Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1525

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
201908703/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2019 heeft de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "Woontoren Fibonacci" vastgesteld. Het plan voorziet in de bouw van een woontoren (Fibonacci) met maximaal 243 woningen op het perceel op de hoek van Panamalaan en Cruquiuskade in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam (stadsdeel Oost). [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] wonen onderscheidenlijk aan het [locatie 1] en [locatie 2] in Amsterdam. Zij wonen in het Sporenbooggebouw van het Funenpark dat ten westen van het plangebied ligt. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door onder meer een verlies van bezonning, privacy en vrij uitzicht vanwege de bouwhoogte van de woontoren Fibonacci. VORM is initiatiefnemer van het plan en wenst de woontoren Fibonacci te realiseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908703/1/R1.
Datum uitspraak: 1 juli 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te Amsterdam,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Woontoren Fibonacci" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

VORM Ontwikkeling B.V. (hierna: VORM) heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellanten sub 2], de raad en VORM hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft partijen op 2 juni 2020 telefonisch gehoord. Aan het telefonisch horen hebben [appellant sub 1] en [appellanten sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door mr. Y.H.M. Huisman, deelgenomen. Voorts is VORM, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en bijgestaan door mr. C.A. Bos, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. In verband met de uitbraak van het coronavirus was het houden van een zitting in fysieke vorm niet mogelijk. Om die reden zijn partijen door middel van telehoren gehoord.

2. Het plan voorziet in de bouw van een woontoren (Fibonacci) met maximaal 243 woningen op het perceel op de hoek van Panamalaan en Cruquiuskade in het Oostelijk Havengebied van Amsterdam (stadsdeel Oost).

[appellant sub 1] en [appellanten sub 2] wonen onderscheidenlijk aan het [locatie 1] en [locatie 2] in Amsterdam. Zij wonen in het Sporenbooggebouw van het Funenpark, welk gebouw ten westen van het plangebied ligt. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] vrezen een aantasting van hun woon- en leefklimaat door onder meer een verlies van bezonning, privacy en vrij uitzicht vanwege de bouwhoogte van de woontoren Fibonacci.

VORM is initiatiefnemer van het plan en wenst de woontoren Fibonacci te realiseren.

3. Op deze zaak is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing.

Toetsingskader

4. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Te laat ingediende beroepsgrond

5. [ appellanten sub 2] hebben aangevoerd dat het plan nadelige invloed heeft op de waarde van hun woning. Zij verzoeken om financiële compensatie.

5.1. Zoals onder 3 is overwogen, is op het besluit tot vaststelling van het plan de Chw van toepassing. In de publicatie van de terinzagelegging is ook vermeld dat die wet van toepassing is.

5.2. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

[appellanten sub 2] hebben de beroepsgrond dat het plan nadelige invloed heeft op de waarde van hun woning eerst in hun nader stuk van 4 maart 2020 aangevoerd. De Afdeling stelt vast dat zij deze beroepsgrond niet in hun beroepschrift en pas na afloop van de termijn voor het instellen van beroep naar voren hebben gebracht. Gelet op artikel 1.6a van de Chw laat de Afdeling deze grond buiten beschouwing.

Ontvankelijkheid

6. De raad en VORM stellen dat de beroepsgrond van [appellant sub 1] dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit in strijd met artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet in de zienswijze naar voren is gebracht en dat het beroep van [appellant sub 1] in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Hieruit volgt niet dat in beroep ten aanzien van reeds aangevochten onderdelen geen nieuwe beroepsgronden meer naar voren mogen worden gebracht.

Binnen de door de wet en de goede procesorde begrensde mogelijkheden staat geen rechtsregel eraan in de weg dat bij de beoordeling van het beroep gronden worden betrokken die na het nemen van het bestreden besluit zijn aangevoerd en niet als zodanig in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure met betrekking tot het desbetreffende besluitonderdeel naar voren zijn gebracht.

