Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1521

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-07-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
201908454/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft de raad van de gemeente Middelburg het bestemmingsplan "Studentenhuisvesting Kanaalweg" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet op het perceel Kanaalweg 2-18 in studentenhuisvesting met een maximum bouwhoogte van 27,5 m. Het plan beoogt te voorzien in 119 appartementen (117 tweekamerappartementen voor maximaal 2 personen en 2 eenpersoonsappartementen). Het plangebied ligt tussen de Kanaalweg, de Schroeweg, het station en de spoorlijn Middelburg-Vlissingen. Woongoed is initiatiefnemer van de voorziene ontwikkeling. De omgevingsvergunning is verleend aan Woongoed en ziet op het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de studentenhuisvesting. Verder heeft het college hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor het gebouw. [appellant] en anderen wonen circa 65 m tot 75 m ten zuiden van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning, omdat zij onder meer vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908454/1/R1.
Datum uitspraak: 1 juli 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Middelburg,

en

1. de raad van de gemeente Middelburg,

2. het college van burgemeester en wethouders van Middelburg,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Studentenhuisvesting Kanaalweg" vastgesteld.

Bij besluit van 22 oktober 2019 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van studentenhuisvesting op het perceel plaatselijk bekend als Kanaalweg 2-18 te Middelburg.

Deze besluiten zijn gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met toepassing van de artikelen 3.30 en 3.32 van de Wet ruimtelijke ordening.

Tegen het besluit van 10 oktober 2019 en het besluit van 22 oktober 2019 hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.

Woningcorporatie Woongoed Middelburg (hierna: Woongoed) heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De raad, het college, [appellant] en anderen en Woongoed hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heeft gesloten.

Overwegingen

1. Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen, heeft de zitting van 3 april 2020 geen doorgang kunnen vinden. De Afdeling heeft besloten om de zaak met toepassing van artikel 8:57 van de Awb zonder zitting af te doen.

Inleiding

2. Het bestemmingsplan voorziet op het perceel Kanaalweg 2-18 in studentenhuisvesting met een maximum bouwhoogte van 27,5 m. Het plan beoogt te voorzien in 119 appartementen (117 tweekamerappartementen voor maximaal 2 personen en 2 eenpersoonsappartementen). Het plangebied ligt tussen de Kanaalweg, de Schroeweg, het station en de spoorlijn Middelburg-Vlissingen. Woongoed is initiatiefnemer van de voorziene ontwikkeling. De omgevingsvergunning is verleend aan Woongoed en ziet, voor zover van belang, op het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de studentenhuisvesting. Verder heeft het college hogere geluidgrenswaarden vastgesteld voor het gebouw.

3. [ appellant] en anderen wonen circa 65 m tot 75 m ten zuiden van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning, omdat zij onder meer vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Bestemmingsplan

Zienswijze

4. [ appellant] en anderen stellen dat hun zienswijze voor zover die betrekking heeft op het aantal studenten dat huisvesting zoekt, geschikte locaties om de leegstand in Middelburg tegen te gaan en het gebruik maken van bestaande planologische mogelijkheden onbeantwoord is gebleven.

4.1. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] en anderen aldus dat de wijze waarop de raad de door hen naar voren gebrachte zienswijze heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijze samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning voor een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

Het betoog faalt.

Toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ladder voor duurzame verstedelijking

6. [ appellant] en anderen betogen dat de raad zijn motiveringsplicht in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking heeft geschonden ten aanzien van de onderbouwing van de behoefte van de ontwikkeling met het oog op studentenhuisvesting. Ter onderbouwing wijzen zij erop dat in tabel 3.1 van de plantoelichting is vermeld dat in totaal 350 studenten in Middelburg naar huisvesting zoeken, maar dat zij op een aantal van 252 studenten die naar studentenhuisvesting zoeken uitkomen. De raad heeft verder ten onrechte niet toegelicht waar hij de percentages van de toename van het aantal studenten op heeft gebaseerd, aldus [appellant] en anderen. Voorts betogen [appellant] en anderen dat de raad ten onrechte de behoefte niet heeft afgewogen tegen het bestaande aanbod en de planologische capaciteit in de gemeente. Zij wijzen in dit verband op de kantoorlocatie aan de Buitenruststraat, leegstaande gebouwen aan de Schroeweg en woonruimte boven het winkelcentrum Dauwendaele en op het gegeven dat een studentencampus gebouwd zal worden in het voormalige Delta kantoor.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, aangezien het vorige plan reeds bebouwing op de gronden binnen het voorliggende plangebied toestond. Als het voorgaande niet wordt gevolgd, stelt de raad dat de behoefte aan de voorziene studentenhuisvesting is aangetoond, mede in verband met een stijging van het aantal (internationale) studenten in de komende jaren. Verder is de voorziene ontwikkeling niet inpasbaar binnen de bestaande leegstand, aldus de raad.

