Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1407

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
201904726/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente geweigerd om handhavend op te treden tegen geluidhinder, veroorzaakt door verkeer van en naar het krantendepot van de Persgroep Distributiegroep B.V. aan de Kerkstraat 123a. [appellant] woont op het perceel [locatie] te Goor. Aan de voorkant van zijn woning ligt de Kerkstraat en aan de zijkant een doodlopende weg, die ook Kerkstraat wordt genoemd. De toerit geeft toegang tot loodsen en garages van particulieren, enkele bedrijfsgebouwen en een volkstuincomplex. De woning van [appellant] en deze daarachter gelegen bebouwing liggen op een bedrijventerrein. Aan de overzijde van de toerit ligt een tankstation. De Persgroep drijft op het perceel Kerkstraat 123a in een deel van een bedrijfsgebouw een krantendepot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8288
JOM 2020/340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904726/1/R4.

Datum uitspraak: 17 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Goor, gemeente Hof van Twente,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 10 mei 2019 in zaak nr. 18/288 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2017 heeft het college geweigerd om handhavend op te treden tegen geluidhinder, veroorzaakt door verkeer van en naar het krantendepot van de Persgroep Distributiegroep B.V. aan de Kerkstraat 123a.

Bij besluit van 19 december 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college heeft daarnaast geen aanleiding gezien om maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit te stellen.

Bij uitspraak van 10 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Geen van de partijen heeft binnen de door de Afdeling gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Uitzonderlijke situatie

1.    Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen heeft de zitting van 18 maart 2020 geen doorgang kunnen vinden. De Afdeling heeft besloten met instemming van partijen de zaak zonder zitting af te doen.

Inleiding

2.    [appellant] woont op het perceel [locatie] te Goor (hierna: het perceel). Aan de voorkant van zijn woning ligt de Kerkstraat en aan de zijkant een doodlopende weg, die ook Kerkstraat wordt genoemd (hierna: de toerit). De toerit geeft toegang tot loodsen en garages van particulieren, enkele bedrijfsgebouwen en een volkstuincomplex. De woning van [appellant] en deze daarachter gelegen bebouwing liggen op een bedrijventerrein. Aan de overzijde van de toerit ligt een tankstation.

     De Persgroep drijft op het perceel Kerkstraat 123a in een deel van een bedrijfsgebouw een krantendepot. Vaststaat dat de bedrijfsactiviteiten van de Persgroep ter plaatse zijn aan te merken als die van een inrichting voor het overslaan van papier en dat daarop de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing zijn. Niet in geschil is dat de toerit geen onderdeel uitmaakt van de inrichting van de Persgroep. Het verkeer van en naar het krantendepot gaat vanaf de Kerkstraat via de toerit direct langs de woning van [appellant].

    [appellant] heeft verzocht om handhaving vanwege de geluidhinder die hij in de periode van 23.00-07.00 uur ervaart van piekgeluiden van het verkeer van en naar de inrichting. Daarom heeft hij in zijn bezwaarschrift, gericht tegen het besluit van 24 maart 2017, het college verzocht om maatwerkvoorschriften te stellen. Bij het besluit op bezwaar van 19 december 2017, voor zover hier van belang, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om op grond van de zorgplichtbepaling van het Activiteitenbesluit maatwerkvoorschriften te stellen.

    Het hoger beroep betreft uitsluitend het oordeel van de rechtbank dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit een oogpunt van beperking van geluidhinder het stellen van maatwerkschriften niet nodig is.

Relevante bepalingen

3.    Artikel 2.1, eerste lid, van het Activiteitenbesluit luidt:

"Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd."

     Artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder f, luidt:

"Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geluidhinder."

     Artikel 2.1, tweede lid, aanhef en onder k, luidt:

"Onder het voorkomen of beperken van het ontstaan van nadelige gevolgen voor het milieu als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan het voorkomen dan wel voor zover dat niet mogelijk is het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting."

     Artikel 2.1, vierde lid, luidt:

"Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste en derde lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door degene die de inrichting drijft dan wel degene die loost, te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting dan wel het lozen, bedoeld in het derde lid, nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt."

