Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1406

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
201906530/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] heeft op 26 juli 2017 bij het college een urgentieverklaring aangevraagd. Zij verbleef op dat moment in een Amsterdams opvangcentrum voor personen zonder verblijfsvergunning. Daar kon zij niet blijven wonen, omdat ze inmiddels een verblijfsvergunning had. [appellante] heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning een indicatie voor beschermd wonen gekregen. Op 20 augustus 2018, en dus na het besluit op bezwaar, is zij bij een locatie voor begeleid wonen van het Leger des Heils geplaatst. Daar is zij in februari 2019 uit eigen beweging vertrokken, omdat volgens haar de woonomstandigheden niet naar behoren waren. Sinds februari 2020 woont zij noodgedwongen bij een opvanglocatie in Zaanstad. Zij wil echter in Amsterdam wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906530/1/A3.

Datum uitspraak: 17 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 19 juli 2019 in zaak nr. 18/5609 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2017 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.

Bij besluit van 6 augustus 2018 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2020, waar [appellante], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E. Carter, zijn verschenen.

Overwegingen

Juridisch toetsingskader

1.    Het juridisch toetsingskader is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    [appellante] heeft op 26 juli 2017 bij het college een urgentieverklaring aangevraagd. Zij verbleef op dat moment in een Amsterdams opvangcentrum voor personen zonder verblijfsvergunning. Daar kon zij niet blijven wonen, omdat ze inmiddels een verblijfsvergunning had. [appellante] heeft op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (hierna: Wmo) een indicatie voor beschermd wonen gekregen. Op 20 augustus 2018, en dus na het besluit op bezwaar, is zij bij een locatie voor begeleid wonen van het Leger des Heils geplaatst. Daar is zij in februari 2019 uit eigen beweging vertrokken, omdat volgens haar de woonomstandigheden niet naar behoren waren. Sinds februari 2020 woont zij noodgedwongen bij een opvanglocatie in Zaanstad. Zij wil echter in Amsterdam wonen.

Aangevallen uitspraak

3.    De rechtbank heeft overwogen dat het college [appellante]s bezwaar tegen het besluit van 16 augustus 2017 eerder bij besluit van 15 december 2017 ongegrond heeft verklaard. Bij uitspraak van 15 juni 2018 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, omdat daarin onvoldoende was gemotiveerd dat er volgens het college geen bijzondere feiten en omstandigheden zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Bij het nieuwe besluit op bezwaar van 6 augustus 2018 heeft het college de afwijzing van [appellante]s aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van de weigeringsgronden van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder d en f, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2017 (hierna: de Huisvestingsverordening). Volgens het college is geen sprake van een schrijnende situatie die een uitzondering op de regels met toepassing van de hardheidsclausule van artikel 2.6.11, eerste lid, van de Huisvestingsverordening rechtvaardigt. De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 juni 2018 geoordeeld dat het college de aanvraag heeft mogen afwijzen op grond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder f, van de Huisvestingsverordening. Nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingediend, staat deze in rechte vast en is de rechtbank aan het daarin opgenomen oordeel gebonden. [appellante] is niet opgekomen tegen het standpunt van het college dat sprake is van de weigeringsgrond van artikel 2.6.5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening.

Het college heeft voldoende gemotiveerd dat geen aanleiding bestaat om de hardheidsclausule toe te passen, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

4.    [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat sprake is van een bijzondere en schrijnende situatie die tot toepassing van de hardheidsclausule noopt. Door de weigering van het college om de gevraagde urgentieverklaring te verstrekken worden [appellante] en haar twee kinderen in hun belangen getroffen. Tegen haar wil zijn de kinderen in een pleeggezin geplaatst. Wanneer [appellante] beschikt over een passende woning kan worden gewerkt aan geleidelijk herstel van het contact met de kinderen. Gelet hierop is de weigering van de urgentieverklaring in strijd met de artikelen 3 en 5 van het Verdrag inzake de rechten van het kind.