6.2. Artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) luidt, voor zover van belang:

"stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van […] woningbouwlocaties […];"

Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

6.3. Niet in geschil is dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro.

6.4. De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de voorgenomen ontwikkeling dient te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Zoals de Afdeling reeds heeft overwogen in haar overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, inzake artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, moet bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling dient te worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologisch beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Bij deze vergelijking dienen de onbenutte planologische mogelijkheden die in het voorgaande bestemmingsplan bij recht waren voorzien te worden betrokken.

6.5. Aan de gronden binnen het plangebied is de bestemming "Wonen - studentenhuisvesting" toegekend. Op deze locatie binnen het plangebied rusten drie aanduidingen "bouwvlak", een is gesitueerd in het oosten, een in het westen en in het midden. In het vorige bestemmingsplan "Binnenstad", dat is vastgesteld op 15 december 2015, was aan de gronden binnen het plangebied de bestemming "Kantoor" en deels de functieaanduiding "wonen" toegekend. Op deze locatie binnen het plangebied rustten eveneens drie aanduidingen "bouwvlak", die op dezelfde locatie waren gesitueerd als in de voorliggende situatie. Gelet op het voorgaande stelt de Afdeling vast dat het voorliggende plan ten opzichte van het vorige plan geen nieuw planologisch ruimtebeslag, maar wel een planologische functiewijziging mogelijk maakt. In beginsel is hiermee nog geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, tenzij de planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was.

6.6. Voor de beantwoording van de vraag of de planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, acht de Afdeling van belang dat de met het plan mogelijk gemaakte studentenhuisvesting een andere ruimtelijke uitstraling heeft dan de in het vorige plan toegestane kantoorfunctie in de zin dat studentenhuisvesting naar zijn aard in beginsel niet uitsluitend tijdens de dagperiode bedrijvigheid met zich meebrengt. Voorts was op grond van artikel 23, lid 23.1, aanhef en onder d, van het plan "Binnenstad", dat is vastgesteld op 15 december 2015, aan de gronden die overeenkomen met het voorliggende plangebied ter plaatse van het middelste bouwvlak de functieaanduiding "wonen" toegekend ter plaatse waarvan maximaal 48 woningen - waarbij overigens studentenwoningen niet waren uitgesloten - konden worden gerealiseerd. Het voorliggende plan voorziet volgens de plantoelichting in 119 appartementen (117 tweekamerappartementen voor maximaal 2 personen en 2 eenpersoon appartementen). Ingevolge het voorgaande en het voorliggende bestemmingsplan waren onderscheidenlijk zijn (studenten)woningen planologisch toegestaan, maar het aantal toegestane woningen in het voorliggende plan neemt substantieel toe ten opzichte van het vorige plan.

Gelet op het voorgaande brengt de wijziging van het toegestane gebruik van de gronden binnen het plangebied, gelet op de aard en omvang van de wijziging, naar het oordeel van de Afdeling met zich dat het voorliggende plan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het standpunt van de raad wordt dan ook niet gevolgd.

