Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1264

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
201805123/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2018 heeft de raad van de gemeente Haarlemmermeer het bestemmingsplan "Integraal Kind Centrum Halfweg" vastgesteld. Het plan maakt de bouw mogelijk van een Integraal Kind Centrum (IKC) met een groene buitenspeelruimte, in het Margrietplantsoen in Halfweg. Het IKC komt voort uit het samengaan van de drie bestaande basisscholen in Halfweg (de Jozefschool, de Margrietschool en de Halverwegeschool). Naast de basisscholen zal in het gebouw een kinderopvang worden gerealiseerd. De bijbehorende gymzaal wordt buiten het plangebied gerealiseerd. Op grond van het vorige bestemmingsplan, "Halfweg 2007" hadden de gronden een groenbestemming. Appellanten wonen in de directe omgeving van het plangebied en vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de in het plan voorziene bouwmogelijkheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8361 met annotatie van G. van den End
JG 2020/31 met annotatie van Kramer, J.S.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201805123/1/R1.

Datum uitspraak: 20 mei 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Halfweg, gemeente Haarlemmermeer,

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], wonend te Halfweg, gemeente Haarlemmermeer (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3.    [appellant sub 3], wonend te Halfweg, gemeente Haarlemmermeer,

4.    [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], wonend te Halfweg, gemeente Haarlemmermeer,

5.    [appellant sub 5], wonend te Halfweg, gemeente Haarlemmermeer,

en

de raad van de gemeente Haarlemmermeer, als rechtsopvolger van de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Integraal Kind Centrum Halfweg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2020, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. S.D. van Reenen, rechtsbijstandverlener, [appellant sub 4A], bij monde van [appellant sub 4B], bijgestaan door mr. M.R. Fleers, advocaat te Den Haag, [appellant sub 5], bijgestaan door mr. M.H. Fleers, voornoemd, [appellant sub 3], vertegenwoordigd door mr. B.J.M. Vernooij, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. G.J.M. Immens, rechtsbijstandverlener, en de raad, vertegenwoordigd door W. Sietinga, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het plan maakt de bouw mogelijk van een Integraal Kind Centrum (IKC) met een groene buitenspeelruimte, in het Margrietplantsoen in Halfweg. Het IKC komt voort uit het samengaan van de drie bestaande basisscholen in Halfweg (de Jozefschool, de Margrietschool en de Halverwegeschool). Naast de basisscholen zal in het gebouw een kinderopvang worden gerealiseerd. De bijbehorende gymzaal wordt buiten het plangebied gerealiseerd. Op grond van het vorige bestemmingsplan, "Halfweg 2007" hadden de gronden een groenbestemming.

     Appellanten wonen in de directe omgeving van het plangebied en vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de in het plan voorziene bouwmogelijkheden.

Toetsingskader

2.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Alternatieven

3.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] stellen dat het Margrietplantsoen niet de meest geschikte locatie is voor het IKC en dat omwonenden in de vorm van een professioneel rapport reële alternatieven hebben aangedragen voor de locatie van de school. De raad heeft deze onvoldoende onderzocht. Zo is volgens [appellant sub 1], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] op de huidige locatie van de St. Jozefschool ruimte voor een IKC, in combinatie met een gymzaal op het Margrietplantsoen. Ook stellen zij dat het kinderdagverblijf elders zou kunnen worden gehuisvest. Verder betoogt [appellant sub 1] dat het mogelijk is om twee locaties aan te houden, namelijk de huidige Jozefschool en de Halverwegeschool. [appellant sub 2] stelt dat er onvoldoende draagvlak is voor de huidige locatie.

