Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1468

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
201202328/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij verwijzingsuitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1148, heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht antwoord te geven op door haar gestelde vragen, de behandeling van het hoger beroep geschorst en iedere verdere beslissing aangehouden. Deze zaak gaat over financiële sancties, waaronder het bevriezen van tegoeden, die de minister aan [appellant] heeft opgelegd, omdat hij volgens de minister betrokken was bij terroristische activiteiten. Volgens de minister speelde [appellant] een actieve rol binnen de organisatie "Liberation Tigers of Tamil Eelam", vooral door het inzamelen van geld voor de LTTE. De LTTE heeft een gewapende strijd gevoerd, gericht op het vestigen van een zelfstandige staat voor de etnische Tamilminderheid op Sri Lanka. De sancties waren onder meer gebaseerd op het feit dat de LTTE is geplaatst op een Europese lijst van terroristische organisaties en personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/298
SEW 2020, afl. 7/8, p. 452
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201202328/2/A3.
Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 januari 2012 in zaak nr. 11/1945 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Buitenlandse Zaken.

Procesverloop

Bij verwijzingsuitspraak van 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1148, heeft de Afdeling het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht antwoord te geven op door haar gestelde vragen, de behandeling van het hoger beroep geschorst en iedere verdere beslissing aangehouden. Voor het voorafgaande procesverloop wordt verwezen naar deze verwijzingsuitspraak, die is aangehecht.

De minister heeft een nader stuk ingediend.

Bij arrest van 14 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:202, heeft het Hof de door de Afdeling gestelde vragen beantwoord. Dit arrest is aangehecht.

[appellant] heeft schriftelijk op dit arrest gereageerd.

Bij besluit van 21 juni 2017 heeft de minister besloten tot intrekking van zijn besluit van 8 juni 2010 waarbij [appellant] is aangewezen als persoon op wie de Sanctieregeling terrorisme 2007-II van toepassing is.

De minister heeft het besluit van 21 juni 2017 schriftelijk toegelicht.

[appellant] heeft schriftelijk op deze toelichting gereageerd.

De minister heeft schriftelijk op deze reactie gereageerd.

[appellant] heeft schriftelijk op deze reactie gereageerd.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2018, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.M. van Eik, en de minister, vertegenwoordigd door mr. C. de Munck, mr. M.E. ter Kuile, mr. Y.C. Bijl en mr. H. van Eijken, zijn verschenen. De zaak is op deze zitting gevoegd behandeld met zaken nrs. 201201220/2/A3, 201209742/2/A3 en 201209744/2/A3.

Overwegingen

Inleiding

1. Deze zaak gaat over financiële sancties, waaronder het bevriezen van tegoeden, die de minister aan [appellant] heeft opgelegd, omdat hij volgens de minister betrokken was bij terroristische activiteiten. Volgens de minister speelde [appellant] een actieve rol binnen de organisatie "Liberation Tigers of Tamil Eelam" (hierna: LTTE), vooral door het inzamelen van geld voor de LTTE. De LTTE heeft een gewapende strijd gevoerd, gericht op het vestigen van een zelfstandige staat voor de etnische Tamilminderheid op Sri Lanka. De Afdeling is van oordeel dat deze sancties ten onrechte zijn opgelegd.

Allereerst zal de Afdeling onder 2 ingaan op de voorgeschiedenis van het hoger beroep. De minister heeft de sancties tijdens de behandeling van het hoger beroep ingetrokken. Onder 3 zal de Afdeling daarop ingaan en uiteenzetten waarom [appellant] desondanks nog belang heeft bij het hoger beroep.

De sancties waren onder meer gebaseerd op het feit dat de LTTE is geplaatst op een Europese lijst van terroristische organisaties en personen. De Afdeling twijfelde of die plaatsing terecht was en heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie daarover vragen gesteld. Onder 4 zal de Afdeling daar nader op ingaan, alsmede op de antwoorden die het Hof van Justitie bij het arrest van 14 maart 2017 heeft gegeven. De in dat arrest gegeven overwegingen stonden als zodanig niet in de weg aan het aanwijzingsbesluit van 8 juni 2010.

[appellant] betoogt echter dat de plaatsing en de aan hem opgelegde sancties desondanks onterecht zijn. Hij wijst daarbij op het arrest van het Hof van 26 juli 2017, gewezen in een procedure die de LTTE zelf had aangespannen. Onder 5 zal de Afdeling dit betoog weergeven. Onder 6 tot en met 6.3 zal de Afdeling uiteenzetten waarom de sancties inderdaad ten onrechte zijn opgelegd. Onder 7 zal de Afdeling verwoorden hoe zij op het hoger beroep beslist.