Beoordeling hoger beroep

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het stellen van maatwerkvoorschriften vanwege de door hem in de nachtperiode ervaren geluidhinder die wordt veroorzaakt door het gemotoriseerde verkeer van en naar het krantendepot. Hij wijst erop dat uit een door het college verrichtonderzoek is gebleken dat op de zijgevel van de woning maximale piekgeluidniveaus tot 74 dB(A) optreden die in de nachtperiode leiden tot ontwaakreacties. Het college heeft volgens hem in verband hiermee geen deugdelijke belangenafweging verricht, omdat er geen rekening is gehouden met de nadelige gevolgen voor zijn gezondheid.

    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien het besluit van 19 december 2017 te vernietigen wegens een motiveringsgebrek. Hij wijst erop dat het college eerst na dat besluit aanvullende redenen heeft gegeven waarom maatwerkvoorschriften niet zijn gesteld en dat de rechtbank die redenen ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van het besluit. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft hij de besluitvorming door het college niet bemoeilijkt. Hij heeft de omvang van zijn verzoek om maatwerkvoorstellen te stellen gedurende de procedure niet gewijzigd, aldus [appellant].

4.1.    De Afdeling heeft eerder overwogen, bijvoorbeeld in haar uitspraak van 24 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3463, dat het college beleidsruimte toekomt bij de beantwoording van de vraag of het gebruik zal maken van de bevoegdheid om maatwerkvoorschriften te stellen. Het college dient daarbij een belangenafweging te maken. De rechter beoordeelt of het college, in dit geval, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen om geen maatwerkvoorschriften te stellen.   

    Uit de toelichting bij het Activiteitenbesluit (nota van toelichting, blz. 116; Stb. 2007, 415) volgt dat de wetgever ervan uitgaat dat, gezien de specifieke werkingssfeer van het instrument maatwerkvoorschrift, het gebruik van dit instrument tot bijzondere en incidentele gevallen beperkt zal blijven (zie de uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0498).

5.    Tussen partijen is niet in geschil dat het geluid van het verkeer van en naar het krantendepot ter hoogte van de woning van [appellant] aan het inwerking zijn van het krantendepot is toe te rekenen. Het Activiteitenbesluit bevat geen regels voor de toegestane hoogte van de geluidbelasting, veroorzaakt door verkeer van en naar een inrichting. Wel is in artikel 2.1, vierde lid, in samenhang met het eerste lid en het tweede lid, aanhef en onder k, van het Activiteitenbesluit neergelegd dat maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld. Voor zover de rechtbank heeft verwezen naar het bepaalde onder f van dat artikellid gaat de Afdeling ervan uit dat daaronder het bepaalde onder k, moet worden begrepen.

    Het college heeft het geluid afkomstig van het verkeer van en naar het krantendepot getoetst aan de circulaire van 29 februari 1996 "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer" (hierna: de circulaire). Het college heeft in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de circulaire.

    In de circulaire wordt geadviseerd om de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting te beoordelen aan de hand van een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde (50 dB(A) in de dag-, 45 dB(A) in de avond- en 40 dB(A) in de nachtperiode), welke waarde onder bepaalde voorwaarden kan worden verhoogd tot 65 dB(A).     

    Het college is er in het besluit op bezwaar vanuit gegaan, door verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, dat wordt voldaan aan de grenswaarde van 40 dB(A) in de nachtperiode. [appellant] heeft niet betwist dat aan deze voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. In de stelling van [appellant] dat in de nachtperiode ontwaakreacties optreden door piekgeluiden van het verkeer van en naar het krantendepot, heeft het college geen aanleiding hoeven zien maatwerkvoorschriften te stellen. In de circulaire worden immers geen eisen gesteld aan de hoogte van piekgeluiden. Het college heeft dan ook reeds hierom, gegeven het door hem gehanteerde toetsingskader, in redelijkheid kunnen beslissen geen maatwerkvoorschriften te stellen vanwege geluidhinder voor de op het bedrijventerrein gelegen woning van [appellant]. In wat [appellant] in beroep heeft aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het besluit op bezwaar onvoldoende gemotiveerd is.

De rechtbank heeft terecht het besluit op bezwaar in stand gelaten.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020

163-935.