Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1415

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
201906053/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2019:7906, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 juli 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag over 2013 voor [appellant] herzien naar nihil. [appellant] heeft over 2013 zorgtoeslag ontvangen. Bij besluit van 6 oktober 2017 is de zorgtoeslag over berekeningsjaar 2013 herzien en vastgesteld op € 1.060,00. Bij het besluit van 21 juli 2018, gehandhaafd bij het besluit van 20 september 2018, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag over 2013 herzien en vastgesteld op nihil. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de te veel ontvangen zorgtoeslag teruggevorderd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat het (gezamenlijke) vermogen van [appellant] boven de vermogensgrens uitkomt en daarmee te hoog is voor zorgtoeslag. [appellant] vindt dat het vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting niet van invloed dient te zijn op de toekenning van zorgtoeslag omdat de vermogens in box 1 en 2 dat ook niet zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 18-06-2020
FutD 2020-1882
RSV 2020/224
NLF 2020/1487 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906053/1/A2.

Datum uitspraak: 17 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2019 in zaak

nr. 18/7242 in het geding tussen:

[appellant]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 juli 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag over 2013 voor [appellant] herzien naar nihil.

Bij besluit van 20 september 2018 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 25 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het proces-verbaal van deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst/Toeslagen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 juni 2020, waar de Belastingdienst/Toeslagen, vertegenwoordigd door drs. J.G.C. van de Werken en I.M. Genee, is verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader ten tijde van belang is opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellant] heeft over 2013 zorgtoeslag ontvangen. Bij besluit van 6 oktober 2017 is de zorgtoeslag over berekeningsjaar 2013 herzien en vastgesteld op € 1.060,00. Bij het besluit van 21 juli 2018, gehandhaafd bij het besluit van 20 september 2018, heeft de Belastingdienst/Toeslagen de zorgtoeslag over 2013 herzien en vastgesteld op nihil. De Belastingdienst/Toeslagen heeft de te veel ontvangen zorgtoeslag teruggevorderd. De Belastingdienst/Toeslagen heeft aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegd dat het (gezamenlijke) vermogen van [appellant] boven de vermogensgrens uitkomt en daarmee te hoog is voor zorgtoeslag. [appellant] vindt dat het vermogen in box 3 van de inkomstenbelasting niet van invloed dient te zijn op de toekenning van zorgtoeslag omdat de vermogens in box 1 en 2 dat ook niet zijn.

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij de beantwoording van de vraag of er voor de toepassing van de desbetreffende bepaling - in dit geval artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir), in samenhang gelezen met artikel 2a, eerste lid, van de Wet op de zorgtoeslag (hierna: de Wzt) - sprake is van gelijke gevallen en, zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om gelijke gevallen niettemin in verschillende zin te behandelen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de wetgever niet is getreden buiten deze ruime beoordelingsvrijheid door ervoor te kiezen het vermogen in box 1 en box 2 niet en het vermogen in box 3 wel mee te nemen in de vermogenstoets. Zo mensen met veel vermogen in box 1 en/of box 2 aan de ene kant en mensen met veel vermogen in box 3 aan de andere kant voor de zorgtoeslag al kunnen worden aangemerkt als gelijke gevallen, is de rechtbank van oordeel dat de keuze om alleen het vermogen in box 3 in aanmerking te nemen bij de beoordeling van het recht op zorgtoeslag niet van een redelijke grond is ontbloot. Het vermogen in box 3 is immers een ander soort vermogen dan het vermogen in box 1 en 2. Ook al is het vermogen in box 3 niet altijd direct vrij besteedbaar, het vermogen in box 1 en box 2 is dat in elk geval niet. De rechtbank heeft geoordeeld dat van willekeur geen sprake is.

     Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat de Belastingdienst/Toeslagen de hoorplicht heeft geschonden. De dienst heeft het bezwaar van [appellant] ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard omdat er niet op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat de bezwaren niet konden leiden tot een andersluidend besluit. Omdat [appellant] niet is benadeeld doordat hij niet is gehoord, heeft de rechtbank aanleiding gezien om met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) aan de schending van de hoorplicht voorbij te gaan.

Het hoger beroep

4.    [appellant] is het niet met de rechtbank eens. Hij vindt dat, nu de vermogens in box 1 en box 2 niet van invloed zijn op het recht op huurtoeslag, ook de grootte van het vermogen in box 3 niet van invloed moet zijn op de toekenning van zorgtoeslag. Door wel onderscheid te maken vindt discriminatie plaats. Iemand die een zogenaamd gebroken pensioen heeft en daardoor een lagere uitkering geniet en dus voor een deel zelf in zijn oudedagsvoorziening heeft moeten voorzien wordt hierdoor gepakt. Een ander die zijn spaargeld in de eigen woning heeft zitten en niet iedere maand geconfronteerd wordt met te betalen huurpenningen blijft ook recht houden op zorgtoeslag. Door de vele aanpassingen van het huidige belastingsysteem kan niet meer worden gesproken van eerlijke regelgeving, aldus [appellant].

Beroep op het discriminatieverbod

4.1.    Uit artikel 7, derde lid, van de Awir, in samenhang gelezen met artikel 2a, eerste lid, van de Wzt, zoals die bepalingen golden in 2013, volgt dat indien het voordeel uit sparen en beleggen in box 3 in dat betreffende berekeningsjaar meer dan € 80.000,00 boven het heffingvrije vermogen als bedoeld in de inkomstenbelasting bedraagt, geen recht op zorgtoeslag bestaat. Deze vermogenstoets heeft geen betrekking op vermogen in box 1 en box 2.

