heeft het college aan Grand Cafe Victoria B.V. een terrasvergunning verleend en daaraan voorschriften verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906357/1/A3.

Datum uitspraak: 8 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Den Haag,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2019 in zaak nr. 18/5355 in het geding tussen:

[appellant A]

en

de burgemeester van Den Haag en het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

Bij te onderscheiden besluiten van 13 juni 2017 heeft de burgemeester aan Grand Cafe Victoria B.V. een drank- en horecawetvergunning en een exploitatievergunning verleend.

Bij besluit van 6 juli 2017 heeft het college aan Grand Cafe Victoria B.V. een terrasvergunning verleend.

Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college het door [appellant A] gemaakte bezwaar tegen de besluiten van 13 juni 2017 en 6 juli 2017 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant A] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester en het college hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Grand Cafe Victoria B.V. heeft als derde-belanghebbende een nader stuk ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Grand Cafe Victoria B.V. exploiteert café-restaurant ‘Grand Café Victoria' aan het Prins Hendrikplein 10 in Den Haag. Op 20 maart 2017 heeft Grand Cafe Victoria B.V aanvragen ingediend voor een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning. Bij besluiten van 13 juni 2017 zijn aan haar een exploitatievergunning en een drank- en horecavergunning verleend. De drank- en horecavergunning geldt voor de benedenlokaliteit, een gevelterras en een zomerterras op het plein, een zogeheten eilandterras. Op 19 maart 2017 heeft zij tevens een aanvraag ingediend voor een terrasvergunning voor het eilandterras. Bij besluit van 6 juli 2017 heeft het college aan Grand Cafe Victoria B.V. een terrasvergunning verleend en daaraan voorschriften verbonden. In het besluit op bezwaar heeft het college het door [appellant A] gemaakte bezwaar tegen verlening van voormelde vergunningen ongegrond verklaard.

Hoger beroep

2.    [appellant A] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de besluitvorming over de drank- en horecavergunning zorgvuldig is geweest. Zij voert hiertoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bij de aanvraag overgelegde tekening van het eilandterras voldoende duidelijk was om een zorgvuldig besluit te nemen. De rechtbank heeft volgens haar ten onrechte van belang geacht dat het hier gaat om een bestaande situatie. Zij voert hiertoe aan dat het hier gaat om een aanvraag van een nieuwe exploitant en dat drank- en horecavergunningen niet overdraagbaar zijn. Volgens [appellant A] moet tijdens de aanvraag voor een terrasvergunning duidelijk zijn waar het terras wordt geplaatst, omdat anders niet getoetst kan worden aan de criteria die de Drank- en Horecawet stelt aan de verlening van een vergunning.

      [appellant A] voert verder aan dat de locatie van het terras niet voldoet aan het in artikel 7, derde lid, van de Drank- en Horecawet opgenomen criterium dat het terras in de onmiddellijke nabijheid van de horecalokaliteit gelegen moet zijn. [appellant A] wijst erop dat het terras zich bevindt in een voetgangersgebied op een afstand van 35 meter van de horecalokaliteit, waarbij het terras bovendien wordt onderbroken door een rijweg en een trambaan. Dit betekent dat ter plaatse geen terras is toegestaan, aldus [appellant A].

2.1.    Artikel 7, eerste lid, van de Drank- en Horecawet luidt: " Een vergunning is vereist voor iedere inrichting."

     Het derde lid luidt: "Indien een terras onderdeel is van een inrichting, die onderdeel uitmaakt van een winkel wordt slechts een vergunning ten aanzien van het terras verleend, indien dit onmiddellijk aansluit aan een horecalokaliteit. Voor de overige terrassen wordt slechts vergunning verleend, indien zij in de onmiddellijke nabijheid van een horecalokaliteit zijn gelegen."

     Artikel 2.10, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening voor de gemeente Den Haag (hierna: APV) luidt: "Het is verboden zonder vergunning of instemming van het college van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben, of de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan."

     Het derde lid luidt: "Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:

     - doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;

     - bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand;

     - schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht, of;

     - te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 t/m 2:29 en artikel 4:6 van toepassing is."