3.1.    De raad stelt dat de locatiekeuze voor het IKC in eerste instantie is vormgegeven in de nota "Gebiedsvisie ontwikkeling Dorpskern Halfweg" van 21 april 2015 (hierna: de gebiedsvisie). In de gebiedsvisie is volgens de raad de wens uitgesproken om te komen tot ‘stevige scholen’ om goede onderwijsvoorzieningen te kunnen behouden voor Halfweg. Tevens is in de gebiedsvisie een eerste locatieverkenning gedaan, aldus de raad. Voorts betoogt de raad dat in het kader van de vaststelling van de gebiedsvisie alternatieve locaties zijn onderzocht, en dat aan de hand daarvan is gekozen om de locatie in het Margrietplantsoen verder uit te werken. Ter zitting heeft de raad aangegeven dat in het kader van de totstandkoming van het plan  geen afweging is gemaakt van de alternatieven. Op dit punt wordt in de plantoelichting verwezen naar de gebiedsvisie. Tevens heeft de raad ter zitting toegelicht dat de door omwonenden aangedragen alternatieven niet aanvaardbaar zijn geacht, nu hierbij is uitgegaan van de verspreiding van de school op meerdere locaties. Juist doordat het IKC op één locatie is gelokaliseerd, hebben de schoolbesturen meer mogelijkheden om voorzieningen te delen en op die manier efficiënter en effectiever hun middelen in te zetten, aldus de raad. Deze alternatieven zijn zodoende niet als reëel beschouwd, aldus de raad.

3.2.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

3.3.     De Afdeling acht het standpunt van de raad dat het omwille van het efficiënter en effectiever inzetten van middelen wenselijk is om de desbetreffende voorzieningen voor kinderen op één locatie onder te brengen niet onredelijk. Voor zover in de door omwonenden aangedragen alternatieven is uitgegaan van andere opties, bijvoorbeeld de locatie van de St. Jozefschool in combinatie met de huidige locatie van de Halverwegeschool, of het verplaatsen van het kinderdagverblijf naar een andere locatie, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van reële alternatieven. In zoverre heeft de raad ook geen nadere afweging van de alternatieven hoeven maken bij de voorbereiding van het plan en kon worden volstaan met een verwijzing naar de gebiedsvisie.

    Ten aanzien van het door omwonenden aangedragen alternatief van de locatie van de St. Jozefschool voor het IKC, in combinatie met een gymzaal in het Margrietplantsoen, overweegt de Afdeling dat de raad dit alternatief niet buiten beschouwing had mogen laten. In de gekozen voorkeursvariant wordt het IKC immers ook ontwikkeld op een andere locatie dan de gymzaal. Omdat in de plantoelichting is uitgegaan van de voorkeurslocatie aan het Margrietplantsoen en geen acht is geslagen op de voor- en nadelen van mogelijke alternatieve locaties, meer specifiek de locatie van de St. Jozefschool in combinatie met een gymzaal in het Margrietplantsoen, oordeelt de Afdeling dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de afweging ten aanzien van dit door omwonenden aangedragen alternatief heeft plaatsgevonden. In zoverre ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ondeugdelijk is gemotiveerd.

    De betogen slagen.

Aantal leerlingen en omvang school

4.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat het onduidelijk is waarom de raad een school voor 330 leerlingen noodzakelijk acht. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] stellen dat ongeveer 60% van de leerlingen van de drie basisscholen van buiten Halfweg komt en dat daarom de noodzaak ontbreekt om die leerlingen in Halfweg op te vangen. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] betogen eveneens dat de behoefte aan een IKC van een dergelijke omvang op deze locatie onvoldoende is aangetoond, omdat een groot aantal leerlingen van buiten Halfweg komt. 

