Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1489

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
202001130/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 oktober 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 16 oktober 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellante] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op woensdag 16 oktober 2019, een dag na de inzameldag, is aangetroffen op straat ter hoogte van de Laan 3M in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een tot haar adres herleidbaar poststuk is aangetroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001130/1/R4.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2019 heeft het college zijn beslissing om op 16 oktober 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 17 januari 2020 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2020, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door D. Khougiani, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak die op woensdag 16 oktober 2019, een dag na de inzameldag, is aangetroffen op straat ter hoogte van de Laan 3M in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een tot haar adres herleidbaar poststuk is aangetroffen.

1.1.    In artikel 10 van de Afvalstoffenverordening 2010 is bepaald dat het college de dagen en tijden vaststelt waarop categorieën huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling kunnen worden aangeboden en dat het verboden is huishoudelijke afvalstoffen op andere dagen en tijden ter inzameling aan te bieden.

    In artikel 7, tweede lid, van de Regeling uitvoering Afvalstoffenverordening 2010 Den Haag 2018 is bepaald dat het aanbieden van inzamelmiddelen is toegestaan vanaf 22:00 uur op de avond voorafgaand aan de dag van inzameling tot 7:45 uur op de dag van inzameling zelf.

2.    [appellante] betwist niet dat de huisvuilzak van haar afkomstig is, maar stelt dat zij hem op de juiste dag en tijd heeft aangeboden en dat de ophaaldienst hem niet heeft opgehaald. Zij stelt dat zij de huisvuilzak heeft aangeboden op maandag 14 oktober 2019 om 22:00 uur, de avond voorafgaand aan de wekelijkse inzameldag op dinsdag. Zij voert aan dat zij de huisvuilzak niet te laat kan hebben aangeboden omdat zij vanaf dinsdagochtend 15 oktober 2019 een week op vakantie is geweest. Dit onderbouwt zij met vliegtickets en de reishistorie van haar ov-chipkaart. Uit deze reishistorie blijkt dat zij die ochtend om 08:34 uur heeft ingecheckt in een tram bij een halte op enkele minuten lopen vanaf haar adres. Ter zitting heeft zij hieraan toegevoegd dat de ophaaldienst op dit tijdstip gewoonlijk nog niet is langsgekomen. Zij stelt dat zij dit heeft nagevraagd bij een medewerker van de bewaakte fietsenstalling op de hoek van haar straat, maar dat zij hier geen bewijs van heeft, omdat zij deze medewerker later niet meer heeft kunnen bereiken door de sluiting van de fietsenstalling vanwege de uitbraak van het coronavirus COVID-19.

    Zij wijst er verder op dat zij woont aan een slecht zichtbare doodlopende straat, waardoor het volgens haar aannemelijk is dat de ophaaldienst enkel het huisvuil aan het begin daarvan heeft opgehaald en haar huisvuilzak verderop in de straat over het hoofd heeft gezien. Ter zitting heeft zij, onder verwijzing naar haar huurcontract, toegelicht dat zij kort daarvoor was verhuisd naar deze straat en dat dit de eerste keer was dat zij daar haar huisvuil had aangeboden. Later heeft zij van de andere bewoners van de straat vernomen dat zij hun huisvuil altijd, om de vuilnisophalers ter wille te zijn, geclusterd op één plek aan het begin van de straat aanbieden.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    [appellante] heeft met de door haar overgelegde vliegtickets en reishistorie aangetoond dat zij op de ophaaldag rond 08:15 uur van huis is vertrokken naar de tramhalte vanwaar zij naar het vliegveld is gereisd voor een vliegvakantie van één week.

    In het besluit van 17 januari 2020 heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij het huisvuil binnen de gestelde tijd, namelijk van maandagavond 22:00 uur tot dinsdagochtend 07:45 uur, heeft aangeboden. Ter zitting heeft het college toegelicht dat [appellante] mogelijk haar huisvuilzak heeft aangeboden op dinsdagochtend tussen 07:45 en 08:15 uur, nadat de ophaaldienst al was geweest. Volgens het college is het niet uitgesloten dat de ophaaldienst eerder dan 08:15 uur bij de straat van [appellante] is geweest. Het college heeft dit echter niet kunnen vaststellen en heeft niet weersproken dat de ophaaldienst gewoonlijk op dat tijdstip nog niet langs is geweest. Hoewel het niet is uitgesloten dat de ophaaldienst in dit geval eerder was dan gebruikelijk en [appellante] haar huisvuilzak pas daarna heeft aangeboden voordat zij van huis vertrok, is de kans klein dat dit zich precies zo heeft voorgedaan.

    [appellante] heeft verder met haar huurcontract aangetoond dat zij haar woning sinds 1 oktober 2019 huurt. Gelet daarop is het niet onaannemelijk dat zij op 14 of 15 oktober voor het eerst daar huisvuil heeft aangeboden. Gelet op de slechte zichtbaarheid en slechte bereikbaarheid van de smalle doodlopende straat en de onweersproken stelling van [appellante] dat de andere bewoners hun huisvuil geclusterd aan het begin van de straat aanbieden, is het niet onaannemelijk dat de ophaaldienst een verderop in de straat geplaatste huisvuilzak over het hoofd zou zien.

    Gelet op al deze omstandigheden acht de Afdeling het aannemelijker dat [appellante] de aangetroffen huisvuilzak op tijd heeft aangeboden en dat de ophaaldienst hem niet heeft opgehaald, dan dat zij de huisvuilzak op dinsdagochtend zou hebben aangeboden tussen 07:45 uur en 08:15 uur en dat de ophaaldienst toen al geweest was. [appellante] heeft met deze omstandigheden dan ook aannemelijk gemaakt dat zij de huisvuilzak niet verkeerd heeft aangeboden, zodat het college haar in het primaire besluit van 28 oktober 2019 ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Het college heeft dit primaire besluit dan ook ten onrechte niet herroepen bij het besluit op bezwaar van 17 januari 2020.

    Het betoog slaagt.

3.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 17 januari 2020 moet worden vernietigd. De Afdeling zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit van 28 oktober 2019 te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Dit heeft tot gevolg dat als [appellante] het bedrag van € 126,00 al heeft betaald, de gemeente dit bedrag zal moeten terugbetalen.

4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 17 januari 2020, kenmerk B.4.19.4206.001;

III.    herroept het besluit van 28 oktober 2019, kenmerk 07639W2A19;

IV.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

V.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 48,00 (zegge: achtenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

687.