Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1272

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
201804471/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2018 heeft de raad van de gemeente Amersfoort het bestemmingsplan "Laan van Duurzaamheid" vastgesteld. Het plangebied betreft de gronden tussen de Rondweg Noord, de Oude Zevenhuizerstraat en de Laan van Duurzaamheid. Ten noorden van het plangebied ligt het Sportpark Nieuwland en ten oosten het bedrijventerrein Calveen. Het plan voorziet in een woonwijk met ongeveer 100 woningen van verschillende typen en, in het zuidwestelijk deel van het plangebied, een onbemand tankstation, zonder de verkoop van LPG. [belanghebbende] is eigenaar van de gronden van het plangebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/293
Milieurecht Totaal 2020/7142
TBR 2020/107 met annotatie van H.J. de Vries
JGROND 2020/176 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/176 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201804471/1/R4.
Datum uitspraak: 20 mei 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1. appellant sub 1], wonend te Amersfoort,

2. [ appellante sub 2], gevestigd te Hoogland, gemeente Amersfoort,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Laan van Duurzaamheid" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellante sub 2] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2020, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, en de raad, vertegenwoordigd door ing. W.L. Juijn-Dorst en ing. H.J.A. Krooder, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigden], als partij gehoord.

Overwegingen

1. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de uitspraak, dan wel in de bij deze uitspraak behorende bijlage.

2. Het plangebied betreft de gronden tussen de Rondweg Noord, de Oude Zevenhuizerstraat en de Laan van Duurzaamheid. Ten noorden van het plangebied ligt het Sportpark Nieuwland en ten oosten het bedrijventerrein Calveen. Het plan voorziet in een woonwijk met ongeveer 100 woningen van verschillende typen en, in het zuidwestelijk deel van het plangebied, een onbemand tankstation, zonder de verkoop van LPG.

[belanghebbende] is eigenaar van de gronden van het plangebied.

3. Het vorige bestemmingsplan voor het plangebied was "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen", vastgesteld door de raad bij besluit van 9 december 2014. De gronden van het plangebied waren in dit plan bestemd voor een bedrijventerrein. Hiermee werd een uitbreiding van het nabijgelegen bedrijventerrein Calveen beoogd. Dit bestemmingsplan is evenwel niet uitgevoerd. Het plangebied ligt feitelijk braak.

4. [ appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 1], op een afstand van ongeveer 10 m ten noordwesten van het plangebied. Hij heeft beroep ingesteld tegen het gehele plan, vanwege de gevolgen van de woningen en het tankstation voor zijn woon- en leefgenot.

[appellante sub 2] exploiteert tankstations aan de [locatie 2] en [locatie 3] in Hoogland. Beide locaties liggen op een afstand van ongeveer 1,4 km ten noordwesten, onderscheidenlijk zuidwesten van het plangebied. Het beroep van [appellante sub 2] is beperkt tot het plandeel met de bestemming "Bedrijf", waarop het tankstation is voorzien, vanwege de gevolgen hiervan voor haar bedrijfsvoering.

5. In het navolgende bespreekt de Afdeling eerst het beroep van [appellant sub 1] tegen de nieuwe woonwijk. Daarna volgt de beoordeling van de beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] tegen het plandeel voor het tankstation. Ten slotte bespreekt de Afdeling de beroepsgrond van [appellant sub 1] over de gevolgen van het gehele plan voor de verkeersafwikkeling in de omgeving van het plangebied.

Goede procesorde

6. [ appellante sub 2] betoogt dat de goede procesorde zich verzet tegen het toelaten van het door de raad op 4 maart 2020 in de procedure ingebrachte rapport "Distributief planologisch onderzoek tanklocatie Amersfoort-Noord" van bureau Star Line van 6 maart 2019 (hierna: rapport Dpo tanklocatie Amersfoort-Noord), dat - volgens de raad - de onderbouwing vormt van de behoefte aan het voorziene tankstation. Het was niet mogelijk om adequaat op dit rapport te reageren zo kort voor de zitting. Bovendien had de raad dit rapport ook eerder kunnen overleggen, aldus [appellante sub 2].

6.1.

Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

6.2.

Het rapport Dpo tanklocatie Amersfoort-Noord is vijf dagen voor de zitting ingediend. Beoordeeld moet worden of [appellante sub 2] voldoende in de gelegenheid is geweest om hierop adequaat te regeren. Dit is naar het oordeel van de Afdeling niet het geval geweest, gelet ook op de aard en omvang van het rapport. De Afdeling zal dit rapport wegens strijd met een goede procesorde buiten beschouwing laten bij het beoordelen van het beroep van [appellante sub 2]. Het betoog slaagt.

Toetsingskader

7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 1] tegen de woonwijk

Beschermde soorten

8. [ appellant sub 1] betoogt dat het plan leidt tot een aantasting van de natuurwaarden van het plangebied. De gronden liggen reeds een geruime tijd braak en het gebied heeft een groene uitstraling. In het gebied komen volgens [appellant sub 1] beschermde diersoorten voor.

