Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1450

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
201905811/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:6868, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 16 april 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van de Griekse autoriteiten om de asielaanvraag van de vreemdeling over te nemen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905811/1/V3.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 juli 2019 in zaak nr. NL19.10837 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij brief van 16 april 2019 heeft de staatssecretaris het verzoek van de Griekse autoriteiten om de asielaanvraag van de vreemdeling over te nemen, afgewezen.

Bij uitspraak van 9 juli 2019 heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard van het tegen deze brief ingestelde beroep kennis te nemen en bepaald dat het beroep wordt doorgezonden aan de staatssecretaris ter behandeling als bezwaar.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. P.J. Schüller, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Op verzoek van de Afdeling heeft de staatssecretaris twee nadere stukken ingediend.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de Afdeling laten weten dat hij op een door de vreemdeling in Nederland ingediende asielaanvraag heeft beslist en deze heeft ingewilligd. Hij heeft zich niettemin op het standpunt gesteld dat hij nog steeds belang heeft bij beoordeling van zijn hoger beroep omdat dat gaat over de bevoegdheid van de rechtbank in dit specifieke geval, een vraagstuk dat volgens hem dient te prevaleren boven de vraag of er nog sprake is van procesbelang. Daaruit leidt de Afdeling af dat de staatssecretaris een uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep wenst vanwege de principiële betekenis daarvan. Dat levert geen procesbelang op (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3300).

2.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. van Leeuwen, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Leeuwen

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

345-873.