De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] in zijn zienswijze de voor het gehele plan geldende bestemming "Wonen" heeft bestreden. De beroepsgrond van [appellant sub 1] dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit heeft dan ook betrekking op dit besluitonderdeel dat hij in zijn zienswijze heeft bestreden. Gelet op het vorenstaande bestaat geen grond voor het oordeel dat het beroep van [appellant sub 1] in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Inspraak

7. [ appellanten sub 2] betogen dat het plan onzorgvuldig is voorbereid. Hiertoe voeren zij aan dat geen ruimte was voor inspraak, betrokkenheid en participatie bij de planvorming. Volgens hen stonden het gebouwvolume en de vorm en hoogte al vast voordat omwonenden van deze nieuwbouwplannen vernamen.

7.1. Het bieden van inspraak los van de terinzagelegging van het ontwerpplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak heeft daarom in zoverre geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure en het bestemmingsplan.

Het ontwerpplan is blijkens de kennisgeving op 6 december 2018 voor de duur van zes weken ter inzage gelegd. De termijn waarbinnen zienswijzen naar voren konden worden gebracht, eindigde op 17 januari 2019. [appellanten sub 2] hebben op bij de Wro voorgeschreven wijze tijdig kennis kunnen nemen van het plan en hebben daarop kunnen reageren.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de besluitvorming die heeft geleid tot de vaststelling van het plan onzorgvuldig is verlopen.

Het betoog faalt.

Hoogbouw

8. [ appellant sub 1], [appellanten sub 2] betogen dat het plan in strijd is met het gemeentelijk hoogbouwbeleid, zoals dat is neergelegd in de "Structuurvisie Amsterdam 2040, Economisch sterk en Duurzaam" die de raad op 17 februari 2011 heeft vastgesteld en de nota "Hoogbouw in Amsterdam", welke nota onderdeel uitmaakt van de structuurvisie en waarin het beleid voor hoogbouw verder is uitgewerkt. Volgens [appellant sub 1] is ten onrechte van de structuurvisie afgeweken. Verder voeren [appellanten sub 2] aan dat de maximale bouwhoogte van 62 m in strijd is met de nota Hoogbouw. In deze nota is volgens hen duidelijk aangegeven binnen welke gebieden de hoogbouwaccenten langs het IJ kunnen worden gerealiseerd. Het plangebied valt ruim buiten deze gebieden, zodat de raad er ten onrechte van uitgaat dat het plangebied deel uitmaakt van de IJ-oevers.

[appellanten sub 2] zetten verder vraagtekens bij een aantal uitgangspunten in het rapport "Panamalaan Hoogbouweffect rapportage" van 5 maart 2019 (hierna: HER) dat Adviesbureau Peutz heeft opgesteld.

Ten slotte voeren [appellanten sub 2] aan dat niet gemotiveerd is waarom de woontoren Fibonacci met een hoogte van 62 m in harmonie zou zijn met de hoogte van de gebouwen van "Het Funen" die ten westen liggen van het plangebied.

8.1. Op de verbeelding is aan het plangebied de bestemming "Wonen" toegekend. Ingevolge de planregels kent de woontoren Fibonacci een getrapte bouwhoogte van maximaal 14, 23, 36 en 62 m.

8.2. De raad heeft toegelicht dat Amsterdam naar een economisch sterke en duurzaam ingerichte stad streeft. Daarbij vormt het intensiever gebruik van de bestaande stad en tegelijk het openhouden van het landschap één van de doelen. Intensivering van grondgebruik biedt tal van mensen woon- en werkruimte. De raad stelt dat hoogbouw wordt gestimuleerd in de zones langs de Ringweg/Ringlijn, vooral rond ov-knooppunten en in twee (indicatieve) zoekgebieden langs het IJ. Als een initiatief niet in een van deze gebieden ligt, betekent dat volgens de raad niet dat hoogbouw niet mogelijk is. Onder verwijzing naar de HER stelt de raad zich op het standpunt dat het gebouw in de omgeving past en voldoet aan de uitgangspunten van het hoogbouwbeleid. Volgens de raad ligt het plangebied binnen de 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied, zodat een HER moet worden opgesteld. Uit de HER blijkt volgens de raad dat het bouwplan vanuit een aantal relevante locaties niet of nauwelijks zichtbaar is en geen negatief effect heeft op het omliggende stedelijk landschap, de binnenstad (UNESCO-gebied) en andere gebieden van bijzondere waarden.