De relevante bepalingen van internationaal, Europees en Nederlands recht zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Dit hoger beroep is aanvankelijk samen met drie andere hoger beroepen behandeld. Die hoger beroepen zijn ingesteld door andere personen aan wie de minister om vergelijkbare redenen dezelfde sancties had opgelegd. Ook de aan die personen opgelegde sancties zijn later ingetrokken. Nadat het Hof van Justitie de vragen van de Afdeling had beantwoord, zijn de zaken aangehouden om partijen gelegenheid te geven zich uit te laten over de intrekking van de sancties en over de uitkomst van de procedure die de LTTE had aangespannen. Vervolgens heeft de Afdeling de zaken voor de tweede keer op een zitting behandeld. Daarna zijn de zaken weer aangehouden, ditmaal om partijen zoals door hen verzocht de gelegenheid te geven om een schikking te treffen. In de andere drie zaken is uiteindelijk een schikking getroffen en zijn de hoger beroepen vervolgens ingetrokken. In deze zaak is geen schikking getroffen. Op het hoger beroep van [appellant] zal daarom alsnog beslist moeten worden.

Voorgeschiedenis

2. De aan [appellant] opgelegde sancties hielden in dat al zijn financiële middelen werden bevroren, dat voor hem geen financiële diensten meer verricht werden en dat aan hem geen financiële middelen meer ter beschikking gesteld werden. Met deze sancties wilde de minister uitvoering geven aan Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 september 2001. Deze resolutie verplicht alle staten tot het opleggen van zulke sancties aan personen die terroristische daden plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of deze faciliteren. Daarnaast verplicht deze resolutie alle staten tot het opleggen van zulke sancties aan entiteiten die eigendom zijn van of beheerst worden door zodanige personen en aan personen en entiteiten die namens of onder leiding van zodanige personen en entiteiten handelen.

In Nederland wordt de uitvoering van Resolutie 1373 geregeld door de Sanctieregeling terrorisme 2007-II (hierna: Sanctieregeling). Op grond van deze regeling kan de minister een aanwijzingsbesluit vaststellen ten aanzien van een persoon of organisatie die behoort tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in de resolutie. De vaststelling van een dergelijk aanwijzingsbesluit brengt mee dat de hiervoor genoemde sancties van toepassing worden op de aangewezen persoon of organisatie.

Op 8 juni 2010 heeft de minister ten aanzien van [appellant] een aanwijzingsbesluit vastgesteld. Bij besluit van 10 januari 2011 heeft de minister het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De minister heeft aan deze besluiten ten grondslag gelegd dat het openbaar ministerie tegen [appellant] vervolging heeft ingesteld wegens misdrijven met betrekking tot terrorisme. Aan de besluiten heeft de minister ook een ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: AIVD) van 14 oktober 2008 ten grondslag gelegd. Daarin worden activiteiten beschreven die [appellant] voor de LTTE zou hebben verricht. Daarnaast heeft de minister in aanmerking genomen dat de Raad van de Europese Unie de LTTE ter uitvoering van Resolutie 1373 heeft geplaatst op een lijst van personen en organisaties die volgens de Raad bij terrorisme betrokken zijn (hierna: de Europese terrorismelijst).

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 10 januari 2011. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 januari 2012 geoordeeld dat de minister ten aanzien van [appellant] een aanwijzingsbesluit mocht vaststellen. Het hoger beroep van [appellant] is tegen dat oordeel gericht.

Intrekking aanwijzingsbesluit; belang bij hoger beroep

3. Bij het besluit van 21 juni 2017 is het ten aanzien van [appellant] vastgestelde aanwijzingsbesluit ingetrokken, omdat niet is gebleken dat [appellant] nog steeds behoort tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in Resolutie 1373. Dit betekent volgens de minister niet dat het aanwijzingsbesluit en het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar onrechtmatig waren omdat de situatie ten tijde van die besluiten anders was.

[appellant] heeft te kennen gegeven dat hij ondanks de intrekking van het aanwijzingsbesluit de hogerberoepsprocedure wil voortzetten. Hij acht het van belang dat wordt vastgesteld dat het aanwijzingsbesluit onrechtmatig was, omdat dat ertoe kan leiden dat de minister de schade moet vergoeden die hij als gevolg van het aanwijzingsbesluit heeft geleden. Ter zitting heeft de minister medegedeeld dat hij niet betwist dat [appellant] nog belang heeft bij het hoger beroep. Gezien de toelichting van [appellant] is ook de Afdeling van oordeel dat hij nog belang heeft bij het hoger beroep, zodat de Afdeling het hoger beroep inhoudelijk zal beoordelen.

