Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1260

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
201907746/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leudal de subsidie aan BJL in het kader van de Jeugdwet voor het jaar 2016 op een bedrag van € 632.903,00 vastgesteld en een bedrag van € 108.919,00 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd. Bij besluit van 14 mei 2018 heeft het college het door BJL daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/306
JB 2020/136
JGROND 2020/136 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907746/1/A2.

Datum uitspraak: 20 mei 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    het college van burgemeester en wethouders van Leudal,

2.    de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna: BJL),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 10 september 2019 in zaken nrs. 18/1438, 18/1439, 18/1869, 18/2290 en 18/3209 in de gedingen tussen:

BJL

en

de colleges van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren, Leudal, Roermond, Maasgouw en Weert.

Procesverloop

Bij besluit van 16 november 2017 heeft het college de subsidie aan BJL in het kader van de Jeugdwet voor het jaar 2016 op een bedrag van € 632.903,00 vastgesteld en een bedrag van € 108.919,00 aan teveel betaalde voorschotten teruggevorderd.

Bij besluit van 14 mei 2018 heeft het college het door BJL daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 september 2019 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door BJL tegen het besluit van 14 mei 2018 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het college opgedragen om binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

BJL heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

BJL heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een zienswijze op het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht.

Het college en BJL hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 mei 2020, waarbij partijen telefonisch zijn gehoord en waar het college, vertegenwoordigd door C.M.H. Timmermans en mr. F.E.G.H. Stevens, en BJL, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Hoger beroep college

2.    Ambtshalve overweegt de Afdeling het volgende.

3.    De aangevallen uitspraak is verzonden op 10 september 2019, zodat de termijn voor het indienen van een hogerberoepschrift ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 en artikel 6:8, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is begonnen op 11 september 2019 en geëindigd op 22 oktober 2019.

4.    Het hogerberoepschrift is per faxbericht op 23 oktober 2019 verzonden en is derhalve niet binnen de termijn ingediend.

    Bij aangetekend verzonden brief van 23 oktober 2019 heeft de Afdeling het college tot en met 20 november 2019 in de gelegenheid gesteld om uit te leggen waarom de termijn is overschreden.

    Bij brief van 29 oktober 2019 heeft het college de Afdeling laten weten dat in het hogerberoepschrift, dat is gedateerd op 15 oktober 2019, als verzenddatum een stempel met de datum 15 oktober 2019 is vermeld en dat het hogerberoepschrift op diezelfde dag aan de postkamer van de gemeente is aangeboden. Het hogerberoepschrift is vervolgens als aangetekend stuk aan Business Post aangeboden om overgedragen te worden aan PostNL en is kennelijk in deze fase in het ongerede geraakt, aldus het college. Bij brief van 12 november 2019 heeft het college een schriftelijke verklaring overgelegd van twee medewerkers van de gemeente die betrokken waren bij de verzending van het hogerberoepschrift. Hierin verklaren deze medewerkers dat het hogerberoepschrift op 15 oktober 2019 aangetekend is aangeboden aan Business Post. Ter zitting bij de Afdeling heeft het college toegelicht dat Business Post bij verzending van aangetekende post optreedt als intermediair tussen het college en PostNL.

5.    Indien een belanghebbende stelt dat het niet tijdig indienen van een hogerberoepschrift het gevolg is van een niet aan hem toe te rekenen omstandigheid, rust op hem de last de feiten aannemelijk te maken op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest.

    Het ligt op de weg van het college om aannemelijk te maken dat het hogerberoepschrift tijdig ter post is bezorgd. Het college heeft met de verzenddatum van het hogerberoepschrift en de schriftelijke verklaring van de beide medewerkers van de gemeente, niet aannemelijk gemaakt dat het hogerberoepschrift op 15 oktober 2019 aan Business Post is aangeboden. Evenmin heeft het college hiermee aannemelijk gemaakt dat het hogerberoepschrift door Business Post aan PostNL is overgedragen. De verklaring van de twee medewerkers van de gemeente is niet voldoende, reeds omdat deze verklaring niet door objectieve gegevens wordt ondersteund. Hierbij kan worden gedacht aan stukken uit de verzendadministratie van de gemeente en een overzicht van Business Post van de door Business Post ontvangen en aan PostNL overgedragen poststukken. Ter zitting heeft BJL erop gewezen dat de dag na de overdracht van aangetekend te verzenden poststukken aan PostNL een door PostNL opgemaakt overzicht van de door PostNL ontvangen poststukken aan het college wordt verstrekt, aan de hand waarvan de verzender kan controleren of een aangetekend poststuk door PostNL is ontvangen. Het college heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat het inderdaad daags na 15 oktober 2019 een dergelijk overzicht heeft ontvangen en dat, naar eerst later bleek, het aangetekend te verzenden hogerberoepschrift niet in dit overzicht was vermeld. Omdat het college ook overigens niet aannemelijk heeft gemaakt dat het het hogerberoepschrift binnen de gestelde termijn ter post heeft bezorgd dan wel heeft laten bezorgen en geen feiten heeft gesteld die kunnen meebrengen dat de termijnoverschrijding niet valt toe te rekenen aan het college, is de termijnoverschrijding niet verschoonbaar. Omdat het college de ter post bezorging van het hogerberoepschrift niet aannemelijk heeft gemaakt, wordt niet toegekomen aan het beroep van het college op het arrest van het Hof van Justitie van 27 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:260. Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk.

Incidenteel hoger beroep BJL

6.    Gelet op hetgeen hiervoor onder 5. is overwogen heeft BJL geen belang bij het door haar ingestelde incidenteel hoger beroep over de vraag of de 5%-afspraak in de overgelegde stukken is vastgelegd en over de strijdigheid van het besluit van 16 november 2017 met artikel 4:51 van de Awb. Het antwoord op die vragen, hoe het ook luidt, leidt immers niet tot een voor BJL gunstiger resultaat dan dat reeds in beroep is bereikt, namelijk het oordeel van de rechtbank dat BJL erop mocht vertrouwen dat bij de vaststelling van de subsidie in het kader van de Jeugdwet voor het jaar 2016 aan BJL de 5%-afspraak gold. Derhalve is het incidenteel hoger beroep van BJL niet-ontvankelijk.

Conclusie

7.    Het hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. Het incidenteel hoger beroep van BJL is eveneens niet-ontvankelijk.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Leudal niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het incidenteel hoger beroep van de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg niet-ontvankelijk;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Leudal tot vergoeding van bij de Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 787,50, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Nieuwenhuizen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2020

633.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 6:7

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

Artikel 6:8

1. De termijn vangt aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. […]

Artikel 6:9

1. Een bezwaar- of beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

2. Bij verzending per post is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Artikel 6:11

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Artikel 6:24

Deze afdeling is met uitzondering van artikel 6:12 van overeenkomstige toepassing indien hoger beroep, incidenteel hoger beroep, beroep in cassatie of incidenteel beroep in cassatie kan worden ingesteld.