8.1.

De Afdeling begrijpt dit betoog van [appellant sub 1] aldus dat het plan niet-uitvoerbaar is, omdat de ontwikkeling van het plangebied leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) over de soortenbescherming. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt dan wel een ontheffing op grond van de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. De raad heeft het plan niet kunnen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Wnb aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8.2.

Bij het voorbereiden van het plan heeft de raad onderzoek laten verrichten naar het voorkomen van beschermde dier- en plantsoorten in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in het rapport "Ecologische quickscan Laan van Duurzaamheid te Amersfoort" van bureau Ruimte voor Advies van 30 augustus 2016. Hierin wordt geconcludeerd dat voor de beschermde zoogdiersoorten en amfibieën die zijn aangetroffen of te verwachten op grond van de Wnb een vrijstelling geldt van de ontheffingsplicht bij ruimtelijke ontwikkelingen en bestendig beheer en onderhoud, omdat deze soorten op de provinciale vrijstellingslijst zijn opgenomen. Jaarrond beschermde vogelnesten zijn volgens het rapport niet aangetroffen in het plangebied, zodat kan worden volstaan met het uitvoeren van de noodzakelijke kap- en rooiwerkzaamheden buiten het broedseizoen.

[appellant sub 1] heeft deze conclusies niet bestreden. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het betoog slaagt niet.

Behoefte

9. [appellant sub 1] betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), omdat de behoefte aan de voorziene woningen niet inzichtelijk is gemaakt.

9.1.

Volgens de raad voorziet het plan niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Daarvan is volgens de raad in beginsel alleen sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt ten opzichte van hetgeen kon worden gerealiseerd krachtens het vorige bestemmingsplan. Het bouwvlak van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen" uit 2014 heeft een oppervlakte van 6.600 m². Ter plaatse was bedrijfsbebouwing tot een hoogte van 24 m toegelaten. Het thans voorliggende plan kent zeven te onderscheiden bouwvakken voor woningbouw met tezamen een oppervlakte van bijna 4.000 m². De totale bebouwingsoppervlakte neemt dus aanmerkelijk af. De bouwhoogte wordt in het thans voorliggende plan overal lager dan onder het vorige plan was toegelaten, aldus de raad.

De raad heeft subsidiair toegelicht dat in Amersfoort een grote behoefte bestaat aan woningen. Het aantal huishoudens groeit met 20.000 tot het jaar 2039. Om deze groei te kunnen faciliteren zijn er volgens de raad ongeveer 760 nieuwe woningen per jaar nodig. In de plantoelichting staat dat de woningen die binnen het plangebied worden ontwikkeld, waarvan 30 procent sociale huur, een binnenstedelijke ontwikkeling betreft die inspeelt op de vraag naar en behoefte aan woningen in of aan de rand van het stedelijk gebied van Amersfoort.

9.2.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, moet bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan. Een bestemmingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was.

9.3.

In het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen" was aan de gronden van het plangebied de bestemming "Bedrijventerrein - 2" toegekend, met de aanduiding "milieuzone – zones Wet milieubeheer 3.2". Blijkens artikel 6, lid 6.1, onder b, van de planregels van dat bestemmingsplan, waren deze gronden bestemd voor bedrijven in de categorieën 1 tot en met 3.2 zoals aangeduid in de bij de regels behorende "Staat van Bedrijfsactiviteiten".

9.4.

Het thans voorliggende bestemmingsplan voorziet in een woonwijk die bestaat uit zeven clusters van woningen. Hiertoe zijn aan gronden binnen het plangebied de bestemmingen "Wonen - 1" en "Wonen - 4" toegekend, met de bijbehorende bouwvlakken.

De gronden met de bestemming "Wonen 1" zijn blijkens artikel 8, lid 8.1, van de planregels aangewezen voor aaneengebouwde eengezinswoningen.

In artikel 9, lid 9.1, van de planregels is bepaald dat de gronden met de bestemming "Wonen - 4" zijn aangewezen voor eengezinswoningen in gestapelde vorm.

9.5.

De vergelijking die de raad heeft gemaakt van de planologische bouwmogelijkheden van het plan en het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen", als weergegeven hiervoor in overweging 9.1, is niet in geschil. Het staat vast dat de door het plan voorziene bouwvolume afneemt ten opzichte van hetgeen mogelijk was op grond van het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen". Dat bestemmingsplan stond evenwel geen woningen toe in het plangebied, ook niet na toepassing van een afwijkingsbevoegdheid. De vraag die voorligt is dus of de functiewijziging waarin het thans voorliggende plan voorziet een zodanige aard en omvang heeft dat - niettegenstaande de vermindering van het bouwvolume - sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Afdeling beantwoordt deze vraag bevestigend. Een wijziging van de toegelaten functie van een bedrijventerrein naar een woonwijk met, zoals ter zitting is gebleken, 110 woningen waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd, is in het licht van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro significant. Het plan voorziet daarom in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

9.6. [

appellant sub 1] heeft de hiervoor in 9.1 weergegeven onderbouwing van de raad van de behoefte aan de 110 woningen waarin het plan voorziet niet bestreden. Gelet daarop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de behoefte aan de voorziene woningen niet deugdelijk is onderbouwd. Het betoog slaagt niet.