In de bezwaarprocedure heeft [appellant] verzocht om een proceskostenvergoeding. Bij het besluit van 21 juni 2017 heeft de minister geen vergoeding toegekend. In beroep en hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat hij wel een proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase behoorde te krijgen. [appellant] heeft er derhalve ook belang bij dat wordt beoordeeld of zo’n vergoeding inderdaad toegekend had moeten worden. Op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) brengt dit met zich dat op dit punt van rechtswege tegen het besluit van 21 juni 2017 een beroep bij de Afdeling is ontstaan.

De vragen aan het Hof van Justitie en de antwoorden daarop

4. [ appellant] betoogt dat de rechtbank zijn beroep gegrond had moeten verklaren omdat de minister ten onrechte ten aanzien van hem een aanwijzingsbesluit heeft vastgesteld. In dat verband voert hij onder meer aan dat de LTTE ten onrechte als een terroristische organisatie is aangemerkt. Daarbij heeft hij erop gewezen dat de LTTE bij het Gerecht van de Europese Unie beroep heeft ingesteld tegen de plaatsing van haar op de Europese terrorismelijst. Ten tijde van de verwijzingsuitspraak van de Afdeling had het Gerecht daarover nog geen uitspraak gedaan. [appellant] heeft er ook op gewezen dat de rechtbank in de tegen hem aangespannen strafzaak (vonnis van 21 oktober 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU2066) de LTTE niet als een terroristische organisatie heeft beschouwd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het door de LTTE gecontroleerde gebied bijna alle kenmerken van een zelfstandige staat vertoonde, en dat de strijdkrachten van de LTTE vergelijkbaar waren met regeringsstrijdkrachten. De rechtbank heeft daarom geconcludeerd dat het conflict tussen de Sri Lankaanse regering en de LTTE een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht was. Feiten die verband houden met een dergelijk conflict kunnen geen deelneming aan een terroristische organisatie in de zin van artikel 140a van het Wetboek van Strafrecht vormen, aldus de rechtbank. Daarbij heeft de rechtbank erop gewezen dat dit artikel is gebaseerd op EU-antiterrorismeregelgeving en dat in de considerans van die regelgeving is opgemerkt dat deze niet van toepassing is op handelingen van strijdkrachten tijdens een gewapend conflict in de zin van het internationale humanitaire recht. Gezien deze uitzondering en soortgelijke uitzonderingen in verdragen betreffende terrorisme, twijfelde de Afdeling of de LTTE terecht op de Europese terrorismelijst is geplaatst. Daarnaast was de vraag of de Afdeling ervan moest uitgaan dat de LTTE terecht op de Europese terrorismelijst was geplaatst, omdat [appellant] tegen die plaatsing geen beroep bij de Europese rechter had ingesteld.

Het Hof heeft bij arrest van 14 maart 2017, ECLI:EU:C:2017:202, op de eerste vraag geantwoord dat de aard van het conflict tussen de Sri Lankaanse regering en de LTTE op zichzelf geen reden was om de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst onterecht te achten, mede gezien de verschillende doelen van de hiervoor bedoelde EU-antiterrorismeregels waarnaar in het strafvonnis is verwezen en de EU-antiterrorismeregels waarop de Europese terrorismelijst is gebaseerd. De eerstgenoemde regels betreffen immers het strafrecht en de laatstgenoemde regels betreffen preventieve bestuurlijke maatregelen om terrorisme te voorkomen. Op de tweede vraag heeft het Hof in datzelfde arrest geantwoord dat het inderdaad niet buiten twijfel staat dat [appellant] het recht had om beroep in te stellen tegen de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst.

Standpunt [appellant]

5. [ appellant] betoogt dat de antwoorden van het Hof van Justitie op de vragen van de Afdeling niet wegnemen dat de LTTE ten onrechte op de Europese terrorismelijst is geplaatst. Daarbij wijst hij op de uitkomst van de procedure die de LTTE heeft ingesteld tegen haar plaatsing op de Europese terrorismelijst.