8.3. Volgens het hoogbouwbeleid is een rapportage over de landschappelijke effecten verplicht gesteld bij hoogbouwinitiatieven vanaf 30 m of twee keer de hoogte in hun directe omgeving binnen de op de hoogbouwkaart aangegeven 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied. De HER dient volgens de structuurvisie onderdeel te zijn van de toelichting op een bestemmingsplan. Op basis van dit rapport zullen de Dienst Ruimtelijke Ordening en Bureau Monumenten en Archeologie het hoogbouwinitiatief toetsen en advies uitbrengen, aldus het hoogbouwbeleid.

8.4. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebouw in de omgeving past en voldoet aan de uitgangspunten van het hoogbouwbeleid.

In de nota Hoogbouw is een kaart "Hoogbouw in Amsterdam" opgenomen waarop zichtbaar is gemaakt waar hoogbouw wordt gestimuleerd. Zo wordt hoogbouw gestimuleerd in de paarse zones langs de Ringweg/Ringlijn, met name rond de ov-knooppunten, en in twee ovale zoekgebieden langs het IJ. Het plangebied valt weliswaar buiten deze zones en zoekgebieden, maar blijkens de nota Hoogbouw zijn de zones en zoekgebieden indicatief. Voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de bouwhoogte heeft de raad een HER laten opstellen. Volgens de HER wordt de woontoren een nieuw visueel oriëntatiepunt in het Oostelijk Havengebied en sluit deze aan op de directe omgeving door middel van een getrapte opbouw. Verder betrekt de Afdeling hierbij dat het plan volgens het advies van de afdeling Ruimte en Duurzaamheid en de afdeling Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam van 26 april 2017 het landelijk landschap niet aantast en dat de bouwhoogte van 62 m geen negatief effect heeft op het omringende stedelijke landschap.

Voor zover [appellanten sub 2] vraagtekens zetten bij een aantal uitgangspunten in de HER, overweegt de Afdeling als volgt. Volgens de HER bevindt de ontwikkeling zich aan de oostzijde van het spoor, waardoor het perceel ruimtelijk gezien niet direct bij het centrumgebied en "Het Funen" hoort. De Panamalaan snijdt de kavel echter ook weer enigszins af van het Veemarktterrein en het Oostelijk Havengebied, wat het perceel een solitair karakter geeft, met vrij veel stedenbouwkundige ruimte aan alle zijdes. Het gebied eromheen kenmerkt volgens de HER zich als een zone waarin de gemiddelde hoogte maximaal rond de 30 m ligt. Dat de hoogte van het Sporenbooggebouw, zoals [appellanten sub 2] stellen, lager is dan 30 m, is niet van doorslaggevend belang en maakt niet dat de raad de HER niet aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen.

Voor zover [appellanten sub 2] aanvoeren dat in de HER een beschouwing van het uitzicht en de privacy voor omwonenden ontbreekt, overweegt de Afdeling dat in de nota Hoogbouw is vermeld dat een HER een onderzoek naar de effecten op uitzicht en privacy kan bevatten. Gelet op het gebruik van het woord ‘kan’ bestaat er geen verplichting om deze aspecten in de HER te betrekken. Dit neemt niet weg dat de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening deze aspecten in zijn beoordeling moet betrekken. Zoals hierna wordt overwogen, heeft de raad dit ook gedaan.