2.2.    De Afdeling overweegt dat uit de aanvraag blijkt dat het hier een overname van een bestaand horecabedrijf betreft, waarbij een nieuwe exploitant de bestaande feitelijke situatie voortzet. Hieruit volgt dat het terras op dezelfde locatie is gesitueerd. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de bij de aanvraag overgelegde tekening van het eilandterras voldoende was om een zorgvuldig besluit op de aanvraag voor een drank- en horecavergunning te nemen.

     Over de stelling van [appellant A] dat ter plaatse geen terras is toegestaan, omdat dit niet in de onmiddellijke nabijheid van het horecabedrijf is gelegen, overweegt de Afdeling als volgt. Het in artikel 7, derde lid, van de Drank- en Horecawet neergelegde criterium van de onmiddellijke nabijheid is slechts relevant voor de vraag of op het eilandterras eveneens alcohol mag worden geschonken. De bezwaren van [appellant A] zien niet op dat aspect, maar op de aanwezigheid van een eilandterras als zodanig. Het criterium is dus niet relevant voor de vraag of ter plaatse een eilandterras is toegestaan. Die vraag moet worden beoordeeld in het kader van de aanvraag van de terrasvergunning. Een aanvraag voor een terrasvergunning moet worden getoetst aan de criteria die zijn opgenomen in artikel 2.10 van de APV. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat bij de vraag of ter plaatste een terras is toegestaan toetsing aan artikel 7, derde lid, van de Drank- en Horecawet niet aan de orde is.

     Het betoog faalt.

3.    [appellant A] betoogt over de terrasvergunning dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verlening van de terrasvergunning in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan. Zij voert hiertoe aan dat in artikel 1.1, aanhef en onder n, van de APV terras wordt gedefinieerd als "voorwerpen op de weg waarmee sta- of zitgelegenheid wordt geboden ten behoeve van het tegen vergoeding schenken van dranken of verstrekken van spijzen voor directe consumptie, en de daarbij behorende terraselementen." Volgens de definitie houdt een horecaterras meer in dan een verzameling van tafels. Het zijn tafels en stoelen die alleen mogen worden gebruikt voor commerciële horeca-activiteiten. Het terras bevindt zich in de openbare ruimte. Het gebruik van de openbare ruimte als terras is echter in strijd met artikel 23 van het geldende bestemmingsplan, omdat de locatie van het terras de bestemming "Groen" en "Verkeer-2" heeft, aldus [appellant A].

3.1.    Bij de beoordeling van een aanvraag om een terrasvergunning wordt, zoals in 2.2. is overwogen, uitsluitend getoetst aan de criteria die in de APV zijn opgenomen. Het betreft de criteria die zijn opgenomen in

artikel 2:10, derde lid, van de APV. Strijd met het bestemmingsplan is hierin niet als criterium voor weigering van een terrasvergunning opgenomen, zodat het betoog van [appellant A] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verlening van de terrasvergunning in strijd is met het bestemmingsplan haar niet kan baten.

     Het betoog faalt.

4.    [appellant A] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat artikel 2:48, eerste lid, van de APV niet in de weg staat aan de exploitatie van het terras. Zij voert hiertoe aan dat het zomerterras wordt onderbroken door de openbare ruimte. Dit betekent dat de bediening met alcoholhoudende dranken door de openbare ruimte moet lopen wat op grond van artikel 2:48, eerste lid, van de APV niet is toegestaan, aldus [appellant A].

4.1.    In artikel 2:48, eerste lid, van de APV is bepaald dat het verboden is op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. In het tweede lid, aanhef en onder a, is bepaald dat het verbod niet geldt voor een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet. De alcoholhoudende dranken worden geserveerd en genuttigd op het terras. De enkele omstandigheid dat bediening door de openbare ruimte moet lopen om gasten te serveren, levert geen schending op van het in artikel 2:48, eerste lid, neergelegde verbod.

     Het betoog faalt.

5.    [appellant A] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij heeft aangevoerd dat het terras in vergelijking met eerder vergunde terrassen in omvang is toegenomen hetgeen in strijd is met het overgangsrecht van het bestemmingsplan. Zij voert aan dat het huidige terras een omvang van 10 bij 10 meter heeft, terwijl de vorige terrassen 8 bij 8 meter waren.

5.1.    Nog daargelaten de juistheid van de stelling is, zoals in 3.1. reeds is overwogen, strijd met het bestemmingsplan geen grond om een terrasvergunning te weigeren.

     Het betoog faalt.

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y. Soffner, griffier.

w.g. Bijloos

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2020

818.