6.7. Nu het plan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling verplicht artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro het betrokken bestuursorgaan om in de toelichting bij een bestemmingsplan de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling te beschrijven. In paragraaf 3.2 van de plantoelichting is overwogen dat een groeiende behoefte bestaat aan studentenhuisvesting in Middelburg. In tabel 3.1 is voor de jaren 2016-2017 een overzicht gegeven van het aantal studenten van de Academie voor Technologie & Innovatie en de Delta Academy. Deze aantallen bedragen respectievelijk 760 en 398 studenten. Verder staat in de tabel opgenomen welk percentage van deze studenten op kamers woont. De raad heeft toegelicht dat de percentages zijn gebaseerd op ervaringscijfers die zijn verstrekt door de Raad van Bestuur van de HZ University of Applied Sciences. In tabel 3.1 staat voor het jaar 2017 vermeld dat 100% van de 205 studenten uit het buitenland huisvesting zoekt, 5% van de 653 studenten uit Zeeland (dat komt neer op 33 studenten) huisvesting zoekt, en 15% van de 90 studenten uit West-Brabant/Goeree Overflakkee (dat komt neer op 14 studenten) huisvesting zoekt. Uit het voorgaande volgt dat, zoals [appellant] en anderen terecht stellen, 252 studenten huisvesting in Middelburg zoeken. Bij dit aantal moet, zoals de raad in het verweerschrift heeft toegelicht, een aantal van 50% van de 210 studenten uit de rest van Nederland (dat komt neer op 105 studenten) die huisvesting zoeken, worden opgeteld. Het totaal aantal studenten dat huisvesting zoekt komt daarmee neer op 357 studenten. In de plantoelichting staat vermeld dat 350 studenten behoefte hebben aan studentenhuisvesting. Voorts is uit nadere door de raad overgelegde gegevens naar voren gekomen dat het aantal studenten dat huisvesting in Middelburg zoekt in 2018 neerkomt op 366 studenten en in 2019 op 379 studenten. Verder heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat, hoewel het aantal studenten uit Zeeland in de komende jaren licht zal dalen, het aantal studenten uit het buitenland en van buiten Zeeland in de komende jaren juist zal stijgen. Ten aanzien van de planologische capaciteit heeft de raad toegelicht dat momenteel een aanbod van 600 studentenkamers in Middelburg aanwezig is, dat is gesitueerd in 4 verschillende campussen, te weten de Bachtensteene Campus (120 kamers), de Roggeveenhof Campus (180 studenten), Koestraat Campus (120 kamers) en enkele flexibele campuslocaties (63 kamers). Deze studentenkamers zijn exclusief voor de 600 studenten van de Roosevelt Academy, hetgeen ertoe leidt dat er niet tot nauwelijks overig aanbod aan studentenhuisvesting beschikbaar is.

Over het betoog van [appellant] en anderen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar bestaande gebouwen die voor huisvesting gebruikt kunnen worden, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, dat in de beschrijving van de behoefte tot uitdrukking moet komen dat deze behoefte is afgewogen tegen het bestaande aanbod, waarbij ook de planologische capaciteit een factor van belang kan zijn. Bij de beoordeling van het bestaande aanbod hoeft geen rekening te worden gehouden met voornemens voor stedelijke ontwikkeling die ten tijde van de vaststelling van het plan onvoldoende concreet waren, of met gegevens die niet als voldoende vaststaand kunnen worden aangemerkt.

In dit verband is van belang dat de raad heeft toegelicht dat alle leegstaande panden in Middelburg kantoorpanden betreffen. Momenteel staan 26 kantoorpanden leeg, waarvan 6 kantoorpanden met elk een minimale vloeroppervlakte van 1.500 m2. Geen van deze leegstaande panden voorzien in een met het oog op 117 tweekamerappartementen en 2 eenpersoons appartementen benodigde vloeroppervlakte van 7.000 m2 op één locatie. Verder ligt een deel van de leegstaande panden op een dusdanige afstand van de onderwijsgebouwen dat geen geïntegreerde woon- en studieomgeving gerealiseerd kan worden. De raad heeft er ten aanzien van het Delta kantoor op gewezen dat geen begin is gemaakt met planologische besluitvorming die nodig is om studentenhuisvesting ter plaatse hiervan mogelijk te maken. Voorts heeft de raad erop gewezen dat als gevolg van een toename van studenten de vraag naar studentenhuisvesting toeneemt, zodat - ondanks het voorliggende plan - behoefte blijft bestaan aan studentenhuisvesting. Evenmin is gebleken dat voor de kantoorlocaties aan de Buitenruststraat, leegstaande gebouwen aan de Schroeweg en woonruimte boven het winkelcentrum Dauwendaele een begin met planologische besluitvorming omtrent studentenhuisvesting is gemaakt.

Gelet op het voorgaande overweegt de Afdeling dat bij de beoordeling van de behoefte aan het voorliggende plan geen rekening met voornoemde locaties hoeft te worden gehouden.

6.8. De Afdeling acht het standpunt van de raad dat groeiende behoefte bestaat aan studentenhuisvesting in Middelburg gelet op al het voorgaande niet onredelijk. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geeft naar haar oordeel geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de vraag naar studentenhuisvesting en de bestaande mogelijkheden om daarin te voorzien. De raad heeft daarmee voldaan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

Het betoog faalt.

