Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1530

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
201903335/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck geweigerd de identiteitsgegevens van [appellant] in de basisregistratie personen te wijzigen. [appellant] is in de brp geregistreerd als [appellant A], geboren op [geboortedatum] 1985. Deze identiteitsgegevens zijn ontleend aan een in 2003 door [appellant] onder ede afgelegde verklaring. Bij brief van 16 mei 2017 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om deze gegevens te wijzigen naar [appellant B], geboren op [geboortedatum] 1982. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij documenten overgelegd. Volgens het college kan niet worden vastgesteld dat de overgelegde documenten op [appellant] betrekking hebben en is onduidelijk hoe de Chinese autoriteiten zijn identiteit hebben vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2020/5518
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903335/1/A3.

Datum uitspraak: 1 juli 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Budel-Schoot, gemeente Cranendonck,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 maart 2019 in zaak nr. 18/2925 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2018 heeft het college geweigerd de identiteitsgegevens van [appellant] in de basisregistratie personen (hierna: de brp) te wijzigen.

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het college het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 maart 2019 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 november 2019, waar [appellant], bijgestaan door mr. K.L. Sett, advocaat te Vleuten, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.J.H. Delissen, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen. Verder is als tolk Y. Zhang verschenen. De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde [appellant] in staat te stellen een nieuw stuk in te dienen.

Zowel [appellant] als het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft bepaald dat een nader onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1.    [appellant] is in de brp geregistreerd als [appellant A], geboren op [geboortedatum] 1985. Deze identiteitsgegevens zijn ontleend aan een in 2003 door [appellant] onder ede afgelegde verklaring. Bij brief van 16 mei 2017 heeft [appellant] een aanvraag ingediend om deze gegevens te wijzigen naar [appellant B], geboren op [geboortedatum] 1982. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft hij de volgende documenten overgelegd:

    -  een originele notariële akte van 14 maart 2017 over de authenticiteit van een op 16 april 1999 afgegeven hukou;

    - een kopie van de op 16 april 1999 afgegeven hukou waarin staat dat [vader] en [moeder] gehuwd zijn en twee zonen hebben, te weten [appellant B], geboren op [geboortedatum] 1982, en [naam zoon], geboren op [geboortedatum] 1984;

    - een kopie van een Chinese ongehuwdverklaring van 10 maart 2017 over [appellant B];

    - een DNA-onderzoeksrapportage van 31 juli 2017 waarin is vermeld dat [vader] en [moeder] met een zekerheid van 99,9999% de biologische ouders van [appellant] zijn;

    - een origineel Chinees paspoort met de gegevens van [appellant B], afgegeven door het Chinese consulaat-generaal te Milaan (Italië) op 6 juni 2017;

    - een verklaring van 20 juni 2017 van een middelbare school in China waarin staat dat [appellant B] in 1997 zijn middelbare school heeft afgerond.

    Bij het besluit van 31 mei 2018 heeft het college geweigerd de in de brp geregistreerde gegevens te wijzigen. Volgens het college kan niet worden vastgesteld dat de overgelegde documenten op [appellant] betrekking hebben en is onduidelijk hoe de Chinese autoriteiten zijn identiteit hebben vastgesteld. Dit besluit heeft het college bij het besluit op bezwaar gehandhaafd.

2.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet heeft aangetoond dat hij [appellant B] is en de in de brp geregistreerde gegevens onjuist zijn.

2.1.    Artikel 2.58, eerste lid, van de Wet basisregistratie personen (hierna: de Wet brp) luidt: "Het verzoek waarmee betrokkene met betrekking tot de basisregistratie het recht uitoefent op rectificatie van gegevens, bedoeld in artikel 16 van de verordening, of op wissing van gegevens, bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van de verordening, bevat de aan te brengen wijzigingen."

    Het tweede lid luidt: "Het college van burgemeester en wethouders geeft aan het verzoek, bedoeld in het eerste lid, uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze afdeling."

2.2.      Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1626, is het doel van de Wet brp dat de in de brp vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat de gebruikers van de gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de brp opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan slechts worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de brp geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet brp onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

2.3.    Het college heeft zich in het besluit van 16 oktober 2018 op het standpunt gesteld dat [appellant] met de overgelegde DNA-onderzoeksrapportage weliswaar heeft aangetoond dat [vader] en [moeder] zijn biologische ouders zijn, maar dat dit niet betekent dat hij hun zoon [appellant B] is. Volgens het college zou [appellant] net zo goed de in de kopie van de op 16 april 1999 afgegeven hukou vermelde andere zoon, [naam zoon], kunnen zijn.

2.4.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college bij de motivering van dit standpunt onvoldoende betrokken dat [appellant] tevens een origineel Chinees paspoort met zijn pasfoto en de persoonsgegevens van [appellant B] heeft overgelegd. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de hiervoor in 2.2 vermelde uitspraak van 22 mei 2019, dient in beginsel van de juistheid van een door de Chinese autoriteiten afgegeven paspoort te worden uitgegaan.

    Het betoog slaagt. 

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep gegrond verklaren en het besluit van 16 oktober 2018 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen. Het college moet een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

    De Afdeling acht het aangewezen dat het college bij de voorbereiding van het nieuw te nemen besluit nader onderzoek laat verrichten naar de door [appellant] hangende het hoger beroep overgelegde kopie van een registratieformulier voor permanent ingezetenen, voorzien van een pasfoto. Uit de verkorte verklaring van onderzoek van 4 februari 2020 die het college hangende het hoger beroep door het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft laten opstellen, volgt dat aan de hand van een Chinese identiteitskaart nader onderzoek naar het stuk kan worden verricht en dat deze identiteitskaart hiertoe bij [appellant] moet worden opgevraagd. Het college moet ervoor zorgen dat het Bureau Documenten bedoeld nader onderzoek verricht en hierbij het paspoort betrekt.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld. 

3.    Het college moet op na te melden wijze in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 12 maart 2019 in zaak nr. 18/2925;

III.    verklaart het beroep in die zaak gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck van 16 oktober 2018, kenmerk 891994/892412;

V.    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VI.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: tweeduizend honderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Cranendonck aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Hartsuiker

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2020

620.