Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1462

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
201906670/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2017 heeft de CSG een aanvraag van [wederpartij] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldmisdrijven afgewezen. Op 30 juni 2016 heeft [wederpartij] een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds. In de aanvraag is vermeld dat zij in de periode 2007 tot en met 2010 slachtoffer is geworden van mensenhandel en gedwongen prostitutie. De CSG heeft de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft de CSG ten grondslag gelegd dat er onvoldoende objectieve informatie is om aannemelijk te achten dat [wederpartij] het slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldmisdrijven. Tegen deze afwijzing heeft [wederpartij] eerst bezwaar en later beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906670/1/A2.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (hierna: de CSG),

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2019 in zaak nr. 18/195 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de CSG.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2017 heeft de CSG een aanvraag van [wederpartij] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldmisdrijven (hierna: het Schadefonds) afgewezen.

Bij besluit van 1 december 2017 heeft de CSG het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juli 2019 heeft de rechtbank de CSG veroordeeld in de proceskosten van [wederpartij] tot een bedrag van € 1.250,00. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de CSG hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De CSG en [wederpartij] hebben een nader stuk ingediend.

Partijen waren uitgenodigd voor een zitting van de Afdeling op 20 april 2020. In verband met de uitbraak van het coronavirus en de in verband daarmee door de overheid getroffen maatregelen kon deze zitting niet doorgaan. Na een extra schriftelijke ronde hebben partijen afgezien van het recht op zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Op 30 juni 2016 heeft [wederpartij] een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds. In de aanvraag is vermeld dat zij in de periode 2007 tot en met 2010 slachtoffer is geworden van mensenhandel en gedwongen prostitutie.

2.    De CSG heeft de aanvraag afgewezen. Aan de afwijzing heeft de CSG ten grondslag gelegd dat er onvoldoende objectieve informatie is om aannemelijk te achten dat [wederpartij] het slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldmisdrijf als bedoeld in artikel 3 van de Wet schadefonds geweldmisdrijven. Tegen deze afwijzing heeft [wederpartij] eerst bezwaar en later beroep ingesteld. Het onderzoek ter zitting bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 15 januari 2019. Naar aanleiding van vier uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2019, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:781, heeft de rechtbank op 21 maart 2019 het onderzoek heropend en de CSG in de gelegenheid gesteld een nader standpunt naar voren te brengen. De CSG heeft in een nader standpunt aangegeven dat de uitspraken van de Afdeling geen aanleiding geven om het besluit van 1 december 2017 te herzien. Op 18 juni 2019 heeft [wederpartij] een deskundigenbericht van de Commissie aannemelijkheid slachtofferschap mensenhandel (hierna: de subcommissie) van 7 juni 2019 overgelegd, waarin de subcommissie heeft geconcludeerd dat aannemelijk is dat [wederpartij] in de periode van november 2007 tot en met mei 2011 en de periode maart 2017 tot en met april 2018 slachtoffer is geworden van mensenhandel in Nederland. De CSG heeft naar aanleiding van dit deskundigenbericht in het besluit van 5 juli 2019 haar standpunt gewijzigd en [wederpartij] een uitkering van € 10.000,00 toegekend. [wederpartij] heeft hierop haar beroep ingetrokken en de rechtbank verzocht om de CSG te veroordelen in de proceskosten.

Oordeel rechtbank

3.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG de proceskosten van [wederpartij] moet vergoeden, omdat sprake is van een situatie waarin het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroep tegemoet is gekomen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat de CSG grotendeels over dezelfde informatie over de feiten beschikte als de subcommissie, te weten: de volledige processen-verbaal van de politie, verklaringen van diverse relaties van [wederpartij] en medische informatie van diverse behandelaars. Weliswaar beschikte de subcommissie ook over recentere medische informatie, terwijl de medische informatie die de CSG heeft gebruikt van voor het bestreden besluit dateert. Dit neemt naar het oordeel van de rechtbank echter niet weg dat de kern van de informatie over de relevante feiten zowel voor de CSG als voor de subcommissie bekend was. De rechtbank heeft daarnaast belang gehecht aan de omstandigheid dat de subcommissie verbonden is aan de CSG en de CSG daarom op de hoogte had kunnen zijn van het onderzoek van de subcommissie.

Hoger beroep en de beoordeling ervan

4.    De CSG betoogt dat de rechtbank haar ten onrechte heeft veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank heeft allereerst ten onrechte overwogen dat de CSG over dezelfde informatie als de subcommissie beschikte. De CSG beschikte grotendeels over dezelfde informatie als de subcommissie, maar beschikte niet over de essentiële informatie op basis waarvan de subcommissie het aannemelijk heeft geacht dat [wederpartij] slachtoffer werd van mensenhandel. De aangifte die [wederpartij] in 2018 deed, de informatie die zij bij die aangifte verstrekte en het ingebrachte deskundigenbericht van 7 juni 2019 betreffen essentiële nieuwe informatie, die de CSG niet mee heeft kunnen nemen in de besluitvorming ten tijde van het besluit op bezwaar van 1 december 2017. Deze nieuwe informatie geeft ook blijk van een ruimere pleegperiode. Ten tweede gaat de rechtbank er ten onrechte van uit dat de CSG op de hoogte had kunnen zijn van het onderzoek van de subcommissie. Bij de uitvoering wordt een strikte scheiding gehanteerd tussen de taak van de subcommissie en de reguliere taak van het Schadefonds. Slachtoffers kunnen een deskundigenbericht aanvragen bij de subcommissie binnen de pilot en tegelijkertijd of geheel separaat een aanvraag indienen voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds. Het is aan het slachtoffer om te beslissen in welke procedures hij of zij het deskundigenbericht wil gebruiken.

5.    Artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb luidt:

"In geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 in de kosten worden veroordeeld. […]"

5.1.    Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb, is sprake indien het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit geheel of gedeeltelijk neemt, tenzij het besluit is genomen op andere gronden dan door de indiener aangevoerd.

5.2.    De CSG heeft haar standpunt gewijzigd naar aanleiding van het door [wederpartij] in de beroepsfase overgelegde deskundigenbericht van de subcommissie. Dit deskundigenbericht is mede gebaseerd op nieuwe informatie, waarover de CSG ten tijde van de besluitvorming niet beschikte en alleen na overlegging door [wederpartij] kon beschikken. Daarnaast geeft het deskundigenbericht blijk van een ruimere pleegperiode. Zoals uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt, zie de uitspraak van de Afdeling van 5 november 1999, nr. 199900418/P65 (JB 2000/6), is geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb indien het nieuwe besluit is gebaseerd op de door betrokkene ná het oorspronkelijke besluit verstrekte informatie die een ander licht op de zaak werpt. De Afdeling is gelet op het voorgaande, in tegenstelling tot de rechtbank, van oordeel dat het deskundigenbericht en de informatie die daaraan ten grondslag ligt, als dergelijke informatie dienen te worden aangemerkt. Van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a is daarom geen sprake. De rechtbank heeft ten onrechte aanleiding gezien voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling ten laste van de CSG.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 juli 2019 in zaak nr. 18/195.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, griffier.   

Het lid van de enkelvoudige kamer is uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

85-949.