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het onmogelijk is leerlingen van buiten Halfweg van het IKC te weren, gezien het uitgangspunt van de vrije schoolkeuze. Daarom is voor de omvang van het IKC niet uitsluitend het aantal kinderen in Halfweg bepalend. De raad heeft toegelicht dat uit de "Leerlingenprognose 2015-2033 Haarlemmerliede en Spaarnwoude" van augustus 2015 (hierna: de prognose), opgesteld door Planning Verband Groningen BV ten behoeve van de voorbereiding van het plan, volgt dat het aantal leerlingen in Halfweg zal toenemen tot 400, maar dat voor het aantal van 330 is gekozen om de school aantrekkelijk te maken voor de meest dichtbijgelegen woonkern en het aantal leerlingen van buiten Halfweg te beperken. De raad stelt verder dat de omvang van 330 leerlingen in samenspraak met de besturen van de scholen tot stand is gekomen en dat met deze omvang is geborgd dat de school in de toekomst kwalitatief goed onderwijs kan verzorgen.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een aantal van maximaal 330 leerlingen voor het IKC aanvaardbaar is. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat dit aantal lager ligt dan de prognose en de raad in zoverre dus al een beperking van het aantal mogelijke leerlingen heeft aangebracht.

    De betogen falen.

Behoud dorpse karakter en leefbaarheid

5.    [appellant sub 3] betoogt dat het beoogde schoolgebouw qua omvang te massaal is en daardoor de leefbaarheid van de buurt aantast. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] stellen dat een IKC van kleinere omvang beter bij het dorpse karakter van Halfweg past.

5.1.    De raad heeft toegelicht dat het IKC wordt ingepast in de omgeving, waarbij het dorpse karakter wordt behouden. Hiermee is rekening gehouden door middel van de in het plan opgenomen maximaal mogelijke hoogte van het IKC en de locatie van het gebouw ten opzichte van de Julianastraat, aldus de raad. Eveneens zal volgens de raad het gebouw qua architectuur een dorpse uitstraling krijgen.

5.2.    Blijkens artikel 4 van het bestemmingsplan "Halfweg 2007" gelden voor de woningen rondom het Margrietplantsoen maximale bouwhoogtes van tussen de 7 en 10 m. Blijkens het plan is de maximale bouwhoogte voor het IKC 8 m.

5.3.    Ten aanzien van de omvang van het gebouw van het IKC in relatie tot het behoud van het dorpse karakter van Halfweg, overweegt de Afdeling dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het IKC inpasbaar is in de dorpskern van Halfweg. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de bouwhoogte van het IKC beperkt is tot 8 m, waarmee wordt aangesloten op de bebouwing in de omgeving en waardoor het uitzicht op de kerktorens in Halfweg bewaard blijft. Ook acht de Afdeling van belang dat het IKC wordt omgeven door groen, en dat bij de locatie van het bouwvlak aansluiting is gezocht bij de rooilijnen van de bebouwing aan de Julianastraat. [appellant sub 3] heeft niet geconcretiseerd dat de leefbaarheid van de buurt door het beoogde schoolgebouw wordt aangetast.

    De betogen falen.

Groen

6.    [appellant sub 1] en [appellant sub 3] betogen dat de raad ten onrechte groengebied opoffert en dat onduidelijk is hoe de raad dit verlies aan groen in het Margrietplantsoen wil compenseren. Uit de plantoelichting blijkt volgens [appellant sub 1] weliswaar dat de raad dit wil doen bij de kerk en bij de huidige Jozefschool, waar het groen van de school openbaar blijft, maar het is onduidelijk hoe dit precies wordt bewerkstelligd. Voorts betoogt [appellant sub 1] dat het voor de veiligheid onwenselijk is als het groen op het schoolplein openbaar is en dat meerdere kleine stukken groen minder veilig en bespeelbaar zijn dan één groot stuk. [appellant sub 3] betoogt dat het plan in strijd is met het structuurplan "Ruimbaan voor groen!" (hierna: het structuurplan) dat uitbreiding van openbaar groen nastreeft.