Verder staat in de HER dat het gebouw vanwege de schaal en positie aan de spoorcorridor tevens is gericht op het Rietlandpark. De raad heeft toegelicht dat de bebouwing in de Rietlanden een oriëntatie heeft richting een verkeersknooppunt. De woontoren Fibonacci oriënteert zich op een vergelijkbare wijze richting het Rietlandpark. Anders dan [appellanten sub 2] stellen, is het dus niet zo dat in de HER getracht wordt Fibonacci onderdeel te laten uitmaken van het Rietlandpark.

Wat [appellanten sub 2] voor het overige hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de HER zodanige gebreken of leemten bevat dat de raad zich bij het vaststellen van het plan hier niet op heeft mogen baseren.

Voor zover [appellanten sub 2] aanvoeren dat niet gemotiveerd is waarom de woontoren Fibonacci met een hoogte van 62 m in harmonie zou zijn met de hoogte van de gebouwen van "Het Funen", overweegt de Afdeling dat de raad heeft toegelicht dat de woontoren past in de omgeving, waaronder bij "Het Funen", omdat de woontoren op plintniveau aansluit op de plinten in "Het Funen" en aan de zuid- en westzijde de woontoren de hoogte van "Het Funen" heeft.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in wat [appellanten sub 2] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de maximale bouwhoogte van 62 m in strijd is met het hoogbouwbeleid.

Het betoog faalt.

Alternatieve locatie

9. [ appellant sub 1] betoogt dat ten onrechte niet is gekozen voor een alternatieve locatie voor de ontwikkeling waarin het plan voorziet. Hij wijst in dat verband op het Veemarktterrein dat ten oosten van het plangebied ligt. Volgens hem kan het Veemarktterrein tot woongebied worden bestemd en zou het plangebied kunnen worden bestemd voor stadsverzorgende bedrijvigheid.

9.1. De raad heeft toegelicht dat VORM afspraken heeft gemaakt met NS Vastgoed, die de gronden van het plangebied in eigendom heeft, om ter plaatse woningen te realiseren. Weliswaar is de gemeente Amsterdam eigenaar van het Veemarktterrein, maar de percelen zijn nu in erfpacht uitgegeven aan diverse partijen die de gronden verhuren aan verschillende bedrijven, zodat deze locatie niet kan dienen als alternatief. Verder heeft de raad toegelicht dat de locatie waar de woontoren Fibonacci is beoogd, niet geschikt is voor dienstverlenende bedrijvigheid, aangezien openbare voorzieningen een verkeersaantrekkende werking hebben en dat op deze locatie ongewenst is. De toename van de verkeersdruk die daarmee gepaard zou gaan zou de doorstroming op de Panamalaan negatief beïnvloeden. Een ontsluiting aan de zuidkant op de Zeeburgerdijk zou volgens de raad bovendien tot verkeersonveilige situaties leiden. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet voor een alternatieve locatie behoefde te worden gekozen.

Het betoog faalt.

Geluid

10. [ appellanten sub 2] betogen dat zware geluidwerende maatregelen, zoals dove gevels, nodig zijn voor de woontoren terwijl het Veemarktterrein een geluidluwe locatie is voor woningbouw. Als de woontoren Fibonacci op het Veemarktterrein wordt gerealiseerd, dan hoeven volgens hen geen zware geluidwerende maatregelen te worden getroffen.

10.1. De raad stelt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit op deze grond.

10.2. Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

10.3. [appellanten sub 2] komen met deze beroepsgrond op voor het belang van een goed woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de voorziene woontoren. Zij beroepen zich hiermee op de norm van een goede ruimtelijke ordening die mede betrekking heeft op dit belang. De norm van een goede ruimtelijke ordening strekt in zoverre evenwel niet mede tot bescherming van hun belang. Het belang waarvoor [appellanten sub 2] in deze procedure opkomen betreft het behoud van hun eigen woon- en leefklimaat. [appellanten sub 2] zullen niet in deze woontoren wonen en zijn evenmin eigenaar van deze woontoren. De door hen ingeroepen norm strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van hun belang. Gelet op het vorenstaande kan het betoog van [appellanten sub 2] op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling zal dit betoog daarom niet inhoudelijk bespreken.

