Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1247

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2020
Datum publicatie
20-05-2020
Zaaknummer
201904666/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 maart 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Deventer zijn beslissing om op 5 maart 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer neerzetten van een vuilniszak, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 91,00) voor rekening van [appellant] komt. Op 5 maart 2019 is een in strijd met de Afvalstoffenverordening neergezette vuilniszak met huishoudelijke afvalstoffen aangetroffen buiten de inzamelplaats aan de Rielerweg te Deventer ter hoogte van de ondergrondse container met zuilnummer DEV 0152-3. Het college heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast door deze vuilniszak te verwijderen. In de vuilniszak is een adreslabel aangetroffen geadresseerd aan [bedrijf], [locatie] te Deventer. [appellant] woont op dit adres en [bedrijf] betreft zijn bedrijf. Het college heeft hem daarom aangemerkt als overtreder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904666/1/R4.

Datum uitspraak: 20 mei 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Deventer,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 maart 2019 heeft het college zijn beslissing om op 5 maart 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 van de gemeente Deventer (hierna: de Afvalstoffenverordening 2009) neerzetten van een vuilniszak, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang (€ 91,00) voor rekening van [appellant] komt.

Bij besluit van 21 mei 2019 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen  heeft de zitting van 15 april 2020 geen doorgang kunnen vinden. De Afdeling heeft besloten de zaak zonder zitting af te doen.

2.    Op 5 maart 2019 is een in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening 2009 neergezette vuilniszak met huishoudelijke afvalstoffen aangetroffen buiten de inzamelplaats aan de Rielerweg te Deventer ter hoogte van de ondergrondse container met zuilnummer DEV 0152-3. Het college heeft spoedeisende bestuursdwang toegepast door deze vuilniszak te verwijderen.

    In de vuilniszak is een adreslabel aangetroffen geadresseerd aan [bedrijf], [locatie] te Deventer. [appellant] woont op dit adres en [bedrijf] betreft zijn bedrijf. Het college meent dat op basis hiervan de aangetroffen vuilniszak kan worden herleid tot [appellant]. Het college heeft hem daarom aangemerkt als overtreder ten laste van wie de kosten van de bestuursdwang kunnen worden gebracht.

Het beroep van [appellant]

3.    Voor zover [appellant] betoogt dat het college ten onrechte niet is ingegaan op een aantal belangrijke argumenten die zijn opgenomen in het  bezwaarschrift en in de pleitnota die tijdens de hoorzitting in bezwaar is voorgedragen, kan dit betoog niet slagen, reeds omdat hij niet heeft aangegeven op welke argumenten hij doelt.

4.    [appellant] betoogt voorts dat de gevolgde procedure afwijkt van de  Verordening behandeling bezwaarschriften Deventer. Het bezwaar is niet door een algemene bezwaarcommissie behandeld en de uitnodiging voor de hoorzitting is niet ten minste twee weken van tevoren verzonden. Daarnaast is geen verslag opgemaakt van de hoorzitting, aldus [appellant].

4.1.    Het college heeft onder verwijzing naar artikel 2, derde lid, van de Verordening behandeling bezwaarschriften Deventer toegelicht dat in zogenoemde Diftar-bezwaren zoals hier aan de orde, ambtelijk horen plaatsvindt. Dat houdt in dat het bezwaarschrift niet wordt voorgelegd aan de algemene bezwaarschriftencommissie. De bezwaarmaker wordt gehoord door een medewerker van het secretariaat van de bezwaarschriftencommissie samen met een medewerker van de vak-afdeling. Van het horen op 15 mei 2019 is een verslag opgemaakt. Het college heeft toegelicht dat het verslag is verwerkt in het besluit op bezwaar. Het verslag wordt volgens het college niet standaard aan bezwaarmakers toegezonden, maar digitaal gearchiveerd in het digitale zaaksysteem E-suite. Op verzoek wordt het verslag toegezonden en in dit geval is het verslag daarom door het college met de stukken meegezonden.