Geluidoverlast

7. [ appellant] en anderen vrezen voor geluidoverlast als gevolg van het gebruik van de balkons en het dakterras die in het bouwplan zijn voorzien. Volgens hen nodigen de balkons en het dakterras uit tot veelvuldig en langdurig verblijf. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van hun woningen is volgens [appellant] en anderen op dit moment niet gewaarborgd. De raad had daarom onderzoek moeten doen naar de gevolgen van het gebruik van de balkons en het dakterras voor hun woon- en leefklimaat. Zij wijzen er in dit verband op dat de raad hetgeen staat vermeld in de nota van zienswijze namelijk dat het gedeeltelijk afdekken van de galerijen met zonnepanelen en dakterrassen omgeven door een glazen pui moet zorgen voor demping van het geluid, ten onrechte niet heeft onderbouwd.

7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de geluidwerende maatregelen op de voorziene studentenhuisvesting eveneens een dempende werking hebben op het geluid in de omgeving van de voorziene studentenhuisvesting als gevolg van het geluid dat door de studenten wordt veroorzaakt. Verder benadrukt de raad dat de omgeving van het plangebied geen rustige omgeving betreft. De woningen van [appellant] en anderen liggen in de directe nabijheid van het spoor, het station, de Kanaalweg, de Schroeweg, de belangrijkste toegangsweg tot Middelburg en een parkeerterrein, aldus de raad. Verder wijst de raad op de ruime afstand tussen de voorziene studentenhuisvesting en de woningen van [appellant] en anderen.

7.2. Naar aanleiding van een zienswijze van [appellant] en anderen is in het rapport "Akoestisch onderzoek weg- en railverkeerslawaai ter plaatse van de ontwikkelingslocatie Studentenhuisvesting aan de Kanaalweg in Middelburg" van ingenieursbureau Metz van 19 februari 2019 (hierna: akoestisch onderzoek) verslag gedaan van de inpasbaarheid van de studentenhuisvesting met het oog op de geluidbelasting voor het wegverkeer en het railverkeerslawaai. In het akoestisch onderzoek wordt geadviseerd 1,8 m hoge geluidafscherming langs de randen van de daktuin te plaatsen om te voldoen aan de voorkeurswaarde voor weg- en railverkeerslawaai. Deze maatregelen zijn erop gericht de geluidbelasting vanwege het spoor- en wegverkeerslawaai op de studenten te beperken.

De raad heeft toegelicht dat het dak van de voorziene bebouwing zich op twee niveaus bevindt. Op het laagst gelegen dak van elk gebouw wordt een dakterras gerealiseerd. Deze buitenruimten zijn afgeschermd met een glazen pui van 2 m hoog als bedoeld in het akoestisch onderzoek die op 1,5 m van de dakrand zal worden gerealiseerd, aldus de raad.

In de memo "Studentenhuisvesting Kanaalweg Middelburg" van 6 februari 2020 (hierna: aanvullende memo akoestisch onderzoek) is verslag gedaan van de gevolgen van de glazen pui op de gevel van de dichtstbijzijnde woningen, waaronder de woningen van [appellant] en anderen. In de aanvullende memo staat beschreven dat is getoetst aan de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten uit 2009 (hierna: de VNG-brochure). Verder staat in de aanvullende memo akoestisch onderzoek beschreven dat voor de te hanteren richtafstand is aangesloten bij een "veldsportcomplex (met verlichting)" en staat in de aanvullende memo akoestisch onderzoek dat het karakter van de omgeving aanleiding heeft gegeven om te spreken van een gemengd gebied. Gelet hierop bedraagt de richtafstand 30 m, zodat wat de woningen van [appellant] en anderen betreft wordt voldaan aan de richtafstand. In de aanvullende memo akoestisch onderzoek staat verder vermeld wat het effect is van de glazen pui op de geluidbelasting op de omliggende woningen ingeval zich gedurende de gehele avond 150 personen op de dakterrassen ophouden. In de situatie zonder glazen pui bedraagt het hoogste niveau op de gevel van de woning op het perceel Segeerssingel 1 gemiddeld 47 dB(A) en op de gevel van de woning op het perceel Segeerssingel 3 44 dB(A). In de situatie met glazen pui is het geluidniveau respectievelijk 41 dB(A) en 37 dB(A). Volgens de aanvullende memo akoestisch onderzoek heeft de glazen pui gelet op de voornoemde resultaten een dempende werking op de geluidbelasting in de omgeving van de voorziene bebouwing. De Afdeling kan in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding vinden voor het oordeel dat de raad zich niet heeft mogen baseren op de aanvullende memo akoestisch onderzoek.

