Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1536

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
201905538/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juni 2018 heeft de burgemeester van Sint-Michielsgestel aan [vergunninghouder] vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet ten behoeve van het horecabedrijf Brasserie "Ons Thuys". De aan de V.O.F. verleende vergunning, zoals aangepast bij het besluit van 9 januari 2019, heeft betrekking op het adres Petrus Dondersplein 16 in Sint-Michielsgestel. Het gebouw en het terras waar het horecabedrijf zal worden uitgeoefend waren nog in aanbouw toen de DHW-vergunning werd verleend. De DHW-vergunning geldt voor de brasserie die 100 vierkante meter groot is, en voor het terras dat maximaal 118 vierkante meter groot is. In een bijlage is beschreven welke voorschriften en beperkingen van toepassing zijn op de vergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905538/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Sint-Michielsgestel,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juni 2019 in zaak nr. 18/3210 in het geding tussen:

[appellant]

en

de burgemeester van Sint-Michielsgestel.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2018 heeft de burgemeester aan [vergunninghouder] vergunning verleend op grond van de Drank- en Horecawet (hierna: DHW) ten behoeve van het horecabedrijf Brasserie "Ons Thuys".

Bij besluit van 6 november 2018 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 19 juni 2018, onder aanvulling van de motivering ervan, gehandhaafd.

Bij besluit van 9 januari 2019 heeft de burgemeester het besluit van 6 november 2018 gewijzigd.

Bij uitspraak van 13 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[vergunninghouder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2020, waar [appellant], [vergunninghouder], [belanghebbende] en de burgemeester, vertegenwoordigd door F.G.T. Verstraten-van den Langenberg, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De voor deze zaak relevante bepalingen zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Besluit burgemeester

2.    De aan de V.O.F. verleende vergunning, zoals aangepast bij het besluit van 9 januari 2019, heeft betrekking op het adres Petrus Dondersplein 16 in Sint-Michielsgestel. Het gebouw en het terras waar het horecabedrijf zal worden uitgeoefend waren nog in aanbouw toen de DHW-vergunning werd verleend. De DHW-vergunning geldt voor de brasserie die 100 vierkante meter groot is, en voor het terras dat maximaal 118 vierkante meter groot is. In een bijlage is beschreven welke voorschriften en beperkingen van toepassing zijn op de vergunning.

Oordeel rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de burgemeester zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen van de afwijzingsgronden voordoet uit artikel 27 van de DHW. Het feit dat op de omgevingsvergunning die is verleend voor de bouw van het gebouw en het terras niet hetzelfde adres is vermeld als op de DHW-vergunning, is geen grond om de DHW-vergunning te weigeren. Ditzelfde geldt voor de door [appellant] gestelde strijd met het bestemmingsplan, wat ook zij van de juistheid van die stelling. De rechtbank heeft [appellant] verder niet gevolgd in zijn betoog dat de vergunning niet voldoet aan de vereisten van artikel 29 van de DHW. In de vergunning zijn namelijk wel degelijk voorschriften vermeld die aan de vergunning zijn verbonden. In het besluit van 9 januari 2019 is bovendien alsnog een situatieschets gevoegd bij de vergunning, aldus de rechtbank.

Is het wijzigingsbesluit van 9 januari 2019 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt?

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank het besluit van 9 januari 2019 ten onrechte bij haar beoordeling heeft betrokken. Dit besluit is namelijk niet in werking getreden, omdat de burgemeester dit niet op de voorgeschreven wijze heeft bekendgemaakt. Hij heeft het besluit op 9 januari 2019 namelijk alleen aan de V.O.F. toegezonden. Aangezien [appellant] bezwaarmaker was had de burgemeester het besluit van 9 januari 2019 ook aan hem moeten toezenden. 

4.1.    De burgemeester heeft ter zitting bij de Afdeling erkend dat hij het besluit van 9 januari 2019 niet op diezelfde datum heeft toegezonden aan [appellant]. Krachtens artikel 7:12, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had de burgemeester dit wel moeten doen. [appellant] heeft echter erkend dat dit besluit op 22 januari 2019 door de rechtbank aan hem is toegezonden en dat hij dit vervolgens heeft ontvangen. Dit betekent dat het besluit, anders dan [appellant] betoogt, wel in werking is getreden (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2840).

