Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1385

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-06-2020
Datum publicatie
24-06-2020
Zaaknummer
201904465/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904465/1/V2.

Datum uitspraak: 17 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de minister, nu de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2019 in zaak nr. NL19.10703 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld.

Bij uitspraak van 4 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De vreemdeling heeft met een kennisgevingsformulier, model M35-O, een opvolgende asielaanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat de vreemdeling volgens hem onvoldoende heeft gereageerd op de gestelde vragen in het model M35-O en het voornemen. Volgens de rechtbank heeft hij dit ten onrechte gedaan. Deze uitspraak gaat over de vraag welke eisen de staatssecretaris kan stellen aan de informatie die een vreemdeling in het kader van zijn aanvraag moet geven.

2.    In de enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de asielaanvraag van de vreemdeling ten onrechte buiten behandeling heeft gesteld.

2.1.    Zoals in de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:574, onder 4.1 en 4.4) staat, kiest een vreemdeling zelf het moment waarop hij een opvolgende asielaanvraag indient. Daarbij is hij verplicht om volledig te zijn, om zo een efficiënte behandeling mogelijk te maken. Als hij die informatie niet geeft, heeft de staatssecretaris de bevoegdheid de asielaanvraag buiten behandeling te stellen, maar dan moet een vreemdeling wel de mogelijkheid krijgen om zijn aanvraag binnen een door de staatssecretaris te stellen termijn aan te vullen.

2.2.    Op het kennisgevingsformulier heeft de vreemdeling als reden voor de aanvraag het vakje 'nieuwe gebeurtenis/informatie' aangekruist en daarbij vermeld: 'Problemen in Somalië en Frankrijk. Sinds 2011 in Nederland'. In de zienswijze heeft de vreemdeling toegelicht dat de geldigheidsduur van haar in Frankrijk voor vluchtelingschap verleende verblijfstitel is verlopen. Die verblijfstitel gaf de staatssecretaris eerder aanleiding om de asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren. Door deze nieuwe situatie is de staatssecretaris gehouden om haar asielmotieven inhoudelijk te beoordelen, aldus de vreemdeling.

2.3.    Anders dan de rechtbank heeft overwogen heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling terecht wegens onvolledigheid buiten behandeling gesteld. Hoewel de geldigheidsduur van de door Frankrijk afgegeven verblijfstitel is verlopen, brengt die omstandigheid niet met zich dat de vreemdeling geen internationale bescherming meer heeft in Frankrijk. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraken van 9 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1253, onder 5.1.1 en 5.1.2 en 18 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2484, onder 3.1. De vreemdeling heeft op het kennisgevingsformulier of bij de zienswijze geen nadere informatie verstrekt over de door haar slechts gestelde beëindiging van die bescherming. Het is aan een vreemdeling om dergelijke stellingen die aan een opvolgende asielaanvraag ten grondslag liggen te onderbouwen en te staven. De rechtbank is kennelijk niet van dat uitgangspunt uitgegaan. Bij een opvolgende asielaanvraag is het niet aan de staatssecretaris om daarover door middel van onderzoek duidelijkheid te krijgen.

2.4.    Verder klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de vreemdeling op het kennisgevingsformulier en in de zienswijze onvolledig is geweest over de gestelde problemen in Somalië en Frankrijk. Op het kennisgevingsformulier heeft de vreemdeling deze problemen vermeld als reden voor het indienen van haar opvolgende asielaanvraag. Zij heeft niet gereageerd op het verzoek van de staatssecretaris om een toelichting op deze problemen. De rechtvaardiging voor die handelwijze, namelijk dat zij heeft willen toelichten waarom de afdoening door de staatssecretaris van eerdere asielaanvragen volgens haar door het verlopen van haar verblijfstitel niet gehandhaafd kan blijven, maakt dat niet anders. Daarmee miskent de vreemdeling dat de staatssecretaris heeft verzocht om juist over deze problemen nadere gegevens te verstrekken, omdat die volgens het door haar ingevulde kennisgevingsformulier reden zijn geweest voor de indiening van de opvolgende asielaanvraag.

2.5.    De grief slaagt.

3.    Het hoger beroep is daarom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 4 juni 2019 in zaak nr. NL19.10703;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Bosma

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2020

572-942.