Gelet op het voorgaande kan in wat [appellant] en anderen hebben aangevoerd naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding worden gevonden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de toegestane studentenhuisvesting geen onevenredige aantasting zal meebrengen voor het woon- en leefklimaat in de zin van geluidoverlast.

Overigens merkt de Afdeling op dat ingeval sprake is van ontoelaatbare overlast van studenten, voor zover dat in strijd met de openbare orde gebeurt, door de politie handhavingsinstrumenten kunnen worden ingezet.

Het betoog faalt.

Uitzicht, lichthinder en privacy

8. [ appellant] en anderen vrezen dat het plan zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat vanwege een verslechtering van hun uitzicht en lichthinder. Zij wijzen erop dat in het vorige plan weliswaar kantoorpanden mochten worden opgericht, maar de studententorens in het voorliggende plan hoger zijn en een andere ruimtelijke uitstraling hebben. Zij stellen voorts dat de raad ten onrechte geen onderzoek naar de gevolgen voor het uitzicht heeft overgelegd.

[appellant] en anderen betogen verder dat hun privacy op onaanvaardbare wijze wordt aangetast. Ter onderbouwing wijzen zij erop dat vanuit de woontoren direct zicht is op hun percelen. Verder zijn de maatregelen, zoals het afdekken van de galerijen met zonnepanelen en de glazen pui op ten minste 1,5 m van de dakrand die de dakterrassen omgeeft, volgens [appellant] en anderen niet voldoende om de aantasting van privacy te beperken. Zij stellen dat deze maatregelen ten onrechte niet zijn geborgd in het plan. Ook betogen zij dat als de bomen tussen het plangebied en hun percelen in bloei staan het zicht op de voorziene bebouwing weliswaar wordt beperkt, maar dit niet betekent dat er geen zichtlijnen op de voorziene bebouwing zijn. De raad heeft verder ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de aantasting van privacy, aldus [appellant] en anderen.

8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het plan, mede gelet op de afstand van de woningen van [appellant] en anderen tot aan de voorziene bebouwing, in zoverre niet tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat zal leiden.

8.2. Artikel 23, lid 23.2.1, aanhef en onder a, sub 1, van het plan "Binnenstad", dat is vastgesteld op 15 december 2015, luidde:

"Op deze gronden worden gebouwd; 1. Ter plaatse van het bouwvlak:

a. hoofdgebouwen;

b. overige bouwwerken;

c. bijbehorende bouwwerken."

Artikel 23, lid 23.2.2, luidde:

"De goothoogte, bouwhoogte, de oppervlakte en/ of inhoud van een hoofdgebouw, bijbehorend bouwwerk of overig bouwwerk, bedragen ten hoogste:

Artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a en b, van de planregels van het voorliggende plan luidt:

"Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

a. gebouwen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b. de bouwhoogte bedraagt ten hoogste de met de aanduiding ‘maximum bouwhoogte (m)’ aangegeven bouwhoogte."

8.3. In het vorige plan was aan de gronden van het plangebied de bestemming "Kantoor" toegekend met de maatvoering "maximum bouwhoogte" variërend van 3 m, 13 m, 17 m, 21 m en 27 m. Op grond van artikel 23, lid 3.2.1, van de planregels van het plan "Buitengebied" mocht uitsluitend binnen de drie aan het plangebied toegekende bouwvlakken gebouwd worden. Aan de gronden van het plangebied is de bestemming "Wonen - Studentenhuisvesting" toegekend met de maatvoering "maximum bouwhoogte (m)" variërend van 3 m, 5 m, 16 m, 19 m, 22 m tot aan 27,5 m. Op grond van artikel 4, lid 4.2.2, aanhef en onder a, van de planregels mogen gebouwen eveneens uitsluitend binnen de drie bouwvlakken worden gebouwd.

8.4. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De bestaande planologische mogelijkheden vormen daarbij een af te wegen belang.