6.1.    Onder het vorige plan "Halfweg 2007" had het gehele plangebied de bestemming "Groen". In het plan is aan het westelijk deel van het plangebied de bestemming "Maatschappelijk" toegekend en aan het oostelijk deel de bestemming "Groen" met aanduiding "speelvoorziening". Ingevolge artikel 3, lid 3.1, onder a en b, van de planregels zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen, en ter plaatse van de aanduiding 'speelvoorziening' voor openbare speelvoorzieningen en tevens speelvoorzieningen ten behoeve van de naastgelegen gronden met de bestemming "Maatschappelijk". Voorts is in het landschappelijk inpassingsplan dat als bijlage bij de planregels is gevoegd, in beeld gebracht hoe bij de nieuwbouw groen wordt voorzien. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat er een nieuw stuk groen komt, ter hoogte van de huidige Jozefschool, en dat een stuk grond op de hoek van de Oranje Nassaustraat en de Amsterdamsestraat), grenzend aan de N200, grondig wordt verbeterd, zodat er qua oppervlakte ongeveer evenveel groen wordt gerealiseerd als met het plan verdwijnt.

    De Afdeling overweegt dat de aantasting van het groen door de met de bebouwing voorziene ingrepen niet zo ernstig is, dat de raad daaraan bij de belangenafweging een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er sprake is van voldoende compensatie van groen dat als gevolg van de bebouwing voor het IKC zal verdwijnen. Ten aanzien van de veiligheid  overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1] niet concreet heeft gemaakt dat het uit oogpunt van  de veiligheid onwenselijk is als het schoolplein openbaar is, noch dat meerdere kleine locaties met groen minder veilig en bespeelbaar zijn. Het betoog van [appellant sub 3] geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de structuurvisie.

    De betogen falen.

Geluid

Gemengd gebied

7.    [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] betogen dat de raad het plangebied ten onrechte heeft aangemerkt als "gemengd gebied". Zij stellen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2690, dat het gebied moet worden gekwalificeerd als "rustige woonwijk". Rondom het plangebied komen overwegend woningen voor en zijn vrijwel geen andere functies aanwezig, afgezien van enkele wijkgebonden voorzieningen aan de Oranje Nassaustraat, namelijk een cafetaria, een kapsalon en een PC-winkel. Volgens [appellant sub 5] en [appellanten sub 4] geldt dus op grond van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering", editie 2009, (hierna: de VNG-brochure) een richtafstand van 30 m tussen de grens van de bestemming "Maatschappelijk" en de uiterste situering van de gevel van een woning. Nu de afstand tussen de grens van de bestemming "Maatschappelijk" en de uiterste situering van de gevel van de woning aan het [locatie 1], 10 m bedraagt, is niet voldaan aan de richtlijn van 30 m. Daarmee is het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening, aldus [appellant sub 5] en [appellanten sub 4].

7.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat dit deel van Halfweg een "gemengd gebied" is in de zin van de VNG-brochure, omdat er sprake is van functiemenging, en het gebied zich op geringe afstand van de N200 en de Oranje Nassaustraat bevindt. Er is dan ook uitgegaan van de juiste richtafstand, zo betoogt de raad. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat  vanzelfsprekend is geacht dat de aanwezigheid van de drie scholen bijdraagt aan de kwalificatie van gemengd gebied, en dat dit daarom niet nader is benoemd.

7.2.    De Afdeling overweegt dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat aan de hand van de in de omgeving van het plangebied voorkomende functies die omgeving kan worden gekwalificeerd als gemengd gebied. Daarbij is van belang dat onduidelijk is welk gebied bij de kwalificatie in aanmerking is genomen. De nabijheid van de provinciale weg N200 en de enkele door de raad in dit verband meegenomen voorzieningen in de wijk zijn op zichzelf op voorhand - zonder nadere motivering - onvoldoende om van een gemengd gebied uit te gaan. Dit is ook zo als daarbij de niet uitdrukkelijk meegenomen scholen worden betrokken. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de provinciale weg op ongeveer 115 m afstand van het plangebied ligt. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb vastgesteld. 

    De betogen slagen.