Bij arrest van 16 oktober 2014, ECLI:EU:T:2014:885, heeft het Gerecht op het beroep van de LTTE beslist en besluiten tot handhaving van de LTTE op de Europese terrorismelijst nietig verklaard wegens een ondeugdelijke motivering. De Raad van de Europese Unie stelt de Europese terrorismelijst periodiek opnieuw vast: hij dient ten minste om de zes maanden te bezien of de daarop geplaatste personen en organisaties daarop moeten worden gehandhaafd. De door het Gerecht nietig verklaarde besluiten waren nog niet van kracht toen de minister ten aanzien van [appellant] een aanwijzingsbesluit vaststelde en zijn bezwaar daartegen ongegrond verklaarde. De Raad heeft tegen het arrest van het Gerecht een hogere voorziening ingesteld bij het Hof. Bij arrest van 26 juli 2017, ECLI:EU:C:2017:583, heeft het Hof dat beroep afgewezen. Het Hof heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de LTTE in mei 2009 een militaire nederlaag heeft geleden, die volgens de Raad haar structuur aanzienlijk heeft verzwakt. Volgens het Hof kon daardoor getwijfeld worden aan het voortbestaan van het gevaar van betrokkenheid van de LTTE bij terroristische activiteiten. Daarnaast heeft het Hof in aanmerking genomen, dat de terroristische daden waarop de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst is gebaseerd allemaal van voor die nederlaag dateren. Dat de Indiase autoriteiten de LTTE nog in 2012 als terroristische organisatie hebben aangemerkt, doet daar niet aan af, omdat niet is gebleken dat de Raad is nagegaan of de beslissing van de Indiase autoriteiten is genomen met inachtneming van de rechten van de verdediging en het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, aldus het Hof.

[appellant] betoogt dat de in het arrest van 26 juli 2017 verwoorde bezwaren van het Hof tegen de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst ook op zijn zaak van toepassing zijn. De door het Hof geconstateerde gebreken kleven immers ook aan de besluiten van de Raad waarop de plaatsing was gebaseerd ten tijde van het ten aanzien van hem vastgestelde aanwijzingsbesluit en het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar. Dat de Raad na het arrest van het Gerecht de LTTE opnieuw op de Europese terrorismelijst heeft geplaatst, doet daar niet aan af. Uit de nieuwe besluitvorming van de Raad blijkt namelijk niet dat met de bezwaren van het Hof rekening is gehouden, in welk verband vooral de militaire nederlaag van de LTTE in mei 2009 van belang is, aldus [appellant]. [appellant] handhaaft dan ook zijn betoog dat de rechtbank zijn beroep gegrond had moeten verklaren omdat de minister ten onrechte een aanwijzingsbesluit ten aanzien van hem heeft vastgesteld. Daarbij voert hij ook aan dat de minister het aanwijzingsbesluit inmiddels heeft ingetrokken zonder te motiveren waarom de situatie zou zijn veranderd.

Oordeel Afdeling: [appellant] ten onrechte aangewezen op grond van antiterrorismeregelgeving

6. De Afdeling is van oordeel dat de minister ten onrechte een aanwijzingsbesluit ten aanzien van [appellant] heeft vastgesteld. De rechtbank had daarom zijn beroep gegrond moeten verklaren. De Afdeling baseert haar oordeel op de volgende omstandigheden.

6.1.

De minister is op grond van de Sanctieregeling bevoegd om een aanwijzingsbesluit vast te stellen ten aanzien van een persoon of organisatie die behoort tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in Resolutie 1373. De minister stelt zich op het standpunt dat [appellant] tot die kring van personen behoorde, omdat hij actief was voor de LTTE en die organisatie een terroristisch karakter heeft. Zoals het Hof van Justitie in punten 83 en 84 van het eerdergenoemde arrest van 14 maart 2017 heeft overwogen, strekt Resolutie 1373 hoofdzakelijk tot het voorkomen van terroristische daden en vormt de aanwijzing van een persoon of organisatie ter uitvoering van Resolutie 1373 daarom een preventieve maatregel. In dat kader is de hiervoor onder 5 vermelde nederlaag van de LTTE in mei 2009 van doorslaggevend belang. Gezien het karakter van Resolutie 1373, welke gericht is op preventie, kon [appellant] ten tijde van het aanwijzingsbesluit en het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar slechts onder de kring van personen en organisaties bedoeld in die resolutie vallen als er toen - ondanks de nederlaag van de LTTE - nog gevaar was dat hij betrokken zou zijn bij terroristische activiteiten. De Afdeling zal, mede in het licht van de hiervoor genoemde arresten van het Hof van Justitie van 14 maart 2017 en 26 juli 2017, hierna uiteenzetten dat en waarom zij van oordeel is dat zulk gevaar niet volgt uit de op [appellant] persoonlijk betrekking hebbende omstandigheden waarop de minister zich heeft gebaseerd. De Afdeling komt daardoor niet toe aan het betoog van [appellant] dat de LTTE als zodanig ten onrechte op de Europese terrorismelijst is geplaatst.