    Ten aanzien van de uitnodiging voor de hoorzitting is van belang dat deze is gedateerd op 10 mei 2019.  De hoorzitting heeft plaatsgevonden op 15 mei 2019 en blijkens het verslag van de hoorzitting is [appellant]  daarbij aanwezig geweest. Niet is gebleken dat de omstandigheid dat de hoorzitting kort nadat de uitnodiging is verzonden heeft plaatsgevonden, op enigerlei wijze nadelig voor [appellant] is geweest.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] betoogt verder dat het waarnemingsrapport van 7 maart 2019, dat ten grondslag is gelegd aan het besluit, niet op ambtseed is opgemaakt en niet is ondertekend door de toezichthouder.

5.1.    De Afdeling stelt vast dat, anders dan [appellant] betoogt, het waarnemingsrapport wel is ondertekend door de toezichthouder. Het waarnemingsrapport is niet op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt. Zoals volgt uit de uitspraken van de Afdeling van onder meer 7 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:390, brengt dat met zich dat daaraan minder bewijskracht toekomt, maar niet dat het rapport zonder betekenis is. Het rapport bevat een gedetailleerd verslag van een toezichthouder van de gemeente, van wie niet is gebleken dat hij een belang heeft bij het onjuist vermelden van hetgeen hij heeft waargenomen. Betwisting is op zichzelf onvoldoende om aan de juistheid van het waarnemingsrapport te twijfelen.

    Het betoog faalt.

6.    Voorts betwist [appellant], onder verwijzing naar door hem overgelegde verklaringen van zijn gezinsleden, dat de aangetroffen vuilniszak onjuist is aangeboden door hem of een van zijn gezinsleden.

    [appellant] betoogt voorts onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling dat een poststuk duidelijk en volledig zichtbaar moet zijn om een appellant niet in bewijsnood te brengen en dat alleen een adresdrager waarbij niet kan worden vastgesteld of deze tot een poststuk behoort, onvoldoende is. [appellant] wijst er op dat de foto’s bij het waarnemingsrapport niet het poststuk laten zien waarvan het aangetroffen adreslabel met daarop zijn naam- en adresgegevens afkomstig is. Het adreslabel is op de foto’s vaag of onvolledig te zien, waardoor de aard en herkomst van het label niet kunnen worden vastgesteld. Voorts is niet zichtbaar op welke datum het poststuk is aangeboden, gestempeld, verwerkt of bezorgd. Het adreslabel is volgens [appellant] mogelijk afkomstig uit een plastic hoes met een reclamefolder. [appellant] kan zich niet herinneren of hij ooit een reclamefolder van De Verf Grossier uit Zwolle heeft ontvangen. Veel reclamedrukwerk gooit hij ongelezen weg bij het oud papier en plastic gooit hij in de container voor plastic, metaal en drankverpakkingen (hierna: PMD).     

    Voorts wijst [appellant] erop dat hij zelf over een container voor restafval en een PMD-container beschikt die beide 13 keer per jaar worden geleegd. Hieruit volgt dat [appellant] de scheiding van afval serieus neemt en dat mag worden aangenomen dat hij het afval op de juiste manier aanbiedt. Niet valt in te zien waarom [appellant] afval in een huisvuilzak aan de andere kant van de Rielerweg bij een inzamelvoorziening zou plaatsen, terwijl het PMD-afval en oud papier gratis voor zijn deur worden opgehaald. Verder wijst [appellant] er op dat hij in 2018 en 2019, onder meer in opdracht van het Deventer Groenbedrijf, heeft gewerkt als erkend leer- en werkmeester houtbewerking en dat hij zich bezighoudt met duurzaam bouwen in de vorm van woningen opgetrokken uit houtskeletbouw met stro. Hij kent uit dien hoofde bij uitstek de regels over het correct aanbieden van huishoudelijk afval en heeft een voorbeeldfunctie.

    Tenslotte wijst [appellant] er op dat het moeilijk is om aan te tonen dat hij en zijn gezinsleden het afval niet bij de container hebben geplaatst.

6.1.    Artikel 10 van de Afvalstoffenverordening 2009 luidt:

"1. Het is de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via het betreffende inzamelmiddel of de betreffende inzamelvoorziening of het betreffende brengdepot.

[…]"

    Artikel 5:1, tweede lid, van de Awb luidt: "Onder overtreder wordt verstaan: degene die de overtreding pleegt of medepleegt."