Geluid verkeer en kinderen

8.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] vrezen voor geluidoverlast als gevolg van het verkeer en de kinderen, nu uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau op de woningen aan het [locatie 2] en [locatie 1] op 52 en 53 dB(A) is vastgesteld, waarbij de richtwaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] stellen dat uit het akoestisch onderzoek blijkt dat door cumulatie van het geluid van spelende kinderen met het wegverkeerslawaai sprake is van 57 en 58 dB(A) op de woningen aan het [locatie 2] en [locatie 1]. Hoewel het geluid van spelende kinderen op een schoolplein niet onder het Activiteitenbesluit milieubeheer valt en niet is genormeerd, dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening en een goed woon- en leefklimaat hier wel rekening mee te worden gehouden, zo betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. [appellant sub 2] stelt dat moeten worden meegewogen dat de kinderen de hele dag buiten zullen spelen, en de overlast niet beperkt zal zijn tot specifieke tijdstippen. Voorts stellen zij dat de voorziene luchtbehandelingsinstallatie tot een nog verdere overschrijding van de grenswaarden zal leiden. Eveneens is volgens hen niet duidelijk of in het onderzoek met bepaalde aspecten rekening is gehouden, zoals tonaal geluid van de luchtbehandelingsinstallatie. Daarnaast is volgens hen onduidelijk of in het verkeersonderzoek rekening is gehouden met het aantal kinderen dat uit Amsterdam komt.

8.1.     De raad stelt dat omdat stemgeluid van kinderen niet is genormeerd in het Activiteitenbesluit milieubeheer in de plantoelichting uitgebreid is ingegaan op de gevolgen van het stemgeluid voor de omgeving. De raad stelt dat de geluidsituatie ruimtelijk aanvaardbaar is, onder meer omdat stemgeluid niet de meest bepalende factor voor de geluidbelasting in de omgeving is, maar wegverkeersgeluid. Gelet op het verkeerslawaai valt het stemgeluid van kinderen weg en is er geen sprake van mee te wegen cumulatie van geluidbelasting. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de verkeersgeneratie als gevolg van het plan  door deskundigen is onderzocht en dat van die deskundigheid is uitgegaan bij het opstellen van het plan, hetgeen verklaart waarom de onderzoeken niet zijn bijgevoegd. Voorts heeft de raad ter zitting toegelicht dat de luchtbehandelingsinstallatie geen extra geluidbelasting zal opleveren en dat deze voorwaarde zal worden geborgd in de aanbesteding. Tevens heeft de raad ter zitting toegelicht dat het piekgeluid van kinderstemmen niet is meegenomen.

8.2.    Ten behoeve van de vaststelling van het plan heeft de raad akoestisch onderzoek laten uitvoeren door adviesbureau Rho. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Halfweg IKC Margrietplantsoen" van 22 februari 2017 (hierna: het akoestisch onderzoek). In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het stemgeluid van kinderen wegvalt ten opzichte van het geluid dat door het verkeer wordt veroorzaakt en dat daarom geen sprake is van cumulatie van geluid.

    Over het verkeerslawaai vermeldt het onderzoek dat voor het brengen en halen van kinderen en het personeel van de school wordt uitgegaan van circa 450 voertuigbewegingen in de dagperiode. Dit aantal is gebaseerd op de uitgevoerde onderzoeken naar verkeersgeneratie en parkeerbehoefte, die zijn uitgevoerd in het kader van het opstellen van hetProgramma van Eisen van 18 oktober 2016, dat de basis vormt voor de verdere uitwerking van het IKC.

8.3.    De Afdeling overweegt dat de verkeerscijfers uit het geluidonderzoek zijn gebaseerd op verkeersonderzoeken die niet bij de plantoelichting zijn gevoegd en ook niet anderszins zijn overgelegd. Daarom is ook niet duidelijk of in de verkeersonderzoeken rekening is gehouden met het aantal kinderen dat uit Amsterdam komt en met de auto wordt gebracht. Verder is ter zitting gebleken dat in het geluidonderzoek geen rekening is gehouden met het tonale geluid van de luchtbehandelingsinstallaties en de piekgeluiden van kinderstemmen.

