Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1443

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
24-06-2020
Datum publicatie
01-07-2020
Zaaknummer
202000029/1/V2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:9413, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000029/1/V2.

Datum uitspraak: 24 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 december 2019 in zaak nr. 19/3207 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 9 april 2019 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 december 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Ben Ahmed, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    Wat de vreemdeling in de eerste twee grieven heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

2.    De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over artikel 8 van het EVRM. Door bij de beoordeling van het bestaan van familieleven tussen referent en de vreemdeling uit te gaan van in Nederland wonende kinderen van de vreemdeling - kleinkinderen van referent - heeft de rechtbank een onjuiste feitelijke situatie aan haar beoordeling ten grondslag gelegd, aldus de vreemdeling.

3.    In het aanvullend beroepschrift is betoogd dat andere kinderen van 'cliënt' in Nederland wonen. De rechtbank heeft 'cliënt' opgevat als de vreemdeling en overwogen dat niet met stukken is onderbouwd dat de kinderen van de vreemdeling (kleinkinderen van referent) in Nederland wonen. De processtukken bevatten echter geen aanwijzingen voor het oordeel van de rechtbank dat met 'cliënt' de vreemdeling wordt bedoeld. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat van de vreemdeling kinderen, en van referent kleinkinderen, in Nederland wonen, zodat wat de vreemdeling daarover heeft aangevoerd, niet tot een ander oordeel leidt. Bij de beoordeling of sprake is van door artikel 8 van het EVRM beschermd familieleven, is de rechtbank dan ook van een onjuiste feitelijke situatie uitgegaan.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 december 2019 in zaak nr. 19/3207;

III.    wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. C.W. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Prins

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2020

238.