Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1488

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
202001279/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 december 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 26 november 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellant] komt. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doosje dat op 26 november 2019 is aangetroffen naast een papiercontainer ter hoogte van de Volendamlaan 660 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het doosje verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op het doosje staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/352
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001279/1/R4.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2019 heeft het college zijn beslissing om op 26 november 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 18 februari 2020 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2020, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. F. Naghi-Zadeh, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doosje dat op 26 november 2019 is aangetroffen naast een papiercontainer ter hoogte van de Volendamlaan 660 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] het doosje verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn naam en adres op het adreslabel op het doosje staan.

2.    [appellant] betwist niet dat het doosje van hem afkomstig is, maar stelt dat hij niet degene is geweest die het doosje naast de papiercontainer heeft achtergelaten. Hij stelt dat zijn vrouw het doosje in de gleuf van de papiercontainer heeft gedaan, maar dat er nog een klein stukje uitstak, omdat de container bijna vol zat. Hij wijst erop dat het college niet onomstotelijk kan bewijzen dat hij of zijn vrouw het doosje verkeerd hebben aangeboden. Volgens hem kan elke voorbijganger het doosje uit de papiercontainer hebben gehaald om zijn of haar eigen afval erin te kunnen doen. Het college heeft volgens hem onvoldoende onderzoek gedaan om de daadwerkelijke dader op te sporen.

    [appellant] voert verder aan dat het college hem ten onrechte verantwoordelijk houdt voor al het karton dat naast de papiercontainer is aangetroffen, zoals te zien is op de foto's bij het controlerapport bij het besluit van 9 december 2019, en niet alleen voor het doosje met zijn naam en adres erop. Hij gaat ervan uit dat het college hem aanschrijft voor al het aangetroffen karton, omdat het bedrag van € 126,00 volgens hem te hoog is voor het verwijderen van enkel zijn doosje. Hij vermoedt dat de toezichthouder heeft nagelaten om te kijken of er op de rest van het karton nog andere namen of adressen stonden.

    Tot slot voert [appellant] aan dat de containers aan de Volendamlaan vaak vol zitten en dat de gemeente volgens hem de plicht heeft om de containers tijdig te ledigen.

2.1.    Deze procedure gaat over de rechtmatigheid van het besluit van 9 december 2019. De vraag of de gemeente de containers aan de Volendamlaan vaak genoeg ledigt, staat in deze procedure niet ter beoordeling.

    Het besluit van 9 december 2019 heeft slechts betrekking op het doosje met de naam en het adres van [appellant] erop. Anders dan [appellant] stelt, houdt het college hem niet verantwoordelijk voor het andere karton dat tegelijkertijd naast de papiercontainer is aangetroffen. In het besluit is toegelicht dat de gemeente voor het verwijderen, onderzoeken en afvoeren van verkeerd aangeboden huisvuil en de administratieve afhandeling daarvan € 194,00 aan kosten maakt per huisvuilzak of doos, waarvan bij een eerste overtreding € 126,00 in rekening wordt gebracht. Het bedrag van € 126,00 dat het college bij [appellant] in rekening heeft gebracht, is dan ook het bedrag voor één doos. Ook als alleen het ene doosje van [appellant] was aangetroffen, zou het college dat bedrag bij hem in rekening hebben gebracht. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat de foto's van de papiercontainer met daarnaast ook ander karton, slechts zijn bijgevoegd om te laten zien hoe en onder welke omstandigheden het doosje van [appellant] is aangetroffen.

    [appellant] heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat de toezichthouder heeft nagelaten om de rest van het karton te onderzoeken op namen en adressen van anderen. Zijn enkele vermoeden is onvoldoende daarvoor. In het verweerschrift en ter zitting heeft het college bovendien toegelicht dat het actief handhaaft op verkeerd aangeboden huisvuil en dat het ook handhavend optreedt tegen de andere personen tot wie verkeerd aangeboden huisvuil kan worden herleid. De Afdeling ziet geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

    Het betoog faalt in zoverre.

2.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

    De overtreder is in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Daarnaast kan in bepaalde gevallen degene die de overtreding niet zelf feitelijk begaat, maar aan wie de handeling is toe te rekenen, voor de overtreding verantwoordelijk worden gehouden en daarom als overtreder worden aangemerkt.

2.3.    Door het adreslabel is het doosje tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die het doosje verkeerd heeft aangeboden. Anders dan waar [appellant] van uitgaat, hoeft het college niet onomstotelijk te bewijzen dat hij het doosje naast de papiercontainer heeft achtergelaten. Ook in het geval dat zijn vrouw het doosje verkeerd zou hebben aangeboden, kan [appellant] als overtreder worden aangemerkt. In dat geval moet ervan worden uitgegaan dat zij het doosje in opdracht van [appellant] ter inzameling heeft aangeboden, zodat die handeling aan hem is toe te rekenen en hij verantwoordelijk kan worden gehouden voor het verkeerd aanbieden van het doosje door haar.

    Op grond van artikel 6, tweede lid, onder b en c, van de Regeling uitvoering Afvalstoffenverordening 2010 Den Haag 2018 moeten inzamelvoorzieningen na gebruik goed gesloten worden en mogen uit de inzamelvoorziening geen voorwerpen steken. Ook als het doosje, zoals [appellant] stelt, in de gleuf van de papiercontainer is gedaan waarbij er nog een stukje uitstak, is het doosje verkeerd aangeboden. De omstandigheid dat de container bijna vol zat, betekent niet dat het doosje in strijd met de daarvoor geldende regels ter inzameling mocht worden aangeboden. Ook als een inzamelvoorziening vol zit, bestaat de verantwoordelijkheid om huisvuil op juiste wijze aan te bieden, bijvoorbeeld op een ander moment of bij een andere inzamelvoorziening.

    Gelet op het voorgaande heeft het college [appellant] terecht als overtreder aangemerkt.

    Het betoog faalt ook in zoverre.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

687.