Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1446

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
201908874/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:6942, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2020/185 met annotatie van Fernandez Ferreiro, L.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908874/1/V2.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 december 2019 in zaak nr. NL19.9716 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 3 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W. Eikelboom, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 12 februari 2020 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

De vreemdeling heeft daartegen gronden aangevoerd.

Overwegingen

1.    De vreemdeling komt uit Turkije. Op hem is artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing wegens zijn activiteiten voor de Turkse Hezbollah. Vaststaat dat de vreemdeling, die in Turkije tot een levenslange gevangenisstraf is veroordeeld voor het verrichten van die activiteiten, bij terugkeer in Turkije in detentie een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Dit betekent dat hij niet naar Turkije kan worden uitgezet.

2.    In deze procedure is alleen in geschil per wanneer dat uitzetbeletsel zich voordoet. Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris bij de toetsing aan zijn 'beleid duurzaamheid en proportionaliteit' (paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc 2000) moet uitgaan van objectieve gegevens bij de bepaling van de ingangsdatum van het uitzetbeletsel in deze zaak of moet uitgaan van de datum van de aanvraag die heeft geleid tot het besluit dat er een uitzetbeletsel bestaat. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris van objectieve gegevens moet uitgaan (in dit geval algemene ambtsberichten over Turkije van februari 2012 en juli 2013). Volgens de staatssecretaris moet hij uitgaan van de datum van indiening van de asielaanvraag die ten grondslag ligt aan de procedure waarin een vreemdeling aannemelijk maakt dat zich in zijn geval een uitzetbeletsel voordoet. In deze zaak leidt de overweging van de rechtbank ertoe dat het uitzetbeletsel zich voordoet per 5 september 2008, terwijl de staatssecretaris uitgaat van 19 december 2016. In de eerstgenoemde situatie zijn er tien jaren verstreken, zodat er wordt voldaan aan het duurzaamheidsvereiste uit het hiervoor genoemde beleid waardoor de staatssecretaris de situatie van de vreemdeling moet toetsen aan de overige voorwaarden van dat beleid. Uitgaande van de ingangsdatum van 19 december 2016 zijn die tien jaren nog niet verstreken, zodat nog niet is voldaan aan het duurzaamheidsvereiste en de staatssecretaris nog niet toekomt aan de toetsing aan die overige voorwaarden.

3.    De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in dit geval als begin van de termijn van tien jaren aan dient te nemen de datum van de eerste asielaanvraag (5 september 2008) of nader dient te motiveren dat het uitzetbeletsel pas vanaf een later moment van toepassing is. De staatssecretaris betoogt onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2434, r.o. 2.3, dat de rechtbank daarmee een onjuiste toets heeft aangelegd. Volgens de staatssecretaris gaat het in gevallen als deze niet om de vraag per wanneer het uitzetbeletsel zich objectief voordoet, maar om het moment waarop een vreemdeling met een door hem ingediende asielaanvraag aannemelijk maakt dat zich dat beletsel voordoet.

3.1.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2015 overwogen dat het beleid in paragraaf C4/3.11.3.4. - nu paragraaf C2/7.10.2.6. - van de Vc 2000 zo moet worden uitgelegd dat voor de termijn van tien jaren moet worden gerekend vanaf de datum van de eerste asielaanvraag die ten grondslag ligt aan het besluit waarin is vastgesteld dat een vreemdeling een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar het land van herkomst. Het is aan een vreemdeling om een asielaanvraag in te dienen op het moment waarop hij meent dit risico te lopen.

3.2.    In de uitspraak van 23 juli 2015 is een uitleg gegeven aan de zinsnede 'te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag' in het beleid van de staatssecretaris over het 'duurzaamheidsvereiste'. Dat zich in deze zaak een ander feitencomplex voordoet, betekent, anders dan de vreemdeling in zijn schriftelijke uiteenzetting betoogt, niet dat daaraan nu een andere uitleg moet worden gegeven. Bovendien staat in de uitspraak van 23 juli 2015 al dat de staatssecretaris blijkens zijn beleid niet beoordeelt of een vreemdeling het aan het uitzetbeletsel ten grondslag liggende risico op onmenselijke behandeling mogelijk ook al liep ten tijde van een eerder afgewezen aanvraag. Dat een vreemdeling een verzoek indient tot heroverweging van een eerder genomen besluit maakt dat niet anders, alleen al omdat dan het verzoek geldt als de aanvraag in de zin van het beleid in het kader waarvan een vreemdeling aannemelijk maakt dat zich een uitzetbeletsel voordoet.

3.3.    De vreemdeling betoogt in zijn schriftelijke uiteenzetting onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, dat de staatssecretaris gelet op de ambtsberichten van februari 2012 en juli 2013 juist moet beoordelen of de ingangsdatum van het uitzetbeletsel zich objectief al voordeed vóór de opvolgende asielaanvraag, omdat hij de staatssecretaris ook heeft verzocht om heroverweging van het in de eerdere asielprocedure genomen asielbesluit van 7 december 2012, waarop de staatssecretaris in zijn besluit van 25 april 2019 afwijzend heeft beslist. De beslissing op een herzieningsverzoek kan immers terugwerkende kracht hebben tot vóór de datum van de opvolgende asielaanvraag, aldus de vreemdeling. Dat betoog faalt, gelet op wat onder 3.1 en 3.2 is overwogen. Het verzoek om herziening dateert immers ook van 19 december 2016. De datum van de aanvraag (en het verzoek) waarin de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat zich een uitzetbeletsel voordoet, zijn doorslaggevend, niet het uitzetbeletsel als zodanig, zoals ook volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BB1057, r.o. 2.2.3.

3.4.    In zijn besluit van 25 april 2019 heeft de staatssecretaris voor het eerst vastgesteld dat de vreemdeling voormeld risico loopt. De staatssecretaris betoogt gelet op het vorenstaande terecht dat het niet van belang is of het uitzetbeletsel zich ook al voordeed voordat de vreemdeling op 19 december 2016 een opvolgende asielaanvraag deed en hem verzocht terug te komen van zijn eerdere besluit. Verder betoogt hij terecht dat het op de weg van de vreemdeling had gelegen om desgewenst eerder een asielaanvraag of een verzoek om heroverweging in te dienen, een beroep te doen op het uitzetbeletsel en dat zelf aannemelijk te maken.

3.5.    De grief slaagt alleen al daarom. Wat de staatssecretaris voor het overige aanvoert, behoeft geen bespreking.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris heeft het besluit van 12 februari 2020 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat die uitspraak wordt vernietigd, wordt dat besluit ook vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 3 december 2019 in zaak nr. NL19.9716;

III.    verklaart het beroep ongegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 12 februari 2020, V-[…].

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. van Wezep, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Van Wezep

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

572-844.