6.2.

Het standpunt van de minister dat [appellant] voor de LTTE actief was is gebaseerd op het ambtsbericht van de AIVD en op de tegen hem ingestelde strafvervolging. Het ambtsbericht dateert echter van voor de nederlaag van de LTTE en biedt daarom geen grond voor het oordeel dat [appellant] desondanks nog betrokken zou zijn bij terroristische activiteiten. De strafzaak biedt daarvoor evenmin grond. De strafvervolging heeft geleid tot een veroordeling in hoger beroep door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 30 april 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1082, wegens deelneming aan een terroristische organisatie en andere misdrijven. Bij arrest van 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:578, heeft de Hoge Raad deze veroordeling in stand gelaten.

De tenlastelegging betrof gedragingen in de periode van oktober 2003 tot en met 26 april 2010, de dag waarop [appellant] is aangehouden. Het gerechtshof heeft overwogen dat het conflict tussen de Sri Lankaanse regering en de LTTE in mei 2009 is geëindigd met een overwinning van de Sri Lankaanse regering, waarbij de militaire en politieke top van de LTTE volledig is uitgeroeid. In aansluiting daarop is de veroordeling van [appellant] dan ook niet gebaseerd op concrete terroristische activiteiten die na mei 2009 hebben plaatsgevonden. Voor zover in het arrest van het gerechtshof concrete feiten van na mei 2009 aan de orde zijn gesteld, ging het allereerst om betrokkenheid bij jaarlijks georganiseerde "Heldendagen", zoals op 27 november 2009. Het gerechtshof was van oordeel dat een opzwepende toespraak die [appellant] op de "Heldendag" van die datum heeft gehouden, niet strafbaar was, mede gezien het karakter van de bijeenkomst. Het gerechtshof heeft daarbij overwogen dat de "Heldendagen" in het teken stonden van het herdenken van omgekomen LTTE-strijders en dat de toespraak onvoldoende directe aansporingen tot financiële steun of concrete deelneming aan gewelddadige activiteiten bevatte. Verder ging het om de verspreiding van affiches met uitnodigingen voor "Heldendagen" en andere bijeenkomsten en van dvd’s en kalenders met een volgens het gerechtshof voornamelijk verhalend en herdenkend karakter. Naar het oordeel van het gerechtshof hielden de affiches, dvd’s en kalenders geen directe of indirecte oproep tot het plegen van strafbare feiten in. Het gerechtshof heeft op grond van deze overwegingen over de "Heldendagen", affiches, dvd’s en kalenders [appellant] vrijgesproken van opruiing en verspreiding ter opruiing.

6.3.

Gezien hetgeen hiervoor onder 6.2 is overwogen, heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat [appellant] op het tijdstip van het aanwijzingsbesluit van 8 juni 2010 behoorde tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in Resolutie 1373. De rechtbank heeft ten onrechte anders geoordeeld. De Afdeling gaat ervan uit dat de tekortkoming in de door de minister gegeven motivering niet is te herstellen. Daarbij is van belang dat de minister bij het besluit van 21 juni 2017 het standpunt heeft ingenomen dat [appellant] niet meer behoort tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in Resolutie 1373, maar ondanks herhaald verzoek van de Afdeling niet concreet heeft uitgelegd waarom het tijdsverloop sinds het aanwijzingsbesluit en het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar meebrengt dat de situatie wezenlijk is veranderd. Volledigheidshalve wijst de Afdeling in dit verband op het arrest van het Hof van Justitie van 20 juni 2019, ECLI:EU:C:2019:522, waarbij handhaving in juni 2009 - dus voor het aanwijzingsbesluit van 8 juni 2010 - van de plaatsing van de LTTE op de Europese terrorismelijst gezien de nederlaag van de LTTE in mei 2009 ondeugdelijk gemotiveerd en dus ongeldig werd geacht.

De Afdeling concludeert daarom dat [appellant] ten tijde van het aanwijzingsbesluit en het besluit op het daartegen gemaakte bezwaar niet meer behoorde tot de kring van personen en organisaties, bedoeld in Resolutie 1373. Dit betekent dat de minister niet bevoegd was om het aanwijzingsbesluit te nemen. Het betoog van [appellant] slaagt.

