Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1312

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2020
Datum publicatie
03-06-2020
Zaaknummer
201906089/1/R2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:3763, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 mei 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk besloten tot invordering van een bedrag van € 72.600,00 aan door H.O.G. B.V. verbeurde dwangsommen. H.O.G. B.V. maakt voor haar bedrijfsactiviteiten gebruik van het perceel Barrier 5 te Bergeijk. Bij besluit van 28 november 2017 heeft het college H.O.G. B.V. onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen 8 weken na verzenddatum van het besluit, het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel te beëindigen. Het college heeft de last opgelegd, omdat het perceel volgens het college in strijd met de geldende bestemming niet ten behoeve van de uitoefening van een loonwerkbedrijf, maar voor de opslag en het verhandelen van (bulk)goederen wordt gebruikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8270
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906089/1/R2.

Datum uitspraak: 3 juni 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

H.O.G. B.V., gevestigd te Bergeijk,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 juni 2019 in zaak nr. 18/3269 in het geding tussen:

H.O.G. B.V.

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2018 heeft het college besloten tot invordering van een bedrag van € 72.600,00 aan door H.O.G. B.V. verbeurde dwangsommen.

Bij besluit van 14 november 2018 heeft het college het door H.O.G. B.V.  daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten, met dien verstande dat in dit besluit het in te vorderen bedrag ambtshalve is verlaagd tot een bedrag van € 66.000,00.

Bij uitspraak van 28 juni 2019 heeft de rechtbank het door H.O.G. B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft H.O.G. B.V. hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak, tegelijkertijd met de zaak met zaak nummer 201903775/1/R2 ter zitting behandeld op 2 maart 2020, waar H.O.G. B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.M. van den Boom, vergezeld door R. Coenders, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.    H.O.G. B.V. maakt voor haar bedrijfsactiviteiten gebruik van het perceel Barrier 5 te Bergeijk (hierna: het perceel).

    Bij besluit van 28 november 2017 heeft het college, voor zover thans van belang, H.O.G. B.V. onder oplegging van een dwangsom gelast om binnen 8 weken na verzenddatum van het besluit, het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel te beëindigen. De desbetreffende last luidt:

"Wij leggen de volgende lasten onder dwangsom op: (…).

- een last onder dwangsom van € 11.000,- (zegge: elfduizend euro) per week met een maximum van € 66.000,- (zegge: zesenzestigduizend euro) bij voortduring van de overtreding van artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo, het gebruik in strijd met het bestemmingsplan, het gebruik van het perceel voor opslag en verhandelen van allerlei (bulk)goederen; nog steeds voortduurt."

    H.O.G. B.V. heeft geen rechtsmiddelen tegen het besluit van 28 november 2017 aangewend. Dit besluit staat in rechte vast.

2.    Voor het perceel geldt ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "2e Herziening Buitengebied Bergeijk 2017" de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - 02’ "Loonwerkbedrijf".

    Het college heeft de last opgelegd, omdat het perceel volgens het college in strijd met de geldende bestemming niet ten behoeve van de uitoefening van een loonwerkbedrijf, maar voor de opslag en het verhandelen van (bulk)goederen wordt gebruikt. Het heeft zich in het besluit van 31 mei 2018 op het standpunt gesteld dat deze overtreding na de oplegging van de last en het verstrijken van de begunstigingstermijn onafgebroken heeft voortgeduurd, zodat het maximale bedrag van € 66.000,00 aan dwangsommen in verband daarmee is verbeurd.

    De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 14 november 2018, waarbij het primaire besluit ter zake is gehandhaafd, ongegrond verklaard.

De gronden van het hoger beroep

3.    H.O.G. B.V. betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de last onduidelijk is. Volgens H.O.G. B.V. moet uit de last duidelijk blijken wat men moet doen of nalaten teneinde het verbeuren van dwangsommen te voorkomen. In strijd met de rechtszekerheid voldoet de last niet aan deze voorwaarde. Dit blijkt reeds uit de omstandigheid dat de rechtbank voor de vereiste duidelijkheid van de last aansluiting heeft gezocht bij het constateringsrapport van het college van 19 april 2017, aldus H.O.G. B.V.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466), kan een belanghebbende in de procedure tegen de invorderingsbeschikking of de kostenverhaalsbeschikking in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom of de last onder bestuursdwang naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of betrokkene geen overtreder is.