6.2.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Daarbij is onderkend dat het voor de betrokkene lastig of zelfs onmogelijk kan zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

6.3.    De Afdeling stelt vast dat niet in geschil is dat de vuilniszak die op 5 maart 2019 is aangetroffen in strijd met de Afvalstoffenverordening buiten de inzamelvoorziening is geplaatst. Evenmin is in geschil dat in de vuilniszak een adreslabel met de adresgegevens van het bedrijf van [appellant] is aangetroffen. Hiermee is het adreslabel te herleiden tot [appellant].

    De stelling van [appellant] dat hij altijd zijn afval scheidt en op de juiste wijze weggooit, een voorbeeldfunctie heeft en dat hij veel van het in de vuilniszak aangetroffen afval kosteloos kan aanbieden en regelmatig zijn restafvalcontainer leegt, zodat niet aannemelijk is dat hij het afval bij een inzamelvoorziening heeft geplaatst, is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende om aan te nemen dat hij niet degene is geweest die de vuilniszak onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Dat [appellant] en zijn gezinsleden uitdrukkelijk hebben verklaard dat zij op 5 maart 2019, noch op enig ander moment op onjuiste wijze afval hebben aangeboden bij de ondergrondse afvalcontainer, maakt het voorgaande niet anders, nu deze verklaringen niet afkomstig zijn uit objectieve bron.

    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie onder meer de uitspraken van 13 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1539 en 1 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:523) is het, in aanmerking genomen dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid aannemelijk moet maken dat hij niet degene is geweest die het te handhaven voorschrift heeft geschonden, van belang dat het college de betrokken persoon duidelijkheid verschaft over de aard van het poststuk waarop zijn naam- of adresgegevens zijn aangetroffen. De Afdeling stelt vast dat op de bij het rapport gevoegde foto alleen een losse adresdrager met de naam van het bedrijf van [appellant] en adresgegevens van [appellant] en de naam- en adresgegevens van de afzender zichtbaar zijn. De adresdrager biedt geen duidelijkheid over de aard van het poststuk. Ook de bekendheid van de afzender biedt die duidelijkheid niet. Door te volstaan met het overleggen van deze foto heeft het college de vereiste duidelijkheid niet gegeven met als gevolg dat [appellant] is geschaad in zijn verweermogelijkheden. Het besluit op bezwaar is dan ook niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

    Het betoog slaagt.

7.    Ten slotte betoogt [appellant] dat het kostenverhaal een niet nader gespecificeerde toerekening van kosten voor afvoer van afval en loonkosten van de toezichthouder betreft. Het kostenverhaal lijkt een forfaitair bedrag te zijn en krijgt daarmee een punitief karakter, aldus [appellant].

8.    Het college heeft uiteengezet waaruit de kosten van bestuursdwang hebben bestaan. Het bij [appellant] in rekening gebrachte bedrag van € 91,00 betreft geen boete, maar slechts het verhalen van een gedeelte van de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het verwijderen van de vuilniszak. Wat betreft de hoogte van deze kosten overweegt de Afdeling dat uit de door het college verstrekte gespecificeerde kostenberekening blijkt dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet alleen bestaan uit de kosten voor het feitelijk verwijderen door Circulus van de op onjuiste wijze ter inzameling aangeboden vuilniszak, maar ook uit de kosten voor het onderzoek op straat, het opstellen van een rapportage en het opmaken van een besluit, afgezet tegen het aantal daaraan bestede minuten. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de in rekening gebrachte kosten onredelijk hoog zijn.

    Het betoog faalt.

9.    Het beroep is gegrond. Het besluit van 21 mei 2019 dient te worden vernietigd. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Voor zover het college voornemens is het besluit van 11 maart 2019 te handhaven, dient het voor het nemen van het nieuwe besluit [appellant] duidelijkheid te verschaffen over de aard van het aangetroffen poststuk.

10.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer van 21 mei 2019, kenmerk DEV-ASK-JZI-24057-2019;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag € 525,00 (zegge: vijfhonderdvijfentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 47,00 (zegge: zevenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Melenhorst, griffier.

w.g. Sevenster    w.g. Melenhorst

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2020

490.