Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1352

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-06-2020
Datum publicatie
17-06-2020
Zaaknummer
201905011/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:4731, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905011/1/V3.

Datum uitspraak: 10 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 juni 2019 in zaak nr. 18/9209 in het geding tussen:

[de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2018 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 30 november 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.C.E. Hoftijzer, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    De vreemdeling moet vanwege zijn fysieke en psychische klachten beschikken over en feitelijke toegang hebben tot de benodigde medische behandeling om te voorkomen dat zijn uitzetting naar Iran in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Hij heeft zijn gestelde identiteit en nationaliteit niet gestaafd met originele documenten en hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat dit hem niet valt toe te rekenen. In geschil is of de staatssecretaris terecht niet heeft onderzocht of de vreemdeling in Iran toegang zal hebben tot de voor hem noodzakelijke medische zorg.

2.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de toegang van de vreemdeling tot de benodigde medische behandeling niet heeft onderzocht en van horen in bezwaar heeft afgezien. Hoewel hij het standpunt heeft ingenomen dat de vreemdeling zijn gestelde identiteit en nationaliteit niet heeft gestaafd, heeft hij bij de aanvraag van het medisch advies niet getwijfeld aan die identiteit en nationaliteit. Verder heeft hij met de eis van originele documenten ter staving van de identiteit en nationaliteit een te zware maatstaf gehanteerd.

3.    De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat alleen advies gevraagd is over de beschikbaarheid van de benodigde medische behandeling in Iran, en zij bij de eis ter staving van de identiteit en nationaliteit een verkeerde uitleg heeft gegeven aan het arrest van het EHRM van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.

3.1.    De rechtbank heeft ten onrechte uit het feit dat de staatssecretaris het Bureau Medische Advisering heeft gevraagd te adviseren over de beschikbaarheid van medische behandeling in Iran, afgeleid dat hij niet twijfelde aan de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. Met de aanvraag van een advies heeft de staatssecretaris immers nog geen standpunt daarover ingenomen.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:571) is het volgens punt 186 van het arrest van 13 december 2016 aan een vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. Pas als die vreemdeling dit bewijs over de feitelijke toegankelijkheid tot de voor hem noodzakelijke medische behandeling heeft geleverd, is het aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen. Dit betekent dat de vreemdeling eerst aannemelijk moet maken dat hij feitelijk geen toegang heeft tot de benodigde medische behandeling in Iran. Dat kan niet zonder dat hij aannemelijk maakt wie hij is en dat heeft de vreemdeling niet gedaan. Met de van de vreemdeling vereiste officiële documenten ter staving van zijn gestelde identiteit en nationaliteit heeft de staatssecretaris, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, geen te zware maatstaf gehanteerd.

3.3.    De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij de toegang van de vreemdeling tot de benodigde medische behandeling niet heeft onderzocht en van horen in bezwaar heeft afgezien.

    De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven, en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

5.    De vreemdeling heeft in beroep geklaagd dat de staatssecretaris ten onrechte niet de proceskosten in bezwaar heeft vergoed.

5.1.    De staatssecretaris heeft, gelet op het oordeel van de rechtbank over de andere beroepsgronden en wat in hoger beroep is overwogen, het bezwaar terecht ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft daarom ook terecht geen proceskosten in bezwaar vergoed.

    De beroepsgrond faalt.

6.    Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 juni 2019 in zaak nr. 18/9209;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2020

279.