Woningen niet passend in de omgeving

10. [appellant sub 1] betoogt dat de voorziene woningen niet passen in de omgeving vanwege het afwijkende aantal bouwlagen en de grotere bouwhoogten ten opzichte van nabijgelegen woningen. De woningen aan de Oude Zevenhuizerstraat zijn voornamelijk uitgevoerd in twee bouwlagen en zijn (hierdoor) ook lager, aldus [appellant sub 1].

10.1.

Blijkens de planregels, bezien in samenhang met de verbeelding, voorziet het plan in het noordelijke deel van het plangebied in een appartementengebouw dat uit vier bouwlagen bestaat, met een bouwhoogte van 15 m. In het zuidoostelijke deel worden appartementengebouwen gerealiseerd die uit vijf bouwlagen bestaan; deze hebben een bouwhoogte van ten hoogste 18 m. De aaneengebouwde woningen worden gerealiseerd in het centrale deel van het plangebied. Deze woningen worden uitgevoerd in maximaal drie bouwlagen en een bouwhoogte van ten hoogste 12 m.

10.2.

De raad heeft toegelicht dat de Oude Zevenhuizerstraat verschillende woningtypen kent. De meeste woningen zijn uitgevoerd in een of twee bouwlagen en een plat dak. In één geval is sprake van drie bouwlagen met een plat dak. Echter, in de directe nabijheid van het plangebied zijn ook hogere gebouwen te vinden. Aan de Gouden Ploeg, ten noorden van het plangebied, staat een appartementengebouw van vijf bouwlagen. Aan de overzijde van de Laan van Duurzaamheid bevindt zich bedrijfsbebouwing met een toegestane hoogte van maximaal 24 m. De enkele omstandigheid dat de woningen die het meest nabij het plangebied zijn gesitueerd, in het bijzonder de woningen aan de Oude Zevenhuizerstraat, in de regel lager zijn dan de woningen in het plangebied, betekent volgens de raad niet dat de voorziene woningen niet passend zijn in de omgeving. De nieuw te bouwen woningen zijn volgens de raad niet uitzonderlijk en zijn passend bij de verschillende bouwvormen en woningtypen in de wijk Nieuwland. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Het betoog slaagt niet.

Aantasting uitzicht

11. [appellant sub 1] vreest voor een ernstige aantasting van zijn uitzicht als gevolg van de voorziene woningen.

11.1.

De voor [appellant sub 1] meest nabijgelegen geprojecteerde bebouwing in het plangebied betreft de aaneengebouwde woningen, met een bouwhoogte van 12 m, in het westelijke deel van het plangebied. Deze woningen liggen ten zuidoosten van zijn perceel, op een afstand van ongeveer 25 m. De overige bouwclusters liggen op grotere afstand tot het perceel van [appellant sub 1]. De afstand tussen het perceel van [appellant sub 1] tot de aaneengebouwde woningen ten zuiden van zijn perceel bedraagt ongeveer 50 m. De afstand tot het appartementengebouw in het noordelijke deel van het plangebied (bouwhoogte 15 m) bedraagt ruim 90 m. Het plan leidt tot een verlies van het vrije uitzicht van [appellant sub 1], in de zin dat hij in de bestaande situatie zicht heeft op een onbebouwd gebied. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het tenietgaan van dit uitzicht niet onaanvaardbaar is. Aan een geldend bestemmingsplan kunnen geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Ook bestaat er geen recht op een blijvend vrij uitzicht. Het plangebied is een inbreidingslocatie binnen een stedelijke omgeving. Het is niet ongebruikelijk dat dergelijke locaties worden benut voor woningbouw of voor een andere stedelijke ontwikkeling. De hiervoor genoemde afstanden tot de geprojecteerde bebouwing zijn van dien aard dat in redelijkheid kan worden geoordeeld dat de raad rekening heeft gehouden met de belangen van [appellant sub 1]. Het betoog slaagt niet.

Afwijkingsbevoegdheid

12. [appellant sub 1] bestrijdt de afwijkingsbevoegdheid van artikel 8, lid 8.4, onder a, van de planregels. Met toepassing hiervan kunnen de aaneengebouwde woningen worden uitgebreid/verhoogd met een extra bouwlaag. Deze woningen krijgen in dat geval een vierde bouwlaag en worden ongeveer twee keer zo hoog als de woningen in de directe omgeving van het plangebied. Dit leidt volgens [appellant sub 1] tot een verdere aantasting van zijn uitzicht.

12.1.

