Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1230

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
201904583/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van onderscheidenlijk 14 april 2019 en 24 april 2019 hebben de minister van Economische Zaken en Klimaat en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het rijksinpassingsplan "Net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha)" vastgesteld. Het RIP maakt mogelijk dat de platforms van het windpark op zee Hollandse Kust (noord) en het noordelijk deel van het windpark op zee Hollandse Kust (west Alpha) worden aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet, door het aanleggen van ondergrondse hoogspanningskabels naar het bestaande 380 kV hoogspanningsstation Beverwijk en het bouwen van een transformatorstation op het industrieterrein IJmond in Wijk aan Zee, waar onder meer Tata Steel is gevestigd. Het project bestaat uit twee platforms op zee, vier 220 kV-kabelsystemen op zee en vier 220 kV-kabelsystemen op land, vier 380 kV-kabelsystemen op land en een transformatorstation. De Wnb-vergunning en de omgevingsvergunning dienen ter uitvoering van dit project.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8360
JOM 2020/298
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904583/1/R1.
Datum uitspraak: 13 mei 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. Stichting Administratiekantoor Landhuis "Tusschenwijck" (hierna: Stichting Landhuis), gevestigd te Kwadijk, gemeente Edam-Volendam,

2. Stichting Dorpsraad Wijk aan Zee (hierna: Stichting Dorpsraad), gevestigd te Wijk aan Zee, gemeente Beverwijk,

3. Stichting Milieuherstel Wijk aan Zee (hierna: Stichting Milieuherstel), gevestigd te Wijk aan Zee, gemeente Beverwijk,

appellanten,

en

1. de minister van Economische Zaken en Klimaat,

2. de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

(hierna tezamen: de ministers),

3. de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

(hierna: de minister van LNV),

4. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk (hierna: het college),

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van onderscheidenlijk 14 april 2019 en 24 april 2019 hebben de ministers het rijksinpassingsplan "Net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha)" (hierna: RIP) vastgesteld.

Bij besluit van 11 april 2019, met kenmerk DGNVLG / 19087688, heeft de minister van LNV op grond van artikel 2.7, tweede lid, in samenhang met artikel 1.3, vijfde lid, van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) vergunning verleend voor het project "Net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha)" (hierna: Wnb-vergunning).

Bij besluit van 7 mei 2019 heeft het college op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) aan TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en oprichten van een 220/380 kV transformatorstation op het perceel Tussenwijkweg 2 in Wijk aan Zee (hierna: omgevingsvergunning).

Onder meer Stichting Landhuis, Stichting Dorpsraad en Stichting Milieuherstel hebben tegen het RIP en de omgevingsvergunning beroep ingesteld.

Stichting Dorpsraad heeft voorts tegen de Wnb-vergunning beroep ingesteld.

De ministers hebben een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenverslag uitgebracht. Stichting Dorpsraad, Stichting Milieuherstel en de ministers hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Stichting Landhuis, Stichting Dorpsraad en de ministers hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 februari 2020, waar onder meer Stichting Landhuis, vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem, en [gemachtigde A], bijgestaan door [gemachtigde B], Stichting Dorpsraad, vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], Stichting Milieuherstel, vertegenwoordigd door [gemachtigde E], de ministers, vertegenwoordigd door mr. L. Brand en mr. M.D. van Gils, de minister van LNV, vertegenwoordigd door mr. R.H.M. Sipman, het college, vertegenwoordigd door C. Eigenhuis, bijgestaan door H.J. Janssen, zijn verschenen. Verder is TenneT, vertegenwoordigd door mr. N.H. van den Biggelaar, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigde F], [gemachtigde G] en [gemachtigde H], ter zitting als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding, samenvatting en conclusie

1. Het RIP maakt mogelijk dat de platforms van het windpark op zee Hollandse Kust (noord) en het noordelijk deel van het windpark op zee Hollandse Kust (west Alpha) worden aangesloten op het landelijk hoogspanningsnet, door het aanleggen van ondergrondse hoogspanningskabels naar het bestaande 380 kV hoogspanningsstation Beverwijk en het bouwen van een transformatorstation op het industrieterrein IJmond in Wijk aan Zee, waar onder meer Tata Steel is gevestigd. Het project bestaat uit twee platforms op zee, vier 220 kV-kabelsystemen op zee en vier 220 kV-kabelsystemen op land, vier 380 kV-kabelsystemen op land en een transformatorstation. De Wnb-vergunning en de omgevingsvergunning dienen ter uitvoering van dit project.

In de plantoelichting staat dat de windenergiegebieden Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha) een belangrijke bijdrage leveren aan het doel uit het Energieakkoord om in 2023 4.450 MW (megawatt) windenergie op zee te realiseren, alsmede aan de doelstellingen van de periode daarna (2024 - 2030). De door de toekomstige windgebieden opgewekte duurzame energie zal van de windenergiegebieden naar het bestaande hoogspanningsnet getransporteerd moeten worden door middel van de in dit plan mogelijk gemaakte hoogspanningsverbinding met bijbehorend transformatorstation. TenneT zal als netbeheerder deze verbinding realiseren.

