Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1479

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
201900886/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:10289, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 definitief vastgesteld op nihil. Bij het besluit van 11 oktober 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de eerder definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 herzien vastgesteld op € 15.949,00. [appellante] heeft de Afdeling verzocht de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201900886/1/A2.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 december 2018 in zaak nr. 17/6763 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juli 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 definitief vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 13 oktober 2017 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 juli 2019, waar [appellante], bijgestaan door mr. A.H.G. Katz, advocaat te Rotterdam, en de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken, zijn verschenen.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nader onderzoek te doen.

Bij besluit van 11 oktober 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de eerder definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 herzien vastgesteld op € 15.949,00.

De Afdeling heeft [appellante] bij brief van 18 oktober 2019 gevraagd of dit besluit haar aanleiding geeft haar hoger beroep in te trekken.

Bij brieven van 29 oktober 2019 en 4 december 2019 heeft [appellante] de Afdeling verzocht om uitspraak te doen op het door haar ingestelde hoger beroep en de Belastingdienst/Toeslagen in de proceskosten te veroordelen.

Overwegingen

1    Bij het besluit van 11 oktober 2019 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de eerder definitief vastgestelde kinderopvangtoeslag van [appellante] over 2015 herzien vastgesteld op € 15.949,00. [appellante] heeft de Afdeling verzocht de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen in de door haar gemaakte proceskosten. De Afdeling begrijpt dat [appellante] door de dienst volledig tegemoet is gekomen. Gelet hierop heeft zij daarom geen belang meer bij een beoordeling van het door haar ingestelde hoger beroep. Het hoger beroep dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Omdat de Belastingdienst/Toeslagen [appellante] tegemoet is gekomen bestaat aanleiding tot een proceskostenveroordeling over te gaan.

4.    Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.

5.    De Belastingdienst/Toeslagen dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    verstaat dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 128,00 (zegge: honderdachtentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

341-735.