De Afdeling overweegt dat de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid leidt tot aangebouwde woningen die uit vier bouwlagen bestaan (in plaats van drie bij recht). In de genoemde afwijkingsbepaling is vastgelegd dat de vierde bouwlaag aan minimaal 1 zijde minimaal 2 m terugliggend moet zijn ten opzichte van de overige bouwlagen. Verder is als afwijkingsvoorwaarde opgenomen dat de toepassing van de bevoegdheid niet mag leiden tot onevenredige benadeling van de belangen van de eigenaren of gebruikers van nabijgelegen gronden en het straat- en bebouwingsbeeld. De raad heeft toegelicht dat in het kader van de belangenafweging die voorafgaat aan de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid, rekening gehouden wordt met de ruimtelijke gevolgen van een vierde bouwlaag. Het belang van [appellant sub 1] wordt voldoende geborgd, gelet op de afwijkingsvoorwaarden. Dit standpunt van de raad is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Het betoog slaagt niet.

Parkeren

13. [appellant sub 1] vreest voor ernstige parkeerhinder in zijn omgeving als gevolg van de voorziene woningbouw. De parkeerbehoefte vanwege de woningen bedraagt volgens de plantoelichting 137 parkeerplaatsen, maar dit aantal is niet nader onderbouwd, aldus [appellant sub 1].

13.1.

De gronden in het plangebied die zijn bestemd voor "Verkeer - Verblijfsgebied" zijn onder meer aangewezen voor parkeervoorzieningen. Op deze gronden worden de openbare parkeerplaatsen in het plangebied gerealiseerd. Daarnaast zijn de gronden met de bestemming "Wonen - 1" en "Tuin" aangewezen voor parkeervoorzieningen. De benodigde (private) parkeerplaatsen voor de aaneengebouwde woningen worden op deze gronden gerealiseerd.

13.2.

In reactie op de naar voren gebrachte zienswijzen, heeft de raad de parkeerbehoefte vanwege de voorziene woningen nader onderbouwd. Het benodigde aantal van 137 parkeerplaatsen is berekend aan de hand van de gemeentelijke parkeernormen als vastgelegd in de "Nota Parkeernomen Amersfoort 2009", vastgesteld door de raad bij besluit van 3 juli 2012 en de "Beleidsregel Toepassing Parkeernormen 2014", vastgesteld door burgemeester en wethouders op 9 december 2014. Deze gemeentelijke parkeernormen vinden hun grondslag in de CROW-kencijfers. In de zienswijzennota is een tabel opgenomen waaruit volgt hoe het benodigde aantal parkeerplaatsen is berekend. [appellant sub 1] heeft deze berekening niet bestreden, zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat deze ondeugdelijk is.

13.3.

De raad heeft toegelicht dat de bewoners van de aaneengebouwde woningen op eigen terrein kunnen parkeren, op de gronden met de bestemming "Wonen 1". De bewoners van de appartementen hebben geen eigen parkeerplaatsen en moeten gebruik maken van het openbaar gebied. Hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het plangebied kan worden voorzien in de noodzakelijke parkeerbehoefte voor de woningen. Het betoog slaagt niet.

De beroepen van [appellant sub 1] en [appellante sub 2] tegen het tankstation

Provinciale Verordening Ruimte

14. [appellante sub 2] betoogt dat het plandeel voor het tankstation in strijd is met de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 provincie Utrecht (Herijking 2016; (hierna: PRV)), vastgesteld door provinciale staten van Utrecht bij besluit van 12 december 2016. De gronden van het plangebied zijn in de bij de PRV behorende kaart "Wonen en werken" aangewezen als "Detailhandel buiten bestaand winkelgebied". Op grond van artikel 4.4, tweede lid, van de PRV is nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel op deze gronden niet toegelaten, tenzij sprake is van een uitzondering als genoemd in die bepaling, maar dat zich een van die uitzonderingen voordoet heeft de raad niet onderbouwd.

14.1.

Volgens de raad is artikel 4.4, tweede lid, van de PRV in dit geval niet van toepassing. Het voorziene tankstation - de verkoop van motorbrandstoffen - is geen detailhandel als bedoeld in de PRV. Indien wordt aangenomen dat wel sprake is van detailhandel, dan is het plan niet in strijd met de genoemde bepaling, omdat geen sprake is van nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel. Ter plaatse was reeds een tankstation toegelaten op grond van het vorige bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen" uit 2014, aldus de raad.

14.2.

Het begrip "detailhandel" is in artikel 1 van de PRV gedefinieerd als "het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en anders dan voor gebruik ter plaatse. Onder detailhandel vallen niet: afhaalpunten (locaties ten behoeve van internetdetailhandel die uitsluitend bedoeld zijn voor het afhalen of terugbrengen van goederen door de consument)."

14.3.

In artikel 4.4, tweede lid, van de PRV is - voor zover hier van belang - bepaald dat nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel niet is toegelaten op gronden die op de bij de PRV behorende kaart "Wonen en werken" zijn aangewezen als "Detailhandel buiten bestaand winkelgebied", tenzij sprake is van een van de in deze bepaling (onder a tot en met e) genoemde uitzonderingen.