4.2.    Wat betreft het betoog van [appellant] dat het gemaakte onderscheid tussen box 1 en 2 aan de ene kant en box 3 aan de andere kant niet gerechtvaardigd is, sluit de Afdeling aan bij haar uitspraak van 1 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2937. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, gelet op de toelichting van de wetgever op het gemaakte onderscheid bij de vermogenstoets in artikel 7, derde lid, van de Awir (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 764, nr. 3, blz. 40) voor dat onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat. De in artikel 7, derde lid, van de Awir opgenomen vermogenstoets levert geen strijd op met het discriminatieverbod als opgenomen in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en artikel 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).

     Dat geldt ook voor artikel 2a van de Wzt. Die bepaling wijkt daarbij ook nog in gunstige zin af van artikel 7, derde lid, van de Awir. In de geschiedenis van de totstandkoming van de wijziging van de Wzt in verband met de introductie van een vermogenstoets is vermeld dat het kabinet van mening was dat mensen met een vermogen in box 3 boven de grens van € 80.000,00 geen inkomensondersteuning nodig hebben. Daarom is het recht op zorgtoeslag voor deze groep met ingang van 2013 beëindigd. Er is gekozen voor een van de Awir afwijkende vermogenstoets teneinde de daarmee samenhangende inkomenseffecten voor zorgtoeslaggerechtigden te beperken (Kamerstukken II 2011-2012, 33 024, nr. 3, p. 2 en 4). Dat het huidige belastingsysteem vaak is gewijzigd, zoals [appellant] stelt, leidt ook niet tot de conclusie dat sprake is van strijd met het discriminatieverbod zoals vervat in voornoemde verdragsbepalingen.

     Voorzover [appellant] zich, wat betreft de behandeling voor de zorgtoeslag van de vermogensbestanddelen in box 1 en 2 enerzijds en box 3 anderzijds, afzonderlijk op strijd met het gelijkheidsbeginsel beroept en voorzover voor toepassing van de artikelen 7, derde lid, van de Awir en 2a, eerste lid, van de Wzt sprake is van gelijke gevallen, is de Afdeling gelet op het voorgaande ook met de rechtbank van oordeel dat het terzake in die wetsbepalingen gemaakte onderscheid gerechtvaardigd is.

     Het betoog faalt.

Passeren van schending hoorplicht

5.    Het oordeel van de rechtbank dat de Belastingdienst/Toeslagen in de bezwaarfase de hoorplicht heeft geschonden is in hoger beroep niet in geschil. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan de schending van die hoorplicht voorbij is gegaan. [appellant] voert hiertoe aan dat een mondelinge behandeling bij de rechtbank niet op één lijn kan worden gesteld met het horen in de bezwaarfase omdat de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van een besluit van een andere aard is dan de integrale bestuurlijke heroverweging van een besluit door een bestuursorgaan. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat het bezwaar ten onrechte zonder te horen ongegrond is verklaard, had bovendien een proceskostenvergoeding moeten worden toegekend, aldus [appellant].

5.1.    De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellant] door het achterwege laten van het horen voorafgaand aan het besluit van 20 september 2019 niet in zijn belangen is geschaad. Het gaat in dit geschil immers niet om onduidelijkheid over de feiten, maar om een rechtsvraag en [appellant] heeft zijn standpunt dienaangaande in beroep bij de rechtbank volledig uiteen kunnen zetten. De rechtbank heeft het door haar geconstateerde, aan het besluit op bezwaar klevende gebrek daarom terecht met toepassing van artikel 6:22 van de Awb gepasseerd.

     Het had wel in de rede gelegen om bij het passeren van dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb een proceskostenveroordeling uit te spreken en een vergoeding van het griffierecht te gelasten. Dat heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten, terwijl geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken om daarvan af te zien. In zoverre treft het betoog doel en dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Het gaat bij de proceskosten uitsluitend om verletkosten, waarover op de zitting bij de rechtbank is gesproken. [appellant] heeft in zijn hogerberoepschrift aangevoerd dat deze kosten hier op € 42,00 kunnen worden gesteld.

6.    De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij is nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant] opgekomen proceskosten en te gelasten tot vergoeding van het door [appellant] betaalde griffierecht. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling de Belastingdienst/Toeslagen alsnog daartoe veroordelen en dit alsnog gelasten. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

7.    Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten in hoger beroep is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 juni 2019 in zaak nr. 18/7242, voor zover daarbij is nagelaten de Belastingdienst/Toeslagen te veroordelen tot vergoeding van bij [appellant] opgekomen proceskosten en te gelasten tot vergoeding van het door hem betaalde griffierecht;

III.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige;

IV.    veroordeelt de Belastingdienst/Toeslagen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 42,00;

V.    gelast dat de Belastingdienst/Toeslagen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.

w.g. Hoekstra    w.g. Dallinga

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020

18-902.

 

BIJLAGE

 

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten

Artikel 26

Allen zijn gelijk voor de wet en hebben zonder discriminatie aanspraak op gelijke bescherming door de wet. In dit verband verbiedt de wet discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status.

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen

Artikel 7

(…)

3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien bij de belanghebbende of, indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, zijn partner over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 in aanmerking wordt genomen, dan wel in aanmerking zou worden genomen indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van die wet.

(…)

Wet op de zorgtoeslag

Artikel 2a

1. In afwijking van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen bestaat geen aanspraak op een zorgtoeslag indien de grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80.000, dan wel, ingeval de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen, bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende en zijn partner in het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 80.000. Bij de bepaling van de grondslag, bedoeld in de vorige volzin, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

(…)

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.