    Nu de kennelijk aan het plan ten grondslag gelegde onderzoeken naar de verkeersgeneratie niet zijn overgelegd en in de geluidsonderzoeken met bepaalde aspecten geen rekening is gehouden en deze derhalve onvolledig zijn, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat in zoverre  het plan in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig is voorbereid en in strijd met artikel 3:46 van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd.

    De betogen slagen.

Parkeren

9.    [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] betogen dat er te weinig parkeerplaatsen zijn voorzien ten behoeve van het IKC en dat de parkeerdruk ontoelaatbaar zal toenemen. [appellant sub 2] stelt dat de parkeersituatie niet voldoet aan het gemeentelijk parkeerbeleid zoals vastgelegd in het rapport "Parkeren in Haarlemmerliede en Spaarnwoude" van 20 januari 2016 (hierna: het parkeerbeleid). In het parkeerbeleid is volgens [appellant sub 2] bepaald dat nieuw te ontwikkelen voorzieningen in woonwijken, zoals een school, in principe in hun eigen parkeerbehoefte moeten voorzien. Daarvan is hier geen sprake, nu er diverse parkeermogelijkheden op de openbare weg worden gecreëerd. Volgens [appellant sub 1] zijn de berekeningen op basis van de kencijfers van het CROW onjuist, nu een groot deel van de leerlingen van buiten Halfweg komt en dus met de auto naar school zal worden gebracht. Voorts stelt [appellant sub 1] dat het onderzoek dat is verricht op 12 en 13 juli 2016 niet representatief is, omdat in de herfst en winter kinderen veel vaker naar school worden gebracht dan in de zomer. Bovendien is tot 15:30 u gemeten, terwijl de kinderopvang langer open is. Ter zitting is door [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] toegelicht dat, in de periode van de metingen, de leerlingen uit groep 8 al vrij van school waren. Voorts betogen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] dat ouders hun kinderen zo dicht mogelijk bij school willen afzetten, en dus geen gebruik zullen maken van de voorziene parkeerplaatsen aan de Oranje Nassaustraat ter hoogte van de Irenestraat. Voor zover de raad aangeeft dat er parkeerplaatsen worden toegevoegd bij de herinrichting van de Oranje Nassaustraat en bij de locatie van de Margrietschool, stelt [appellant sub 1] dat er met deze plekken nog steeds onvoldoende parkeerplaatsen zijn. Daarbij is in het plan onvoldoende geborgd dat het IKC alleen mag worden gebruikt als deze plekken worden gerealiseerd. [appellant sub 3], [appellanten sub 4] en [appellant sub 5] stellen dat het plan onvoldoende duidelijkheid biedt over het oplossen van de parkeerbehoefte, nu deze oplossing gekoppeld is aan de herinrichting van de Oranje Nassaustraat.

9.1.    De raad heeft ter zitting toegelicht dat er een afweging is gemaakt over het opvangen van de parkeerbehoefte op het terrein van het IKC. De raad heeft gesteld dat een parkeerplaats of parkeergarage op het Margrietplantsoen verder ten koste gaat van het groen, en dat daarom niet hiervoor is gekozen.

    Verder stelt de raad dat voor zover de ontwikkelingen zullen leiden tot extra parkeerdruk in de Oranje Nassaustraat, dit afdoende in beeld is gebracht in het onderzoek naar de huidige parkeerdruk. De raad stelt dat zowel de dagopvang, de peuterspeelzaal als de buitenschoolse opvang onderdeel zijn geweest van het onderzoek. Als het personeel van de school elders een plaats zou kunnen vinden, dienen nog 52 parkeerplaatsen te worden toegevoegd. Dit aantal kan beperkt worden door de begintijden en eindtijden van de scholen te spreiden, zodat kan worden volstaan met het toevoegen van circa 35 plaatsen.