Conclusie

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 10 januari 2011 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal het beroep tegen het besluit van 21 juni 2017 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase is toegekend. Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb heeft [appellant] recht op zo’n vergoeding, want het ten aanzien van hem vastgestelde aanwijzingsbesluit moest worden herroepen wegens aan de minister te wijten onrechtmatigheid. De minister dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 januari 2012 in zaak nr. 11/1945;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 10 januari 2011, kenmerk djz/br 980/2010;

V. verklaart het beroep tegen het besluit van de minister van Buitenlandse Zaken van 21 juni 2017, kenmerk MinBuza-2017.789994, gegrond;

VI. vernietigt dat besluit voor zover daarbij geen vergoeding is toegekend voor bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten;

VII. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 5.512,50 (zegge: vijfduizend vijfhonderdtwaalf euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de minister van Buitenlandse Zaken aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 384,00 (zegge: driehonderdvierentachtig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Vries, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. De Vries
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

582.

BIJLAGE: WETTELIJK KADER

Resolutie 1373 (2001) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 september 2001

The Security Council,

[…]

1. Decides that all states:

[…]

( c) Freeze without delay funds and other financial assets or economic resources of persons who commit, or attempt to commit, terrorist acts or participate in or facilitate the commission of terrorist acts; of entities owned or controlled directly or indirectly by such persons; and of persons and entities acting on behalf of, or at the direction of such persons and entities, including funds derived or generated from property owned or controlled directly or indirectly by such persons and associated persons and entities;

( d) Prohibit their nationals or any persons and entities within their territories from making any funds, financial assets or economic resources or financial or other related services available, directly or indirectly, for the benefit of persons who commit or attempt to commit or facilitate or participate in the commission of terrorist acts, of entities owned or controlled, directly or indirectly, by such persons and of persons and entities acting on behalf of or at the direction of such persons;

[…]

Sanctieregeling terrorisme 2007-II

Artikel 2

1. Indien personen of organisaties naar het oordeel van de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën behoren tot de kring van personen of organisaties, bedoeld in Resolutie 1373 van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties van 28 september 2001, kan de Minister van Buitenlandse Zaken in overeenstemming met de Minister van Justitie en de Minister van Financiën ten aanzien van deze personen of organisaties een aanwijzingsbesluit vaststellen.

2. Alle middelen die toebehoren aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, worden bevroren.

3. Het is verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid.

4. Het is verboden aan de personen en organisaties, bedoeld in het eerste lid, rechtstreeks dan wel middellijk middelen ter beschikking te stellen.

[…]

Verordening (EG) Nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (PB 2001, L 344)

Artikel 2

1. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6:

a. a) worden alle tegoeden, andere financiële activa en economische middelen die in het bezit zijn van, eigendom zijn van of gehouden worden door een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijk persoon of rechtspersoon, groep of entiteit, bevroren;

b) worden aan of ten behoeve van een in de lijst in artikel 2, lid 3, bedoelde natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit noch direct noch indirect tegoeden, andere financiële activa en economische middelen ter beschikking gesteld.

2. Tenzij toegestaan uit hoofde van de artikelen 5 en 6, is het verboden financiële diensten te verrichten voor of ten behoeve van een natuurlijke of rechtspersoon, groep of entiteit als vermeld in de lijst als bedoeld in artikel 2, lid 3.

3. De Raad stelt de lijst vast van personen, groepen en entiteiten waarop deze verordening van toepassing is, en evalueert en wijzigt deze met eenparigheid van stemmen, overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, leden 4, 5 en 6, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB. Deze lijst behelst:

i. i) natuurlijke personen die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken;

ii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die een terroristische daad plegen, pogen te plegen, daaraan deelnemen of het plegen van deze daden vergemakkelijken;

iii) rechtspersonen, groepen of entiteiten die eigendom zijn van of gecontroleerd worden door een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii);

iv) natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten die optreden namens of in opdracht van een of meer natuurlijke of rechtspersonen, groepen of entiteiten als bedoeld in de punten i) en ii).

Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme (PB 2001, L 344)

Artikel 1

[…]

6. De namen van de op de lijst in de bijlage geplaatste personen, groepen en entiteiten worden regelmatig en ten minste om de zes maanden bezien om er zeker van te zijn dat hun plaatsing op de lijst nog steeds gerechtvaardigd is.