2. Stichting Landhuis is eigenaar van het Landhuis Tusschenwijk gelegen aan de Zeestraat 250 in Beverwijk, in de nabijheid van het transformatorstation. In het landhuis zijn enkele bedrijven gevestigd. Stichting Landhuis keert zich tegen het RIP en de omgevingsvergunning, omdat zij vreest voor geluidoverlast door het transformatorstation, er volgens haar ten onrechte veel bomen worden gekapt, het RIP een te hoge bouwhoogte van het transformatorstation en de daarbij behorende voorzieningen toestaat en het RIP de landschappelijke inpassing van het transformatorstation onvoldoende regelt. Verder beroept Stichting Landhuis zich op procedurele aspecten.

Stichting Dorpsraad vreest voor geluidoverlast van laagfrequent geluid, tonaal geluid en impulsgeluid dat wordt veroorzaakt door het transformatorstation. Zij stelt voorts dat de geluidbelasting niet past in de al bestaande geluidzone. Verder keert Stichting Dorpsraad zich tegen de Wnb-vergunning vanwege de stikstofdepositie. Tot slot betoogt Stichting Dorpsraad, samen met Stichting Landhuis, dat de alternatieve locaties voor het transformatorstation niet goed zijn onderzocht.

Stichting Milieuherstel wenst met haar beroep te bewerkstelligen dat de voorziene ontwikkeling financieel wordt gecompenseerd ten behoeve van herstel van het milieu in Wijk aan Zee. Verder sluit Stichting Milieuherstel zich aan bij de beroepsgronden van Stichting Dorpsraad over het aspect geluid.

3. De Afdeling is van oordeel dat het beroep van Stichting Dorpsraad gegrond is en dat de Wnb-vergunning en het RIP moeten worden vernietigd vanwege strijd met de Wnb. De omgevingsvergunning moet ook worden vernietigd, omdat deze zijn grondslag vindt in het RIP. In de passende beoordeling die aan het RIP en de Wnb-vergunning ten grondslag is gelegd, wordt voor de beoordeling van de effecten van de stikstofdepositie op onder meer het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" namelijk verwezen naar de passende beoordeling die voor het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: PAS) is gemaakt. Op grond van de rechtspraak van de Afdeling kunnen de besluiten over het RIP en de Wnb-vergunning niet worden genomen onder verwijzing naar de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het PAS. Deze besluiten zijn daarom in strijd met de Wnb genomen. De Afdeling laat de rechtsgevolgen van het RIP, de Wnb-vergunning en de omgevingsvergunning echter in stand, omdat de minister van LNV en de ministers na het nemen van de besluiten een aanvullende passende beoordeling hebben ingebracht, waaruit de zekerheid is verkregen dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" niet zal aantasten. Dit betekent dat de gevolgen van het RIP, de Wnb-vergunning en de omgevingsvergunning, ondanks dit geconstateerde gebrek, in stand blijven en de ministers, de minister van LNV en het college geen nieuwe besluiten hoeven te nemen.

Dit alles tezamen betekent dat de platforms, de kabelsystemen en het transformatorstation gerealiseerd mogen worden.

De Afdeling zal hierna aan de hand van de bespreking van de beroepsgronden uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.

Volgorde van behandeling

4. De Afdeling zal achtereenvolgens ingaan op de onderwerpen omvang van het geschil (onder 5), wettelijke bepalingen (6), ingetrokken beroepsgrond (7), Crisis- en herstelwet (8), ontvankelijkheid (9), procedurele aspecten (10 en 11), toetsingskader RIP (12), stikstof (13 tot en met 16), alternatieven (17), geluid (18 tot en met 27), natuur (28), bouwmogelijkheden en landschappelijke inpassing (29), financiële compensatie (30), zienswijze (31), conclusie en gevolgen voor partijen (32) en proceskosten (onder 33 en 34).

Omvang van het geschil

5. Op de zitting is door de ministers naar voren gebracht dat het project waarin het RIP en de uitvoeringsbesluiten voorzien zal worden uitgebreid met een aansluiting voor een derde windpark, windpark Hollandse Kust (west Beta). Om dit te kunnen realiseren zal het transformatorstation worden uitgebreid. Voor deze uitbreiding zal een apart RIP worden vastgesteld door de ministers. De bestreden besluiten voorzien niet in deze uitbreiding. De omvang van het geschil beperkt zich tot de ontwikkelingen die het bestreden RIP en de uitvoeringsbesluiten mogelijk maken. Bezwaren die betrekking hebben op de uitbreiding van het project met een aansluiting voor windpark Hollandse Kust (west Beta) kunnen hier daarom niet aan de orde komen, maar kunnen worden ingebracht in een procedure over die uitbreiding.

Wettelijke bepalingen

6. De wettelijke bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Ingetrokken beroepsgrond

7. Stichting Landhuis heeft ter zitting de beroepsgrond over de ondertekening van het coördinatiebesluit van 17 juli 2018 ingetrokken.