    Daarnaast zijn volgens de raad de tellingen representatief. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat de tellingen van juli 2016 niet zijn beschouwd als basistellingen, maar als een bijstelling van een gegeven standaard. Het feit dat veel leerlingen uit Amsterdam komen en met de auto worden gebracht, draagt eraan bij dat het niet uitmaakt of de tellingen in de zomer of winter worden gedaan. De benodigde parkeerplaatsen zijn opgenomen in het ontwerp voor de herinrichting van de Oranje Nassaustraat en zijn onderdeel van dat ontwerp. Volgens de raad is de gevraagde borging van de parkeergelegenheid in het bestemmingsplan niet noodzakelijk, omdat de herinrichting van de Oranje Nassaustraat zal zijn uitgevoerd voordat het IKC wordt gerealiseerd. De afstand van de parkeerplaatsen naar de school is naar het oordeel van de raad niet zo groot dat zij op voorhand al moet leiden tot de conclusie dat dit tot problemen zal leiden. Het foutparkeren betreft een kwestie die in de handhavingspraktijk ondervangen kan worden, aldus de raad.

9.2.    In het parkeerbeleid is in paragraaf 4.2 aangegeven dat bestaande en nieuw te ontwikkelen voorzieningen in woonwijken, zoals winkels, kantoren en scholen in principe in hun eigen parkeerbehoefte moeten voorzien.

    Verder is ten behoeve van de vaststelling van het plan onderzoek uitgevoerd door BVA Verkeersadviezen. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Parkeerbalans IKC Halfweg" van 1 september 2016. In het onderzoek zijn berekeningen uitgevoerd waarbij is aangesloten bij de "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" (publicatie 317) van het CROW (hierna: de kencijfers). Naar voren komt dat 52 parkeerplaatsen vereist zijn, gebaseerd op de maximale kengetallen voor het halen en brengen van kinderen naar de scholen. Daarnaast zijn er volgens de berekeningen 16 parkeerplaatsen voor het personeel nodig. Verder is vermeld dat als de begin- en eindtijden van de school worden verspreid, kan worden volstaan met 35 parkeerplaatsen, ervan uitgaande dat het personeel een andere parkeerplaats heeft.

9.3.    De Afdeling overweegt dat, voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het plan wat betreft parkeren in strijd is met het gemeentelijk beleid inzake parkeren, de raad van zijn beleid kan afwijken, indien deze afwijking deugdelijk wordt gemotiveerd. De Afdeling stelt vast dat de raad ter zitting heeft gesteld dat het creëren van parkeerruimte op het eigen terrein van het IKC ten koste zou gaan van het groen, en dat daarom de afweging is gemaakt om de parkeerbehoefte in de openbare ruimte op te vangen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad de afwijking van het parkeerbeleid deugdelijk heeft gemotiveerd.

    De Afdeling overweegt over de tellingen dat de raad zich in redelijkheid niet alleen op de telling in juli heeft kunnen baseren. Weliswaar heeft de raad gesteld dat veel leerlingen van buiten Halfweg afkomstig zijn en  hoe dan ook met de auto worden gebracht, maar het is niet uitgesloten dat met name in de winter vanwege de weersomstandigheden meer gebruik wordt gemaakt van de auto, waardoor  tellingen in de zomer kunnen afwijken van tellingen in andere periodes van het jaar. De Afdeling twijfelt daarom aan de representativiteit van de tellingen. Daarbij speelt mede een rol dat ten tijde van de tellingen niet alle basisschoolleerlingen nog les hadden..

