Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1476

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
201905460/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2019:1957, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 19 juni 2018 heeft de staatssecretaris van Financiën een informatieverzoek van [appellante] afgewezen. Bij besluit van 21 september 2017 is de huurtoeslag van [appellante] over het jaar 2017 op nihil vastgesteld. Hiertegen heeft [appellante] bezwaar gemaakt. Tijdens de op 23 april 2018 gehouden hoorzitting over dit bezwaar heeft [appellante] een brief met een informatieverzoek ingediend. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen, omdat de gevraagde informatie geen bestuurlijke aangelegenheid betreft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905460/1/A3.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 juni 2019 in zaak nr. 18/1893 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen [lees: de staatssecretaris van Financiën].

Procesverloop

Bij brief van 19 juni 2018 heeft de staatssecretaris een informatieverzoek van [appellante] afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2019 heeft de rechtbank het beroep van [appellante]  daartegen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juni 2020, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. W.J.G. van Duijn en H.R. Grootenhuis, is verschenen.

Overwegingen

1.    Bij besluit van 21 september 2017 is de huurtoeslag van [appellante] over het jaar 2017 op nihil vastgesteld. Hiertegen heeft [appellante] bezwaar gemaakt. Tijdens de op 23 april 2018 gehouden hoorzitting over dit bezwaar heeft [appellante] een brief met een informatieverzoek ingediend. Dit verzoek luidt als volgt:

"In het kader van de bezwaarschriftenprocedure verzoek ik u mij de volgende informatie/documenten te verstrekken.

Een overzicht van de opgegeven servicekosten die door de [huurder] in 2016 & 2017 m.b.t. de woonruimte [locatie] te Zwolle, zijn voldaan.

Een overzicht van de verwerking van de servicekosten door de Belastingdienst/Toeslagen m.b.t. de toekenning van de huurtoeslagen aan [huurder] in 2016/2017.

Alle gevoerde correspondentie die betrekking heeft op de servicekosten die [huurder] in 2016 en 2017 heeft betaald i.v.m. de aanvraag huurtoeslagen voor de jaren 2016 en 2017.

Het bovenstaande is een verzoek zoals bedoeld in artikel 6 eerste lid van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Met verwijzing naar de termijn die is genoemd in artikel 6, eerste lid van de Wob verzoek ik u mij de gevraagde informatie schriftelijk toe te sturen. Indien u kosten in rekening brengt voor het maken van kopieën e.d. verzoek ik u mij hiervan vooraf op de hoogte te brengen."

    Bij de brief van 19 juni 2018 heeft de staatssecretaris het verzoek aangemerkt als verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: de Wob) en dit verzoek afgewezen, omdat de gevraagde informatie geen bestuurlijke aangelegenheid betreft. Bij besluit van 26 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door [appellante] gemaakte bezwaar onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3415, niet-ontvankelijk verklaard, omdat een reactie van een bestuursorgaan op een verzoek om toezending van tot het dossier behorende stukken geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

2.    [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaar heeft onderschreven. Hierbij voert zij aan dat haar informatieverzoek een Wob-verzoek is en dat zij openbaarmaking van de gevraagde informatie voor een ieder beoogt.

2.1.    Artikel 1, aanhef en onder b, van de Wob luidt: "In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder […] bestuurlijke aangelegenheid: een aangelegenheid die betrekking heeft op beleid van een bestuursorgaan, daaronder begrepen de voorbereiding en de uitvoering ervan[.]"

    Artikel 3, eerste lid, luidt: "Een ieder kan een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf."

    Het tweede lid luidt: "De verzoeker vermeldt bij zijn verzoek de bestuurlijke aangelegenheid of het daarop betrekking hebbend document, waarover hij informatie wenst te ontvangen."

    Het derde lid luidt: "De verzoeker behoeft bij zijn verzoek geen belang te stellen."

2.2.    In de uitspraak van 20 mei 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1268, heeft de Afdeling haar rechtspraak over de kwalificatie van een informatieverzoek als Wob-verzoek gepreciseerd.