Niet in geschil is dat het plangebied op de bij de PRV behorende kaart "Wonen en werken" aangewezen is als "Detailhandel buiten bestaand winkelgebied".

Gelet op het voorgaande dient de vraag zich aan of het standpunt van de raad dat een onbemand tankstation als voorzien door het plan geen detailhandel is als bedoeld in de PRV, althans dat het verbod van artikel 4.4, tweede lid, van de PRV niet ziet op onbemande tankstations, juist is.

14.4.

In eerdere uitspraken van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 14 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3721, is aan de orde geweest de vraag naar de reikwijdte van een vergelijkbare definitiebepaling van "detailhandel" als hier aan de orde en in het bijzonder de vraag of de verkoop van motorbrandstoffen onder een dergelijke definitiebepaling valt. In de genoemde uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat een onbemand tankstation een vorm van detailhandel betreft, omdat ter plaatse bedrijfsmatig goederen worden verkocht en geleverd aan personen die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending. Het thans voorliggende geval moet evenwel worden bezien in de context van het verbod van artikel 4.4, tweede lid, van de PRV. Dit verbod heeft tot doel om nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel buiten bestaande winkelgebieden te beperken door dit alleen in bepaalde gevallen (onder voorwaarden) mogelijk te maken. Een louter woordelijke interpretatie van de bepaling leidt ertoe dat onbemande tankstations waar uitsluitend motorbrandstoffen kunnen worden afgenomen, in beginsel alleen mogelijk zijn in bestaande winkelgebieden. Nieuwvestiging of uitbreiding van onbemande tankstations nabij belangrijke ontsluitingswegen, dus juist op locaties die zich het meest lenen voor een tankstation, zou dan alleen zijn toegestaan indien het een bestaand winkelgebied betreft. De Afdeling is van oordeel dat dit niet het doel kan zijn geweest dat provinciale staten hebben nagestreefd met artikel 4.4, tweede lid, van de PRV. Steun voor deze uitleg van de bepaling is ook te vinden in de bij a tot en met e genoemde uitzonderingen op het verbod. De uitzonderingssituaties als vastgelegd in de subbepalingen b tot en met e zijn als zodanig niet toepasbaar op onbemande tankstations. De uitzondering van artikel 4.4, tweede lid, onder a, heeft betrekking op de situatie dat de behoefte aan extra detailhandel het gevolg is van een in een ruimtelijk besluit vastgestelde grootschalige toevoeging van woningen of een andere stedelijke ontwikkeling. Hoewel het niet ondenkbaar is dat voor de nieuwvestiging van een onbemand tankstation een beroep wordt gedaan op deze uitzondering op het verbod, is deze uitzonderingsmogelijkheid niet opgenomen met het oog op een eventuele behoefte aan tankstations, maar om te voorzien in een behoefte aan "gewone" winkels. Van belang is verder dat de raad onweersproken heeft gesteld dat de provincie in het kader van het vooroverleg te kennen heeft gegeven dat met het plan geen provinciale belangen zijn gemoeid en dat de raad er daarom vanuit is gegaan dat het plandeel niet in strijd is met genoemde bepaling van de PRV.

De Afdeling is gelet op het voorgaande van oordeel dat het verbod van artikel 4.4, tweede lid, van de PRV aldus moet worden uitgelegd dat zij geen betrekking heeft op (onbemande) tankstations waar uitsluitend motorbrandstoffen kunnen worden afgenomen (getankt). In een vergelijkbare zaak, waar het ging om de verordening van een andere provincie, is de Afdeling tot hetzelfde oordeel gekomen (uitspraak van 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:872).

14.5.

Gelet op het hiervoor gegeven oordeel, hoeft niet te worden geoordeeld over het verweer van de raad dat het vorige plan reeds een tankstation toeliet in het plangebied.

Behoefte

15. [appellante sub 2] betoogt dat geen behoefte bestaat aan het voorziene tankstation, althans dat dit niet is onderbouwd. Volgens haar is het plan daarom in zoverre vastgesteld in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.

15.1.

De Afdeling is van oordeel dat dit onbemand tankstation zonder gebouw(en) en van geringe omvang geen stedelijke ontwikkeling is als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder i, van het Bro." Dit oordeel betekent dat evenmin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is daarom niet van toepassing op het plandeel voor het tankstation. Dit neemt niet weg dat de raad, gelet op artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, bij het vaststellen van het plan inzichtelijk dient te maken dat behoefte bestaat aan de voorziene ontwikkeling. Voor deze behoefteonderbouwing heeft de raad gewezen op het hiervoor in overweging 6 genoemd rapport Dpo tanklocatie Amersfoort-Noord. Omdat dit rapport niet tijdig is overgelegd, wordt het buiten behandeling gelaten. Dit leidt tot het oordeel dat de behoefte aan het tankstation niet inzichtelijk is gemaakt, zodat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt.

