Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1418

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
201905760/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op zijn woning aan [locatie] in Hoogland. De woning is gesitueerd op de hoek van een blok rijwoningen. De aan [appellant] vergunde dakopbouw is de eerste dakopbouw van dit blok. Op het voor- en achterdakvlak van dit blok zijn dakkapellen aanwezig. Het college heeft in lijn met het door de stadsbouwmeester op 24 april 2018 gegeven welstandsadvies drie voorschriften aan de aan [appellant] verleende omgevingsvergunning verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905760/1/R4.

Datum uitspraak: 17 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Hoogland, gemeente Amersfoort,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 21 juni 2019 in zaak nr. 18/4083 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amersfoort.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2018 heeft het college aan [appellant] een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op zijn woning aan [locatie] in Hoogland (hierna: de woning).

Bij besluit van 20 september 2018 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 21 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 september 2018 vernietigd, het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 maart 2020, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Maaijen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    De woning is gesitueerd op de hoek van een blok rijwoningen. De aan [appellant] vergunde dakopbouw is de eerste dakopbouw van dit blok. Op het voor- en achterdakvlak van dit blok zijn dakkapellen aanwezig.

De Omgevingsvergunning

2.    Het college heeft in lijn met het door de stadsbouwmeester op 24 april 2018 gegeven welstandsadvies (hierna: het welstandsadvies) drie voorschriften aan de aan [appellant] verleende omgevingsvergunning verbonden. Het eerste voorschrift houdt in dat het kozijn van de dakopbouw in lijn moet worden geplaatst met de kozijnen van de al gerealiseerde dakkapellen. Het tweede voorschrift houdt in dat de onderzijde van de onderdorpel van het kozijn van de dakopbouw op gelijke hoogte moet worden gebouwd als de kozijnen van de al gerealiseerde dakkapellen. En het derde voorschrift houdt in dat het dakvlak van de dakopbouw, met gelijke dakhelling, maximaal 1,25 meter hoger mag komen te liggen dan het bestaande dakvlak van de woning.

De aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat niet buiten twijfel staat dat [appellant] door het bezwaar zijn rechtspositie had kunnen verbeteren, omdat het college ter zitting heeft erkend dat de dakopbouw, als gevolg van het eerste en tweede voorschrift, als hiervoor onder 2 vermeld, mogelijk lager op het dak zal moeten worden geplaatst dan aangevraagd. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, omdat het college ten onrechte met toepassing van artikel 7:3, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen van [appellant] heeft afgezien. De rechtbank heeft vervolgens zelf in de zaak voorzien door het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond te verklaren. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond is gelegen voor het oordeel dat het welstandsadvies zodanige gebreken vertoont dat het college de hiervoor onder 2 vermelde voorschriften, die in het welstandsadvies zijn opgenomen als voorwaarden om aan de redelijke eisen van welstand te kunnen voldoen, niet aan de omgevingsvergunning heeft mogen verbinden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] geen tegenadvies van een deskundige heeft overgelegd om het welstandsadvies te weerspreken.

Het hoger beroep

3.1.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen tegenadvies van een deskundige heeft overgelegd om het welstandsadvies te weerspreken. [appellant] voert aan dat hij in beroep in eerste aanleg een advies van architect G. Klamer van 30 oktober 2018 heeft overgelegd dat door de rechtbank als een deskundig tegenadvies had moeten worden aangemerkt. Gezien het advies van Klamer zijn de hiervoor onder 2 vermelde voorschriften ten onrechte met het oog op de redelijke eisen van welstand aan de omgevingsvergunning verbonden, aldus [appellant].

3.2.    Op 7 februari 2019 heeft [appellant] digitaal een aanvullend beroepschrift bij de rechtbank ingediend. Hoewel in dat stuk is vermeld dat een memo van Klamer als productie 1 is bijgevoegd, blijkt uit het rechtbankdossier niet dat [appellant] die productie daadwerkelijk digitaal of per post heeft overgelegd. Voorts blijkt uit het aanvullend beroepschrift niet expliciet dat [appellant] met dat memo heeft beoogd een tegen het welstandsadvies gericht tegenadvies over te leggen. [appellant] heeft in hoger beroep, hoewel de Afdeling hem daartoe in de gelegenheid heeft gesteld, geen stukken overgelegd op grond waarvan aannemelijk kan worden geacht dat hij het memo van Klamer in beroep aan de rechtbank heeft overgelegd. In zoverre faalt het betoog.

3.3.    [appellant] heeft in hoger beroep het memo van Klamer overgelegd. Ter zitting van de Afdeling heeft het college te kennen gegeven er geen bezwaar tegen te hebben dat de Afdeling de inhoud van dat memo bij haar beoordeling betrekt.

3.4.    Het memo van Klamer vermeldt over het eerste voorschrift dat: "Als gekeken wordt naar het bestaande dak en de positionering van de eerste gording is het bouwtechnisch logisch dat hierop de dakkappelen en/of dakopbouwen worden gestart. De positionering van de bestaande dakkapellen en dakopbouwen, zowel op [locatie] als de omliggende woningen is hiermee overeenkomstig. Wij zijn door deze twee argumenten van mening dat dit een reëel en uitvoerbaar uitgangspunt is."

    Het memo van Klamer vermeldt over het tweede voorschrift dat: "Dit is gezien het aantal al aanwezige dakkappelen en dakopbouwen een wenselijk punt en zal zorgen dat de nieuw te bouwen dakopbouw geen verdere verstoring van het dakpanorama tot gevolg heeft. Als dit echter gecombineerd wordt met de maximale verhoging van 1,25 meter ontstaat er een gevelbeeld dat ons inziens niet wenselijk is. Het nieuw te maken kozijn zal bij de bovendorpel lager zijn dan de bovendorpels van de omliggende dakkappellen en dakopbouwen. Dit zorgt voor een afwijking in het straatbeeld."

    Het memo van Klamer vermeldt over het derde voorschrift dat: "Hoewel wij begrijpen dat deze regel in de Welstandsnota van 2017 is opgenomen, dit zorgt namelijk voor een uniform beeld bij de in de toekomst te bouwen dakopbouwen, is de argumentatie onduidelijk waarom deze (recente) regel belangrijker wordt geacht dan conformeren aan de al aanwezige dakopbouwen op gelijksoortige woningen rondom [locatie]. Door dit voorschrift wijkt deze ene dakopbouw juist af van de omliggende dakopbouwen en zal dit zorgen voor een verstoring c.q. schending van het dakpanorama."

3.5.    Naar het oordeel van de Afdeling is in het memo van Klamer geen grond gelegen voor het oordeel dat het college de hiervoor onder 2 vermelde voorschriften niet aan de omgevingsvergunning heeft mogen verbinden. Dit memo bevat een andere visie op de wenselijkheid van uniformiteit bij dakopbouwen dan in de welstandsnota opgenomen, maar leidt daarmee niet tot het oordeel dat het welstandsadvies niet deugdelijk is.

    Het betoog faalt.

Slotsom

4.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd, voor zover aangevallen.

5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Robben

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020

610.