4.1.    Het betoog faalt. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college ten tijde van het besluit op bezwaar van 6 augustus 2018 in redelijkheid niet was gehouden om met toepassing van de hardheidsclausule tot afgifte van een urgentieverklaring over te gaan. Zoals het college heeft toegelicht, kan aan urgentieverzoeken slechts bij hoge uitzondering worden voldaan gezien het zeer kleine aantal beschikbare sociale woningen en het grote aantal woningzoekenden en verzoeken om urgentieverklaringen in Amsterdam. Een urgentieverklaring is bedoeld voor een noodsituatie op woongebied. Het gaat daarbij om daklozen of gezinnen met minderjarige kinderen die dakloos zijn of dreigen te worden en om woningzoekenden met ernstige medische problemen. De aard en strekking van de hardheidsclausule is zodanig dat deze slechts met uiterste terughoudendheid kan worden toegepast. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college zich bij het besluit van 6 augustus 2018 terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake was van een schrijnende situatie, omdat [appellante] met de op grond van de Wmo afgegeven indicatie voor beschermd wonen toegang tot een passende woonvoorziening had. Dat, zoals [appellante] aanvoert, er voor die voorziening een wachtlijst is, maakt niet dat het college deze voorziening ten onrechte als toereikende en passende oplossing voor het huisvestingsprobleem heeft aangemerkt. Haar stelling dat de indicatie onjuist is en de daaraan ten grondslag liggende diagnose dat zij licht verstandelijk beperkt en niet-zelfredzaam is, ten onrechte is gesteld, kan in deze procedure niet aan de orde komen, maar moet tegen het desbetreffende Wmo-besluit worden ingebracht. De rechtbank heeft verder terecht in aanmerking genomen dat [appellante] een urgentieverklaring heeft aangevraagd voor zichzelf en niet mede voor haar kinderen, dat de kinderen in een stabiele situatie in een pleeggezin verblijven en dat er niet vanuit kan worden gegaan dat wanneer [appellante] eigen woonruimte heeft, haar kinderen zonder meer bij haar zullen worden teruggeplaatst. Niet is gebleken dat het college zich bij de besluitvorming onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van [appellante] en haar kinderen. Voor het oordeel dat is gehandeld in strijd met het Verdrag inzake de rechten van het kind is daarom geen sprake.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020

598.

 

BIJLAGE

 

Verdrag inzake de rechten van het kind

Artikel 3

1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging.

2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht.

Artikel 5

De Staten die partij zijn, eerbiedigen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de ouders of, indien van toepassing, van de leden van de familie in ruimere zin of de gemeenschap al naar gelang het plaatselijk gebruik, van wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, voor het voorzien in passende leiding en begeleiding bij de uitoefening door het kind van de in dit Verdrag erkende rechten, op een wijze die verenigbaar is met de zich ontwikkelende vermogens van het kind.

Huisvestingsverordening Amsterdam 2017

Artikel 2.6.5

1. Burgemeester en wethouders weigeren de urgentieverklaring indien naar hun oordeel sprake is van één of meerdere van de volgende omstandigheden:

[-]

d. het huisvestingsprobleem kon worden voorkomen of kan worden opgelost door gebruik te maken van een andere voorziening die gelet op aard en doel, wordt geacht voor het oplossen van het huisvestingsprobleem van belanghebbende toereikend en passend te zijn;

[-]

f. het aan de aanvraag ten grondslag liggende huisvestingsprobleem kan niet of in onvoldoende mate opgelost worden met verhuizing naar zelfstandige woonruimte of andere zelfstandige woonruimte;

[-]

Artikel 2.6.11

1. Burgemeester en wethouders zijn, indien toepassing van deze verordening zou leiden tot weigering van een urgentieverklaring, bevoegd om toch een urgentieverklaring toe te kennen indien:

a. weigering van een urgentieverklaring leidt tot een schrijnende situatie; en

b. sprake is van bijzondere, bij het vaststellen van de verordening onvoorziene, omstandigheden die gelet op het doel van de verordening redelijkerwijs toch een grond voor de verlening van een urgentieverklaring zouden kunnen zijn.

[-]