Strijd met beleid

16. [appellante sub 2] betoogt dat het plandeel voor het tankstation in strijd is met gemeentelijk beleid. In dit verband noemt zij het "Coalitieakkoord 2014-2018", de "Structuurvisie Amersfoort", vastgesteld door de raad bij besluit van 9 juli 2013, de "Visie werklocaties 2030", vastgesteld door de raad bij besluit van 26 april 2011 en het "Verkeer- en vervoerplan" van 23 september 2013.

16.1.

De gestelde strijd met het Verkeer- en vervoerplan, de Structuurvisie en de Visie werklocaties 2030 kan, wat daar verder ook van zij, vanwege het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het plandeel voor het tankstation. De passages waar [appellante sub 2] naar verwijst hebben betrekking op luchtkwaliteit, bereikbaarheid van de stad en duurzaam vervoer en op de werkgelegenheid.

Dit zijn geen belangen waar [appellante sub 2] voor kan opkomen, aangezien zij haar hoedanigheid van belanghebbende in deze procedure ontleent aan haar positie als concurrente onderneming.

[appellante sub 2] heeft haar betoog dat het plan in strijd is met het Coalitieakkoord niet gemotiveerd.

Het betoog faalt.

Veiligheid

17. [appellant sub 1] betoogt dat het tankstation leidt tot een gevaarlijke situatie in zijn woonomgeving. Volgens hem is niet duidelijk of het plandeel voor het tankstation in overeenstemming is met de veiligheidsafstanden als voorgeschreven in het Belsuit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi).

17.1.

Volgens de raad is de planregeling voor het tankstation in overeenstemming met de in de publicatie "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (hierna: VNG-publicatie) voor het aspect "gevaar" aanbevolen richtafstand van 10 m tussen woningen en een "benzineservicestation (zonder LPG)".

17.2.

Aan de gronden met de bestemming "Bedrijf" is tevens de aanduiding "verkoop motorbrandstoffen zonder LPG" toegekend. Blijkens artikel 3, lid 3.1, van de planregels laat het plan op deze gronden geen verkoop van LPG toe. De in acht te nemen afstandseisen als vastgelegd in tabel 1 van Bijlage I bij het Bevi zien op de verkoop van LPG. Deze afstanden zijn hier dus niet aan de orde. Behoudens een algemene verwijzing naar het Bevi, heeft [appellant sub 1] deze beroepsgrond niet nader onderbouwd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het tankstation leidt tot een onaanvaardbare veiligheidssituatie in de directe woonomgeving van [appellant sub 1]. Het betoog slaagt niet.

Overlast

18. Wat betreft de vrees van [appellant sub 1] voor overlast van hangjongeren, overweegt de Afdeling dat dit in beginsel een kwestie van handhaving betreft. Overigens valt zonder nadere motivering niet in te zien waarom een (onbemand) tankstation in het bijzonder zou leiden tot deze vorm van overlast.

19. Evenmin bestaat aanleiding om aan te nemen dat [appellant sub 1] ernstige geur- en lichthinder zal ondervinden van het tankstation, gelet op de afstand tussen het tankstation en zijn perceel van ongeveer 70 m. Bij dit oordeel betrekt de Afdeling de omstandigheid dat de raad heeft toegelicht dat in de VNG-publicatie voor het hinderaspect "geur" een richtafstand wordt aanbevolen van 30 m tussen woningen en een "benzineservicestation". De hoogte van de reclamezuilen is blijkens de tabel bij artikel 3, lid 3.2.2, van de planregels beperkt tot maximaal 4 m. Lichtmasten mogen een hoogte hebben van maximaal 6 m. Het betoog slaagt niet.

Verkeersafwikkeling

20. [ appellant sub 1] vreest voor ernstige problemen met de verkeersafwikkeling en -veiligheid in zijn omgeving als gevolg van de vereersaantrekkende werking van het plan. Een onderzoek naar de gevolgen van de woningen en het tankstation voor de verkeersafwikkeling in de omgeving ontbreekt.

20.1.

Volgens de raad is een onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de verkeersafwikkeling niet nodig. Ook de huidige (bedrijven)bestemming leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen in de omgeving. De ontsluiting van de woonwijk wijzigt niet ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. Het tankstation krijgt een eigen ontsluiting op de Rondweg Noord, aldus de raad.

20.2.

De Afdeling overweegt dat niet in geschil is dat het tankstation ontsloten zal worden op de Rondweg Noord, zijnde een autoweg met gescheiden rijstroken, en dat het tankstation niet (rechtstreeks) te bereiken is via de woonwijk. De raad heeft zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het stadpunt kunnen stellen dat het tankstation geen noemenswaardige gevolgen zal hebben voor de verkeersituatie in de omgeving van het perceel van [appellant sub 1].

20.3.