    Het betoog faalt.

Is een weigeringsgrond uit de DHW van toepassing?

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester de aanvraag voor een DHW-vergunning had moeten afwijzen. Hij voert hiertoe aan dat het horecabedrijf in strijd is met het bestemmingsplan. Daarnaast is het uiteindelijk gerealiseerde terras groter dan het terras dat is weergegeven op de terrastekening die bij de DHW-vergunning hoort. [appellant] voert verder aan dat het horecabedrijf zal worden uitgeoefend in een gebouw waarvoor geen omgevingsvergunning is afgegeven. Het horecabedrijf zal namelijk worden uitgeoefend op het adres Petrus Dondersplein 16, terwijl de omgevingsvergunning voor de bouw van het gebouw is verleend voor het adres Petrus Dondersplein 1. Het horecabedrijf is verder in strijd met de exploitatieverordening en het terras voldoet niet aan de voorschriften die zijn neergelegd in de 'nota terrassenbeleid'. 

5.1.    De stelling dat het horecabedrijf in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan kan, wat van die stelling ook zij, in deze procedure geen rol spelen. Uit artikel 28 van de DHW volgt immers dat een DHW-vergunning slechts op grond van de in artikel 27 genoemde gronden mag worden geweigerd. Strijd met het bestemmingsplan is in dat artikel niet opgenomen als weigeringsgrond. De Afdeling heeft eerder in gelijke zin geoordeeld in de uitspraak van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2761.

5.2.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester erkend dat het gerealiseerde terras groter is dan het terras dat is weergegeven op de terrastekening. Aan het terras is een strook toegevoegd die in gebruik is als doorgang voor rolstoelgebruikers die een nabijgelegen pand willen bereiken.

     Anders dan [appellant] betoogt betekent dit echter niet dat de DHW-vergunning wegens strijd met artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de DHW moet worden vernietigd. Daarvoor is immers vereist dat de burgemeester ten tijde van het nemen van het bestreden besluit redelijkerwijs had moeten aannemen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zou zijn (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2761). Uit wat [appellant] heeft aangevoerd volgt niet dat de burgemeester ten tijde van het bestreden besluit redelijkerwijs had moeten aannemen dat het terras niet in overeenstemming zou zijn met wat de V.O.F. heeft aangevraagd.

5.3.    Ter zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester erkend dat op de omgevingsvergunning die is verleend voor de bouw van het gebouw waarin het horecabedrijf zal worden uitgeoefend, per ongeluk het adres Petrus Dondersplein 1 is vermeld. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat hij daarover een aparte procedure is gestart.

    Naar het oordeel van de Afdeling is de uitkomst van deze door [appellant] gestarte procedure echter niet relevant voor de rechtmatigheid van de DHW-vergunning waar het in deze procedure om gaat. Het ontbreken van een omgevingsvergunning is in artikel 27 van de DHW namelijk niet opgenomen als weigeringsgrond.      

5.4.    Ook de door [appellant] gestelde strijd met de exploitatieverordening en de 'nota terrassenbeleid' zijn geen weigeringsgronden.     

5.5.    Wat hiervoor staat neemt niet weg dat [appellant] wel een aanvraag kan doen om handhavend op te treden om een einde te maken aan de door hem gestelde overtredingen.

    Het betoog faalt.

Voldoet de vergunning aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de DHW?

6.    [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de burgemeester, in strijd met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de DHW, in de vergunning niet alle voorschriften en beperkingen heeft vermeld die daarop van toepassing zijn.

6.1.    In de bijlage bij het wijzigingsbesluit van 9 januari 2019 heeft de burgemeester een uitgebreide lijst opgenomen van voorschriften en beperkingen die op de vergunning van toepassing zijn. Deze hebben betrekking op het terras, de openingstijden en de exploitatie in het algemeen.  [appellant] heeft niet gespecificeerd welke voorschriften en beperkingen nog meer in de vergunning vermeld hadden moeten worden.

    Het betoog faalt.

Had de rechtbank de burgemeester moeten veroordelen tot vergoeding van het griffierecht?

