Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1391

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
201908398/1/R4
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:5688, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 februari 2019 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant een aanvraag van Cleanergy om haar een omgevingsvergunning te verlenen, afgewezen. Cleanergy is een mestverwerkingsbedrijf met een co-vergistingsinstallatie op het perceel Straatscheveld 2 te Wanroij. Op 13 mei 2016 heeft het college een aanvraag van Cleanergy ontvangen die, na wijziging en gedeeltelijke intrekking daarvan, strekt tot verlening van een omgevingsvergunning voor de duur van vijf jaren voor activiteiten als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Cleanergy wil met deze aanvraag een omgevingsvergunning krijgen voor verhoging van de mestverwerkingscapaciteit van 36.000 ton naar 75.000 ton per jaar, het hygiëniseren van 25.000 ton mest per jaar voor de export en het gelijktijdig in gebruik nemen van de twee eerder aan haar vergunde warmtekrachtkoppelinginstallaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201908398/1/R4.

Datum uitspraak: 17 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Cleanergy B.V. (hierna: Cleanergy), gevestigd te Wanroij, gemeente Sint Anthonis,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 4 oktober 2019 in zaak nr. 19/1009 in het geding tussen:

Cleanergy

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant.

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2019 heeft het college een aanvraag van Cleanergy om haar een omgevingsvergunning te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 4 oktober 2019 heeft de rechtbank het door Cleanergy daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Cleanergy hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2020, waar Cleanergy, vertegenwoordigd door [bestuurslid], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A.L. van Hoof-van Heertum en E.G.J. Reintjes, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Cleanergy is een mestverwerkingsbedrijf met een co-vergistingsinstallatie op het perceel Straatscheveld 2 te Wanroij (hierna: het perceel). Op 13 mei 2016 heeft het college een aanvraag van Cleanergy ontvangen die, na wijziging en gedeeltelijke intrekking daarvan, strekt tot verlening van een omgevingsvergunning voor de duur van vijf jaren voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c en e, onder 2° en 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Cleanergy wil met deze aanvraag een omgevingsvergunning krijgen voor verhoging van de mestverwerkingscapaciteit van 36.000 ton naar 75.000 ton per jaar, het hygiëniseren van 25.000 ton mest per jaar voor de export en het gelijktijdig in gebruik nemen van de twee eerder aan haar vergunde warmtekrachtkoppelinginstallaties.

2.    Bij besluit van 20 februari 2019, dat met de uitgebreide voorbereidingsprocedure tot stand is gekomen, heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de aangevraagde activiteiten onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Het college heeft de aanvraag afgewezen, omdat de aangevraagde gebruiksactiviteiten, waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo kunnen worden vergund. Het college heeft die afwijzing primair gebaseerd op artikel 4, aanhef en elfde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht, gelezen in samenhang met artikel 5, zesde lid, van die bijlage, omdat de tijdelijke gebruiksactiviteiten MER-plichtig zijn. Subsidiair heeft het college aan die afwijzing ten grondslag gelegd dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, omdat met de aangevraagde gebruiksactiviteiten niet wordt voldaan aan de in de Verordening ruimte Noord-Brabant (hierna: VrNB) vertaalde belangen en doelstellingen.

3.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de door Cleanergy aangevoerde betogen tegen wat het college primair en subsidiair aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag heeft gelegd, verworpen en het beroep ongegrond verklaard. Over het betoog tegen het subsidiair door het college ingenomen standpunt, heeft de rechtbank overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bedrijventerrein Molenveld geen middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein is als bedoeld in de VrNB.

4.    In hoger beroep stelt Cleanergy zich op het standpunt dat zij zich kan verenigen met het eindoordeel van de rechtbank en dat zij derhalve berust in het oordeel van de rechtbank dat het college haar aanvraag terecht heeft afgewezen. Cleanergy komt uitsluitend in hoger beroep, omdat zij zich niet kan verenigen met wat de rechtbank over bedrijventerrein Molenveld heeft overwogen, hiervoor weergegeven onder 3.

5.    Het college heeft zich in zijn schriftelijk uiteenzetting op het standpunt gesteld dat Cleanergy in hoger beroep geen procesbelang heeft.

6.    Het procesbelang is het belang dat Cleanergy heeft bij de uitkomst van de procedure, wat Cleanergy in concreto met haar hoger beroep wil, dan wel kan bereiken. Het gaat er niet om óf Cleanergy gelijk heeft, maar of zij een reëel en actueel belang heeft bij het gelijk, als zij dat zou hebben. Ter zitting van de Afdeling heeft Cleanergy te kennen gegeven dat zij belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep, omdat een oordeel in hoogste instantie over de vraag of bedrijventerrein Molenveld een middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein is duidelijkheid schept over haar toekomstmogelijkheden op het perceel. Voorts wil Cleanergy in toekomstige procedures niet worden geconfronteerd met de door haar bestreden overweging van de rechtbank.

7.    Op grond van de Algemene wetbestuursrecht is de bestuursrechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen als sprake is vaneen geschil met betrekking tot een besluit van een bestuursorgaan. Waar een dergelijk geschil niet, dan wel niet langer bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis daarvan. In de omstandigheid dat Cleanergy los van het inmiddels beëindigde geschil met het college over de afwijzing van de aanvraag een principiële uitspraak wenst te verkrijgen, is derhalve onvoldoende belang gelegen voor een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep. Een dergelijk belang is evenmin gelegen in eventuele toekomstige besluitvorming, omdat de rechtskracht van de aangevallen overweging is beperkt tot het beëindigde geschil over de afwijzing van de aanvraag. Die overweging van de rechtbank is derhalve niet bindend in eventuele toekomstige zaken.

8.    Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. G.M.H. Hoogvliet, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Robben

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020

610.