Wat betreft de gevolgen van de voorziene woningen voor de verkeerssituatie in de omgeving, overweegt de Afdeling als volgt. Het staat vast dat de raad geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het extra verkeer vanwege de nieuwe woningen. Het verweer van de raad dat het plan, wat betreft de verkeersgeneratie, ongeveer dezelfde effecten zal hebben als het vorige plan, houdt geen stand. De raad dient bij het vaststellen van een bestemmingsplan te bezien wat de gevolgen zullen zijn van - in dit geval - de voorziene woonwijk, waarbij als referentie dient de feitelijk bestaande situatie ten tijde van het vaststellen van het bestemmingsplan. In de bestaande situatie is het plangebied onbebouwd. De verkeerssituatie die mogelijk is op grond van het vorige plan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen" uit 2014, is in het kader van het onderzoek naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan niet van belang, nu de planologische mogelijkheden van het vorige bestemmingsplan niet zijn verwezenlijkt. Omdat een onderzoek naar de gevolgen van de verkeersgeneratie vanwege de woningen ontbreekt, is het plan in zoverre vastgesteld in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

Opdracht

21. Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling een tussenuitspraak doen en de raad opdragen om alsnog binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak de geconstateerde gebreken in het besluit van 24 april 2018 te herstellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen in 15.1 is overwogen de behoefte aan het voorziene tankstation te onderbouwen. De raad kan hiertoe alsnog een beroep doen op het rapport Dpo tanklocatie Amersfoort-Noord, indien zijn standpunt is dat de behoefte wordt aangetoond met dit rapport. In geval [appellante sub 2] zich niet kan verenigen met de inhoud van genoemd rapport, zal zij dit naar voren kunnen brengen in het kader van haar zienswijze tegen de herstelmotivering.

De raad dient verder met inachtneming van hetgeen in 20.3 is overwogen alsnog onderzoek te verrichten naar de gevolgen van de verkeersaantrekkende werking van de voorziene woningen voor de verkeersafwikkeling en -veiligheid in de omgeving en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek nader te motiveren dat deze gevolgen ruimtelijk aanvaardbaar zijn.

De raad kan er ook voor kiezen het besluit te wijzigen. De raad dient de Afdeling en andere partijen mededeling te doen van een eventueel nieuw besluit en dit besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet opnieuw te worden toegepast.

Voorlopige voorziening

22. De Afdeling ziet aanleiding een voorlopige voorziening te treffen om onomkeerbare ontwikkelingen te voorkomen. Hiertoe zal de Afdeling het besluitonderdeel voor de woningen schorsen. Het besluitonderdeel voor het tankstation is geschorst door de voorzieningenrechter bij uitspraak van 12 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3315.

Proceskosten

23. In de einduitspraak zal worden geoordeeld over de vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Amersfoort op om:

- binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen onder 21 is overwogen de daar omschreven gebreken in het besluit van 24 april 2018 te herstellen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het eventueel nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Amersfoort van 24 april 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Laan van Duurzaamheid" wat betreft de plandelen met de bestemmingen "Wonen - 1" en "Wonen - 4";

III. bepaalt dat de voorlopige voorziening vervalt nadat einduitspraak is gedaan.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. R.W.L. Koopmans en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2020

739.

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:69a

De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.1.1

1. In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

i. stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Artikel 3.1.6, tweede lid

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 provincie Utrecht (Herijking 2016)

Artikel 4.4 Detailhandel

1. Als "Detailhandel buiten bestaand winkelgebied" wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Wonen en werken. Als "Bestaand winkelgebied" wordt aangewezen het gebied waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Wonen en werken.

2. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als "Detailhandel buiten bestaand winkelgebied" bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die voorzien in nieuwvestiging of uitbreiding van detailhandel dan wel het wijzigen van brancheringsregels voor detailhandel, tenzij:

a. het gaat om detailhandel waaraan een aantoonbare behoefte bestaat als gevolg van een in een ruimtelijk besluit vastgestelde grootschalige toevoeging van woningen of andere stedelijke ontwikkeling, of,

b. het gaat om brand- of explosiegevaarlijke detailhandel op bedrijventerreinen, of

c. het gaat om nieuwvestiging of uitbreiding van volumineuze detailhandel indien daarvoor aantoonbare behoefte bestaat en in vigerende ruimtelijke besluiten geen planologische ruimte voor volumineuze detailhandel aanwezig is, of

d. het gaat om oppervlakteneutrale verplaatsing van volumineuze detailhandel die noodzakelijk is vanuit het oogpunt van hinder, veiligheid, verkeersaantrekkende werking of het economisch functioneren van het gebied en onder de voorwaarde dat de bouwvlakken van de te verplaatsen detailhandel een andere bestemming krijgen, of

e. het gaat om verplaatsing of uitbreiding van detailhandel in aansluiting op het gebied "Bestaand winkelgebied" indien dit noodzakelijk is voor het economisch of maatschappelijk functioneren van het bestaande winkelgebied.

[…].

Bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen"

Artikel 1 Begrippen

1.39

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen een afhaalservice van etenswaren, de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Artikel 6: Bedrijventerrein 2

6.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Bedrijventerrein 2" (Calveen) aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijven in de categorie 1 tot en met 3.2, ter plaatse van de aanduiding 3.2 zoals aangeduid in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

b. bedrijven in de categorie 1 tot en met 4.1, ter plaatse van de aanduiding 4.1 zoals aangeduid in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten;

c. bedrijfsgebonden, onzelfstandige kantoren zijn uitsluitend toegestaan voor zover zij behoren bij de toegelaten bedrijven en mits de vloeroppervlakte van die kantoren per bedrijf minder bedraagt dan 50% van het brutovloeroppervlak van het bedrijf, tenzij dit percentage ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, op basis van verworven rechten al afwijkend is;

d. zelfstandige kantoren uitsluitend zijn toegestaan in een bedrijfsverzamelgebouw waarbinnen drie of meer bedrijven zijn gevestigd en per bedrijfsverzamelgebouw niet meer dan 50% van het totale bruto vloeroppervlak bestaat uit zelfstandige kantoren en parkeren op eigen terrein plaatsvindt;

[…].

6.5

Specifieke gebruiksregels

[…].

c. detailhandel is uitgesloten behalve voor productiegebonden detailhandel in ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten.

Artikel 47: Algemene aanduidingsregels

47.4

Milieuzone - zones Wet milieubeheer

47.4.1

Omschrijving gebiedsaanduiding

De gronden ter plaatse van de aanduiding "Milieuzone - zones wet milieubeheer" zijn bestemd voor het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten in aangegeven milieucategorie overeenkomstig de bijbehorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van risicovolle inrichtingen.

Bestemmingsplan "Laan van Duurzaamheid"

Artikel 3 Bedrijf

3.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Bedrijf" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een verkooppunt voor motorbrandstoffen, met uitzondering van lpg;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, nutsvoorzieningen, wegen en paden, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen en erven;

met dien verstande dat per bedrijf voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag.

3.2

Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming en nutsvoorzieningen.

3.2.1

Gebouwen - algemeen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

a. uitsluitend ter plaatse van de specifieke bouwaanduiding "overkapping" is een overkapping toegestaan met een hoogte van maximaal 6 m;

b. voor het overige zijn alleen bouwwerken in de vorm van nutsvoorzieningen toegestaan met een maximale hoogte van 3,5 m en een inhoud van 50 m³.

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied

6.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Verkeer - Verblijfsgebied" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woonerven, woonstraten, pleinen en speelvoorzieningen;

b. voet- en fietspaden;

c. parkeervoorzieningen;

d. in- en uitritten;

[…].

Artikel 8 Wonen - 1

8.1

Bestemmingsomschrijving

De voor "Wonen - 1" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. eengezinswoningen, aaneengebouwd, met de bijbehorende bouwwerken;

b. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals tuinen en erven, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water;

met dien verstande dat per woning voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag.

8.2

Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan, die ten dienste staan van de bestemming en nutsvoorzieningen.

8.2.1

Gebouwen - algemeen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

woningen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd;

van de woningen minimaal 30% van het plangebied bestemd dient zijn voor sociale huurwoningen;

het aantal bouwlagen mag niet meer bedragen dan zoals aangegeven op de verbeelding, waarbij de maximale bouwhoogte niet meer dan 12 m mag bedragen.

8.4

Afwijken van de bouwregels

Het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 8.2.1, onder c, ten behoeve van het realiseren van één extra bouwlaag, mits deze extra bouwlaag aan minimaal 1 zijde minimaal 2 m terugliggend is ten opzichte van de overige bouwlagen en voor zover wordt voldaan aan de punten zoals benoemd onder 8.4, onder c;

[…];

c. een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 8.4 kan slechts worden verleend, mits:

1. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;

2. het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 9 Wonen - 4

9.1

Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen - 4' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. eengezinswoningen in gestapelde vorm met bijbehorende bouwwerken;

bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals tuinen en erven, groen, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en water;

met dien verstande dat per woning voorzien dient te worden in voldoende parkeergelegenheid zoals vastgelegd in de Nota Parkeernormen Amersfoort zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag.

9.2

Bouwregels

Op en in deze gronden zijn uitsluitend gebouwen en andere bouwwerken toegestaan die ten dienste staan van de bestemming.

9.2.1

Gebouwen - algemeen

Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels:

de woningen mogen uitsluitend in gestapelde vorm worden gebouwd;

van de woningen minimaal 30% van het plangebied bestemd dient zijn voor sociale huurwoningen;

de woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

het aantal bouwlagen mag niet meer zijn dan is aangegeven op de verbeelding, waarbij de maximale bouwhoogte bij 4 bouwlagen niet meer dan 15 m mag bedragen, en bij 5 bouwlagen 18 m;

kelders die zijn gelegen geheel onder het maaiveld zijn overal toegestaan waar gebouwen zijn toegestaan, waarbij het bebouwingspercentage mag worden overschreden.