    Ten aanzien van de mogelijkheid om de parkeerdruk in de openbare  ruimte op te vangen, overweegt de Afdeling als volgt. Ter zitting is gebleken dat er voor de personeelsparkeerplaatsen een locatie op het oog is binnen Halfweg, maar dat hierover nog overleg gaande is en er nog geen afspraken zijn gemaakt. Tevens is ter zitting door de raad bevestigd dat, wat betreft de spreiding van de begin- en eindtijden van de school, in de praktijk is gebleken dat dit moeilijker te realiseren is dan verwacht, onder meer vanwege de logistieke complexiteit en de inroostering van de docenten. In zoverre is niet gewaarborgd dat met 35 plekken kan worden volstaan. Indien de personeelsparkeerplaatsen niet worden gerealiseerd, zal moeten worden voorzien in 68 parkeerplaatsen. Het plan bevat ook geen voorwaardelijke verplichting om dit publiekrechtelijk te borgen. Voorts acht de Afdeling van belang dat in het plan geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen die het in gebruik nemen van de te realiseren bebouwing door het IKC afhankelijk maakt van het gerealiseerd zijn van de herinrichting van de Oranje Nassaustraat. In zoverre de raad zich op het standpunt stelt dat de parkeerdruk kan worden opgevangen in de heringerichte Oranje Nassaustraat, is die herinrichting naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende in het plan geborgd.

    Gelet op het voorgaande heeft de raad onvoldoende onderzocht of de parkeerdruk die het gevolg is van het IKC, in de omgeving van het plangebied kan worden opgevangen. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb onzorgvuldig voorbereid.

    De betogen slagen.

Verkeersveiligheid

10.    [appellant sub 2] stelt dat het plan leidt tot een onveilige verkeerssituatie, nu het verkeer van drie scholen op één plek wordt gecentreerd, hetgeen een grote toename van verkeersbewegingen tot gevolg heeft in de Oranje Nassaustraat en de Julianastraat. Daarnaast wil de raad parkeerplekken realiseren langs de Oranje Nassaustraat, wat betekent dat langs deze drukke weg zal moeten worden in- en uitgeparkeerd. Er is nu al onvoldoende ruimte voor het verkeer en dergelijke manoeuvres, aldus [appellant sub 2]. [appellant sub 2] stelt dat de verkeersveiligheid in zijn geheel niet is onderzocht.

10.1.    De Afdeling overweegt dat bij het bestemmingsplan geen verkeersveiligheidsonderzoek is gevoegd. De raad heeft ter zitting gesteld dat een dergelijk onderzoek deel zal uitmaken van de procedure voor de herinrichting van de Oranje Nassaustraat. De raad dient evenwel aannemelijk te maken dat het plan geen onevenredige gevolgen zal hebben voor de verkeersveiligheid in de omgeving van het plangebied. De Afdeling ziet, mede gelet op wat is overwogen in 8.3 en 9.3, namelijk dat verkeersonderzoeken ontbreken en de parkeerdruk als gevolg van het plan in de omgeving onvoldoende is onderzocht, aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan in zoverre niet zorgvuldig heeft voorbereid. Het plan is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb vastgesteld.

    Het betoog slaagt.

Conclusie

11.    De beroepen zijn gegrond. Het besluit van 24 april 2018 dient wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.

12.    De raad dient op de hierna te vermelden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

13.    Uit een oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen gegrond.

II.    vernietigt het besluit van 24 april 2018 van de raad van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, waarbij het bestemmingsplan "Integraal Kind Centrum Halfweg" is vastgesteld.

III.    draagt de raad van de gemeente Haarlemmerleer op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Haarlemmermeer tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten, tot een bedrag van:

a. € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) aan [appellant sub 1], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) aan [appellant sub 3] geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

e. € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro) aan [appellant sub 5], geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Haarlemmermeer aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van:

a. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 1];

b. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

c. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 3];

d. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

e. € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 5];

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

w.g. van Ettekoven    w.g. Zwemstra

voorzitter                    griffier        

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2020

91-913.