7.    [appellant] betoogt dat de rechtbank de burgemeester had moeten verplichten het door hem betaalde griffierecht te vergoeden. Hiervoor bestond aanleiding omdat de rechtbank heeft geconstateerd dat in het besluit van 6 november 2018 een onjuiste terrasoppervlakte was opgenomen en bij dat besluit ten onrechte geen terrastekening was gevoegd. Deze gebreken hebben voor de rechtbank ook reden gevormd om de burgemeester krachtens artikel 8:75 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.

7.1    De rechtbank heeft het beroep van [appellant], ondanks de door haar geconstateerde gebreken, ongegrond verklaard. In artikel 8:74, tweede lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank in zo'n geval het bestuursorgaan - in dit geval de burgemeester - kan verplichten om het griffierecht geheel of gedeeltelijk te vergoeden. Deze bepaling geeft de rechtbank de bevoegdheid om de burgemeester tot betaling van het griffierecht te veroordelen, maar verplicht de rechtbank hiertoe niet. Of aanleiding bestaat om de burgemeester tot betaling van het griffierecht te veroordelen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Het is aan de rechtbank om dit te beoordelen.

    De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank in dit geval, gelet op de aard van de door haar geconstateerde gebreken en in aanmerking genomen dat die gebreken voor haar reden hebben gevormd om de burgemeester tot vergoeding van de proceskosten te veroordelen, gebruik had moeten maken van haar in artikel 8:74, tweede lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid.

    Het betoog slaagt.

Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

8.    [vergunninghouder] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Ter zitting bij de Afdeling heeft zij toegelicht dat zij dit heeft ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant] leidt tot vernietiging van de aan de V.O.F. verleende vergunning. Aangezien deze vergunning, gelet op wat hiervoor staat, in stand blijft, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [vergunninghouder] vervallen. Aan een inhoudelijke bespreking ervan kan daarom niet worden toegekomen.

Conclusie

9.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet, gelet op wat hiervoor onder 7.1. is overwogen, worden vernietigd, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van het door [appellant] betaalde griffierecht. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 4. tot en met 6.1. heeft overwogen moet de aangevallen uitspraak voor het overige worden bevestigd. Dit betekent dat de aan de V.O.F. verleende DHW-vergunning in stand blijft. Het door [vergunninghouder] ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen.

10.    Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 13 juni 2019 in zaak nr. 18/3210, voor zover de rechtbank heeft nagelaten de burgemeester te veroordelen tot vergoeding van het door [appellant] betaalde griffierecht;

III.    gelast dat de burgemeester van Sint-Michielsgestel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) voor de behandeling van het beroep vergoedt;

IV.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V.    gelast dat de burgemeester van Sint-Michielsgestel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 259,00 (zegge: tweehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.R. Fernandez, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2020

176-753.

 

BIJLAGE

 

Awb

Artikel 8:74

1 Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, houdt de uitspraak tevens in dat aan de indiener van het beroepschrift het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed door het bestuursorgaan.

2 In de overige gevallen kan de uitspraak inhouden dat het betaalde griffierecht door het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk wordt vergoed.

DHW

Artikel 27

1 Een vergunning wordt geweigerd indien:

a. niet wordt voldaan aan de ingevolge de artikelen 8 tot en met 10 geldende eisen;

b. redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvrage vermelde in overeenstemming zal zijn;

c. artikel 7, tweede lid, artikel 31, vierde lid, en artikel 32, tweede lid, zich tegen de verlening van de gevraagde vergunning verzet;

d. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat een of meer van de bij of krachtens de artikelen 2 en 13 tot en met 24 gestelde verboden zal worden overtreden of dat in strijd zal worden gehandeld met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften.

2 Een vergunning ten aanzien van een inrichting, waarvan de vergunning op grond van artikel 31, eerste lid, onder c, is ingetrokken, kan gedurende een bij die intrekking vastgestelde termijn van ten hoogste vijf jaar worden geweigerd.

3 Een vergunning kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur.

4 Voordat toepassing wordt gegeven aan het derde lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.

Artikel 28

Een vergunning wordt verleend, indien geen der in artikel 27 bedoelde weigeringsgronden aanwezig is.

Artikel 29

1 De burgemeester vermeldt in een vergunning:

[…]

e. de voorschriften of beperkingen welke aan de vergunning zijn verbonden.

[…]