    Hetgeen H.O.G. B.V. naar voren heeft gebracht, te weten dat de last onduidelijk is, is niet een dergelijk uitzonderlijk geval. Deze beroepsgrond kan daarom niet meer in het kader van de toetsing van de invorderingsbeschikking aan de orde komen. De rechtbank heeft hierin dan ook terecht geen grond gevonden voor vernietiging van het besluit.

    Het betoog faalt.

4.    H.O.G. B.V. betoogt verder dat de rechtbank heeft miskend dat geen dwangsommen zijn verbeurd, omdat zich na de begunstigingstermijn geen overtredingen van de last hebben voorgedaan. Zij voert daartoe aan dat uit de formulering van de last blijkt dat voor een overtreding daarvan zowel opslag van bulkgoederen als ook het verhandelen daarvan vanaf het perceel aan de orde moet zijn. Zoals ook de commissie voor de bezwaarschriften heeft overwogen, is volgens H.O.G. B.V. de handel in bulkgoederen in de relevante periode niet aangetoond.  

4.1.    Voorafgaand aan het invorderingsbesluit van 31 mei 2018 heeft het college na het verstrijken van de begunstigingstermijn op 1 en 14 februari 2018, alsmede op 8 maart 2018 op het perceel gecontroleerd. Daarvan zijn de controlerapporten van 22 februari en van 8 maart 2018 opgemaakt. Volgens het rapport van 22 februari 2018 en de bijbehorende foto’s zijn op 1 en 14 februari op het perceel en in de daar aanwezige loods grote hoeveelheden opgeslagen (bulk)goederen als hout, staal, bielzen, kratten en pallets aangetroffen. Volgens het rapport van 22 februari 2018 was verder een ‘Te koop’ bord aan de straat geplaatst bij onder meer pallets en een container met brandhout. Verder is in het rapport gerapporteerd: "T.o.v. de controle van 6 november 2017 is geconstateerd dat er wederom beweging in de goederen is geweest".

    Volgens het rapport van 8 maart 2018 en de bijbehorende foto’s waren op dat moment ook grote hoeveelheden goederen als kratten, hout en ander (bouw)materiaal opgeslagen en stond het bord ‘Te koop’ aan de straat. Ook bevonden zich blijkens de foto’s op 8 maart 2018 een vrachtwagen, een oplegger en diverse aanhangwagens op het perceel. De controleur constateerde volgens het rapport dat het perceel in gebruik was voor het opslaan van (bulk)goederen en voor het aanbieden voor de verkoop van deze goederen, direct aan de straat, dan wel via internet.

4.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat niet pas van een overtreding van de last sprake is als de betrokken goederen niet alleen in strijd met het bestemmingsplan op het perceel worden opgeslagen, maar ook worden verkocht. De last wordt overtreden als het perceel in strijd met de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding ‘loonwerkbedrijf’ wordt gebruikt. De rechtbank heeft dan ook terecht het standpunt van H.O.G. B.V. niet gevolgd dat voor verbeurte van de dwangsom zowel sprake moet zijn van de opslag als van het verhandelen van de opgeslagen goederen. Ook de geconstateerde opslag van de grote hoeveelheden goederen is in strijd met de geldende bestemming, omdat deze niet dient ten behoeve van de uitoefening van een loonwerkbedrijf. Anders dan H.O.G. B.V. betoogt, leidt de formulering van de last niet tot een ander oordeel.

    Dit overigens nog daargelaten dat uit de hiervoor besproken controlerapporten van 22 februari en 8 maart 2018 volgt dat ook handel in de opgeslagen goederen is geconstateerd, zowel op grond van het aan de straat geplaatste "Te Koop" bord, als via internet.

    De conclusie is dat de rechtbank het college terecht heeft gevolgd in het standpunt dat de last is overtreden en dat dientengevolge de ingevorderde dwangsommen zijn verbeurd.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. G.M.H. Hoogvliet en mr. P.H.A. Knol, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2020

641.