    Daarbij heeft de Afdeling overwogen dat hoofdregel is dat wanneer iemand met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan richt, zo’n verzoek een Wob-verzoek is. Het enkele feit dat de verzoeker de informatie vraagt vanwege zijn persoonlijk belang bij kennisneming van de informatie en/of met het oog op het gebruik van de informatie in een procedure tegen het bestuursorgaan of derden, betekent niet dat geen sprake is van een Wob-verzoek. Dat geldt ook indien de verzoeker de informatie (mogelijk) ook kan krijgen op grond van regels over de toegang tot stukken in een procesrechtelijke regeling, zoals artikel 7:4 van de Awb of de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

    Dit is alleen anders indien i) uit de aard van het verzoek, ii) uit de inhoud van het verzoek of iii) uit uitlatingen van de verzoeker, blijkt dat de verzoeker geen Wob-verzoek heeft beoogd in te dienen. Bij uitzondering i) kan worden gedacht aan het geval dat iemand inzage in zijn dossier of in zijn persoonsgegevens vraagt. In dat geval is het verzoek aan te merken als een verzoek om inzage als bedoeld in Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (de AVG) of een andere wettelijke regeling waarin een recht op inzage is opgenomen. Uitzondering ii) ziet op situaties waarin iemand bijvoorbeeld vraagt om informatie, vragen stelt of alleen om toezending van de stukken vraagt in een procedure waarin hij belanghebbende is. Bij uitzondering iii) kan worden gedacht aan de situatie waarin de verzoeker aangeeft dat hij niet wil dat de informatie openbaar wordt gemaakt en alleen aan hem wordt verstrekt.

    Het is aan het bestuursorgaan om als de indiener een beroep op de Wob heeft gedaan, met een beroep op een van deze uitzonderingen deugdelijk te motiveren dat zich een uitzondering op de hoofdregel voordoet. Daarbij kan het op de weg van het bestuursorgaan liggen zich daarover eerst met de indiener te verstaan.

    De hoofdregel en de daarop geformuleerde uitzonderingen gelden ook als het verzoek alleen betrekking heeft op (persoons)gegevens van de verzoeker zelf. Wel kan het feit dat het verzoek alleen ziet op gegevens van de verzoeker zelf, een aanwijzing zijn dat de verzoeker geen Wob-verzoek heeft beoogd in te dienen. Dit geldt in het bijzonder als inwilliging van het verzoek zou betekenen dat (gevoelige) persoonsgegevens van de verzoeker openbaar worden gemaakt.

2.3.    Toepassing van het hiervoor weergegeven toetsingskader leidt voor deze zaak tot de conclusie dat het informatieverzoek van [appellante], neergelegd in haar op 23 april 2018 ingediende brief, een Wob-verzoek is. [appellante] heeft met de indiening van die brief immers met een beroep op de Wob een verzoek om informatie vervat in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid tot een bestuursorgaan gericht, waarmee aan de hoofdregel is voldaan. De door de staatssecretaris in de loop van de procedure ingenomen standpunten bieden geen grond voor het oordeel dat zich een uitzondering op de hoofdregel voordoet. Hierbij is van belang dat de staatssecretaris het informatieverzoek van [appellante] in de brief van 19 juni 2018 zelf als Wob-verzoek heeft aangemerkt. Verder kan de staatssecretaris niet worden gevolgd in zijn standpunt dat het informatieverzoek niet op een bestuurlijke aangelegenheid ziet. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling ziet het begrip "bestuurlijk" in artikel 3 van de Wob, gelet op het doel van de Wob, op het openbaar bestuur in al zijn facetten (zie de uitspraak van 29 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:265). De informatie waarom door [appellante] is verzocht, kan inzicht geven in de wijze waarop de Belastingdienst/Toeslagen zijn uitvoeringstaken vervult en daarmee bestuurlijk relevant zijn. Verder is van belang dat de verwijzing van de staatssecretaris naar de hiervoor in 1 vermelde uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017 niet opgaat, omdat de informatieverzoeken die daarin aan de orde waren zagen op informatie over de betrokken verzoeker zelf. Het informatieverzoek van [appellante] ziet op informatie over een ander. Zoals de staatssecretaris ter zitting van de Afdeling heeft bevestigd, bevinden de documenten waarin die informatie oorspronkelijk is neergelegd zich ook niet in het toeslagendossier van [appellante].

    Het voorgaande betekent dat het informatieverzoek van [appellante] een aanvraag is en de brief van de staatssecretaris van 19 juni 2018 een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar openstaat. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris het bezwaar van [appellante] daarom ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

    Het betoog slaagt.

3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 26 november 2018 vernietigen. De staatssecretaris moet met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar nemen. De Afdeling zal hiervoor een termijn stellen.

    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij haar beroep kan worden ingesteld.

4.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 juni 2019 in zaak nr. 18/1893;

III.    verklaart het beroep in die zaak gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 26 november 2018, kenmerk 210242681 WOB servicekosten;

V.    draagt de staatssecretaris van Financiën op om binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit bekend te maken;

VI.    bepaalt dat tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    gelast dat de staatssecretaris van Financiën aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Hartsuiker

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

620.