Voor zover [appellanten sub 2] ter zitting hebben aangevoerd dat zij geluidoverlast zullen ervaren vanwege de reflectie van geluid vanwege de woontoren, stelt de Afdeling vast dat zij deze beroepsgrond niet in hun beroepschrift en pas na afloop van de termijn voor het instellen van beroep naar voren hebben gebracht. Gelet op artikel 1.6a van de Chw laat de Afdeling deze grond daarom buiten beschouwing.

Woon- en leefklimaat

11. [ appellant sub 1], [appellanten sub 2] betogen dat het plan leidt tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Hiertoe voeren zij aan dat zij vanwege de bouwhoogte van de hoogste woontoren met een hoogte van 62 m hun vrije uitzicht vanuit hun woning over het spoor en het Oostelijk Havengebied verliezen. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] wijzen onder verwijzing naar de plantoelichting van het bestemmingsplan "Czaar Peterbuurt Oost" erop dat het gebouw Sporenboog waarin zij wonen destijds langs de spoorlijn mocht worden gebouwd en dat het vrije uitzicht ter compensatie daarvan diende.

Verder voeren [appellanten sub 2] aan dat hun privacy wordt aangetast. Zij vrezen inkijk van bewoners van de voorziene woontoren in hun woning en dakterras. De privacyschermen op het dak zijn volgens hen niet opgewassen tegen een gebouw met een hoogte van 62 m.

[appellanten sub 2] voeren voorts, onder verwijzing naar de daglichtnorm NEN-EN 17037 "Daglicht in gebouwen", aan dat het plan leidt tot een forse vermindering van zon- en daglicht in hun woning. Zij wijzen erop dat als gevolg daarvan hun woonkamer somber en donker wordt, aangezien hun woonkamer direct aan het spoor ligt. Het gebouw torent hoog boven het Sporenbooggebouw uit en blokkeert ook aan de parkzijde zon- en daglicht in hun woning, aldus [appellanten sub 2].

11.1. Aan het plangebied is de bestemming "Wonen" toegekend. Op grond van de planregels liggen de in het plan toegekende maximale bouwhoogten van de woontoren tussen 14 m en 62 m. Het deel van de woontoren met een hoogte van 62 m is tegenover de woningen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] gesitueerd. [appellant sub 1], [appellanten sub 2] wonen op een afstand van ongeveer 67 m van de voorziene woontoren. De Afdeling stelt vast dat na realisatie van de woontoren het uitzicht van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] zal wijzigen, wat de raad ook heeft onderkend. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen echter in het algemeen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft toegelicht dat rekening is gehouden met de belangen van omwonenden, maar dat hij meer gewicht toekent aan het ontwikkelen van meer woonruimte gelet op de grote vraag daarnaar. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1], [appellanten sub 2] hebben aangevoerd, geen aanleiding voor het oordeel dat de aantasting van de privacy en het uitzicht zodanig is dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan aan de belangen die met de realisering van het plan aan de orde zijn. Daartoe is onder meer van belang dat de ontwikkeling is voorzien in een stedelijk gebied en geen recht bestaat op blijvend vrij uitzicht. Verder heeft de raad toegelicht dat ondanks de bouwhoogte nog steeds sprake zal zijn van uitzicht vanuit verschillende gezichtspunten vanwege de getrapte vorm van het gebouw. Voor zover wordt verwezen naar de plantoelichting van het bestemmingsplan "Czaar Peterbuurt Oost", overweegt de Afdeling dat een plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel is van een bestemmingsplan. In zoverre kan hieraan niet het gewicht worden gehecht dat [appellant sub 1], [appellanten sub 2] daaraan gehecht wensen te zien. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van privacy en uitzicht.

Het betoog faalt in zoverre.

11.2. Wat betreft de stelling van [appellanten sub 2] dat het plan leidt tot een forse vermindering van zon- en daglicht in hun woning, overweegt de Afdeling als volgt.