De Afdeling stelt op basis van hetgeen is overwogen onder 8.3 vast dat de bouwhoogten van het plan "Binnenstad", dat is vastgesteld op 15 december 2015, niet volledig overeenkomen met de bouwhoogten van het thans vastgestelde plan. De verschillen zijn echter niet van dien aard dat daaraan doorslaggevende betekenis had moeten worden toegekend. Verder komen de bouwvlakken in het voorliggende plan overeen met de bouwvlakken in het vorige plan.

Voor zover [appellant] en anderen in dit verband betogen dat hun uitzicht wordt aangetast, overweegt de Afdeling het volgende. Vast staat dat [appellant] en anderen op dit moment een vrij uitzicht hebben aan de achterkant van hun woningen. Het toegestane gebruik van deze gronden kon in het vorige plan en kan in het thans vastgestelde plan dit uitzicht belemmeren. De Afdeling overweegt voorts dat geen recht bestaat op een blijvend ongestoord uitzicht. Dit neemt niet weg dat de raad het belang dat [appellant] en anderen bij het behoud van hun uitzicht heeft moeten betrekken in zijn belangenafweging. Dit belang is door de raad in zijn belangenafweging onderkend. Hierbij heeft de raad de afstanden vanaf de woningen van [appellant] en anderen tot aan de voorzien gebouwen in het plangebied betrokken. De afstand van de woning op het perceel Segeerssingel 3 tot aan de voorziene gebouwen varieert tussen ongeveer 75 m en 139 m. De afstand van de woning op het perceel Segeerssingel 5 tot aan de voorziene gebouwen varieert tussen 85 m en 136 m.

Wat betreft de vrees voor lichthinder heeft de raad toegelicht dat het in de omgeving van het plangebied gaat om een binnenstedelijke omgeving, zodat de grenswaarden voor lichthinder hoger zijn. Verder wordt het licht volgens de raad door lichtwerende maatregelen, zoals het monteren van de galerijverlichting aan de achterzijde van de zonnepanelen, verminderd.

8.5. Ten aanzien van hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd in het kader van de aantasting van hun privacy, overweegt de Afdeling het volgende.

De raad heeft toegelicht dat het woongedeelte van de woontorens, afgezien van de keukens, is gericht op de noordkant richting het Kanaal en niet op de achterkant richting de woningen van [appellant] en anderen. Verder heeft de raad erop gewezen dat aan het gebouw aan de zijde van de woningen van [appellant] en anderen galerijen worden gerealiseerd, maar dat deze niet als verblijfsruimte worden ingericht. Met het oog op het tegengaan van de aantasting van de privacy zullen nadere maatregelen worden genomen, zoals het afdekken van de galerijen met een glazen pui van 2 m hoog op tenminste 1,5 m van de dakrand.

Het is weliswaar niet uitgesloten dat de privacy van omwonenden in enig opzicht wordt aangetast als gevolg van het plan, maar naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op het vorenstaande en op de onder 8.4 vermelde afstanden tussen de voorziene bebouwing en de woningen van [appellant] en anderen in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de privacy van [appellant] en anderen door de voorziene studentenhuisvesting niet zodanig zal worden aangetast dat het plan voor hen in zoverre onevenredig nadelige gevolgen heeft. Het betoog dat de bomen tussen de percelen van [appellant] en anderen en de voorziene bebouwing niet bijdragen aan de bescherming van de privacy, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.

Waar [appellant] en anderen betogen dat het afdekken van de galerijen met zonnepanelen en de glazen pui niet in het plan zijn geborgd, oordeelt de Afdeling dat de raad daarvoor gelet op het voorgaande geen aanleiding heeft hoeven zien.

8.6. De Afdeling ziet, gelet op het vorenstaande, in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de situering van de bouwvlakken, de hoogten van de gebouwen en de verlichting tot een zodanige aantasting van het woon- en leefklimaat in de zin van uitzicht, lichthinder en privacy leidt dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen. De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor de conclusie dat de raad ten onrechte geen onderzoeken heeft overgelegd naar de aantasting van het uitzicht en privacy.

Het betoog faalt.

Omgevingsvergunning

9. De Afdeling stelt vast dat [appellant] en anderen tegen de omgevingsvergunning geen andere beroepsgronden hebben aangevoerd dan die zijn aangevoerd tegen het plan. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning ten onrechte heeft verleend.

Conclusie

10. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 juli 2020

91-890.