Ten behoeve van de vaststelling van het plan heeft de raad een bezonningsstudie laten uitvoeren om te bepalen welke effecten de voorziene ontwikkeling heeft op de bestaande bebouwing in de omgeving. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Bezonningsstudie woongebouw Panamalaan" van 19 maart 2019 (hierna: bezonningsstudie) van Adviesbureau Peutz. In de bezonningsstudie is voor het aantal zonuren per dag in een woning in beginsel de zogenoemde lichte TNO-norm als uitgangspunt gehanteerd. Deze norm gaat uit van minimaal 2 bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober.

De raad stelt onder verwijzing naar de bezonningsstudie dat de afname van zon- en daglicht aanvaardbaar is. Volgens de bezonningsstudie blijven alle appartementen in de toekomstige situatie boven de TNO-norm van minimaal 2 uur zon per dag. De meeste appartementen ontvangen ongeveer 4 tot 6 uur zon per dag (dus gemiddeld 1 uur minder zon dan in de bestaande situatie), aldus de bezonningsstudie. De ontwikkeling die het plan mogelijk maakt heeft volgens de bezonningsstudie geen invloed op de bezonning aan de westzijde van het Sporenbooggebouw. Verder volgt uit de bezonningsstudie dat de schaduwwerking van de voorziene woontoren op de naastgelegen appartementen in "Het Funen" en ook op het Sporenbooggebouw in de ochtend plaatsvindt. [appellanten sub 2] hebben de conclusies uit de bezonningsstudie niet inhoudelijk bestreden. Wat zij hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de bezonningsstudie onzorgvuldig tot stand is gekomen. De verwijzing van [appellanten sub 2] naar de figuren in hun nadere stuk van 4 maart 2020, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wordt van belang geacht dat niet duidelijk is welke gegevens zijn ingevoerd om tot de in beeld gebrachte schaduwhinder te komen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich, onder verwijzing naar de bezonningsstudie, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de vermindering van zon- en daglicht in een stedelijk gebied niet onaanvaardbaar is. Gelet op de resultaten uit de bezonningsstudie, ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de vermindering van de lichtinval in een stedelijk gebied niet in redelijkheid aanvaardbaar heeft kunnen achten.

Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

12. [ appellant sub 1] betoogt dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit. Hij wijst erop dat aan de hand van de monitoringstool 2017 van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied wordt gegeven. De hoogste concentraties bevinden zich ten westen van de Panamalaan ter hoogte van het voormalige wachtershuis dat binnen het plangebied ligt. Deze metingen zijn volgens [appellant sub 1] echter van een tijd geleden, hebben niet aan de westkant van de spoorlijn plaatsgevonden en geven geen inzicht in het Programma Hoogfrequent Spoor dat ProRail aan het uitvoeren is, en dat bijna tot een verdubbeling van het aantal goederentreinen gaat leiden.

12.1. VORM stelt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit op deze grond.

12.2. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 1] aldus dat hij aanvoert dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit in het plangebied.

12.3. Zoals onder 10.2 is overwogen, mag de bestuursrechter een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van appellant. [appellant sub 1] komt met deze beroepsgrond op voor het belang van een goed woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de voorziene woontoren die het plan mogelijk maakt. Hij beroept zich hiermee op de norm van een goede ruimtelijke ordening die mede betrekking heeft op dit belang. De norm van een goede ruimtelijke ordening strekt in zoverre evenwel niet mede tot bescherming van zijn belang. Het belang waarvoor [appellant sub 1] in deze procedure opkomt betreft het behoud van zijn eigen woon- en leefklimaat. [appellant sub 1] zal niet in deze woontoren wonen en is evenmin eigenaar van deze woontoren. De door [appellant sub 1] ingeroepen norm strekt daarom kennelijk niet tot bescherming van zijn belang. Gelet op het vorenstaande kan het betoog van [appellant sub 1] op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het plan. De Afdeling zal dit betoog daarom niet inhoudelijk bespreken.

Conclusie en proceskosten

13. De beroepen zijn ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Driel, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Driel
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2020

414-877.