Crisis- en herstelwet

8. Op deze zaak is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing. In artikel 1.6a is bepaald dat na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer kunnen worden aangevoerd. In de kennisgeving in de Staatscourant van 9 mei 2019 is hier ook melding van gemaakt.

Bij brief van 17 januari 2020, na het verstrijken van de beroepstermijn, heeft Stichting Dorpsraad haar beroep aangevuld. In deze brief voert zij onder meer aan dat het milieueffectrapport (hierna: MER) ten onrechte niet de gevolgen van de voorgenomen uitbreiding met een aansluiting voor het windpark Hollandse Kust (west Beta) bij de beoordeling heeft betrokken. Ter zitting heeft Stichting Dorpsraad dit toegelicht. Deze beroepsgrond heeft Stichting Dorpsraad niet aangevoerd in haar initiële beroepschrift van 19 juni 2019. In zoverre heeft Stichting Dorpsraad haar beroep na het verstrijken van de beroepstermijn aangevuld met een nieuwe beroepsgrond. Gelet op artikel 1.6a van de Chw dient deze beroepsgrond buiten beschouwing te worden gelaten.

Ontvankelijkheid

9. De ministers en de minister van LNV stellen dat het beroep van Stichting Dorpsraad tegen de Wnb-vergunning niet-ontvankelijk is, omdat Stichting Dorpsraad hierover geen zienswijze naar voren heeft gebracht.

9.1. Uit artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb volgt dat slechts beroep kan worden ingesteld door een belanghebbende die tegen het ontwerpbesluit tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders indien een belanghebbende redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht.

Uit de inhoud van de zienswijze die op 17 december 2018 door Stichting Dorpsraad naar voren is gebracht, blijkt dat deze ook is gericht tegen de uitvoeringsbesluiten. De Wnb-vergunning is een van die uitvoeringsbesluiten. De Afdeling beschouwt de zienswijze als ook te zijn naar voren gebracht tegen de Wnb-vergunning. Het beroep van Stichting Dorpsraad tegen de Wnb-vergunning steunt op een naar voren gebrachte zienswijze en is ontvankelijk.

Procedurele aspecten

10. Stichting Landhuis betoogt dat de ministers niet bevoegd waren tot het vaststellen van het RIP. Het bepaalde in artikel 20ca van de Elektriciteitswet 1998 biedt hiervoor geen grondslag, aldus Stichting Landhuis.

10.1. De Afdeling overweegt dat het RIP en de uitvoeringsbesluiten door de ministers zijn voorbereid en bekendgemaakt met gebruikmaking van de rijkscoördinatieregeling. De bevoegdheid daartoe berust op het bepaalde in artikel 20ca in samenhang gelezen met artikel 20a van de Elektriciteitswet 1998. Ingevolge artikel 20b in samenhang gelezen met artikel 1, eerste lid, onder a, van de Elektriciteitswet 1998 en artikel 3.35, derde lid, van de Wro, is de minister van Economische Zaken en Klimaat de aangewezen minister die eerstverantwoordelijk is voor de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking van besluiten over de aanleg of uitbreiding van het net op zee. Op grond van artikel 3.35, tweede lid, van de Wro in samenhang gelezen met artikel 1.1, eerste lid, onder a, van de Wro en artikel 1 van het Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001806, houdende departementale herindeling met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster, is de minister van Economische Zaken en Klimaat samen met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties bevoegd om in de plaats te treden van de gemeenteraad bij de vaststelling van een inpassingsplan. De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de ministers bevoegd waren het RIP vast te stellen.

Het betoog slaagt niet.

11. Stichting Dorpsraad stelt dat de notitie van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied van 5 oktober 2018 ten onrechte niet ter inzage is gelegd. Stichting Dorpsraad stelt dat zij door het ontbreken van deze notitie niet in staat is geweest om te beoordelen of de geluidbelasting van het transformatorstation past binnen de geluidzone die is vastgesteld in het kader van de Wet geluidhinder.

11.1. Het college en de ministers stellen dat de belanghebbenden niet zijn benadeeld doordat de notitie niet ter inzage heeft gelegen, omdat Stichting Dorpsraad in de zienswijzefase over de notitie beschikte en het voorts niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden geen zienswijze naar voren hebben gebracht door het ontbreken van de notitie.

11.2. De notitie van de omgevingsdienst van 5 oktober 2018 moet naar het oordeel van de Afdeling als een op het plan en de omgevingsvergunning betrekking hebbend stuk worden aangemerkt, omdat in hoofdstuk 5.8.2 van de plantoelichting voor de geluidbelasting van het transformatorstation wordt verwezen naar de conclusies uit deze notitie. Niet in geschil is dat deze notitie niet ter inzage heeft gelegen met de ontwerpbesluiten. Door deze notitie niet met de ontwerpbesluiten ter inzage te leggen, hebben het college en de ministers gehandeld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. De Afdeling ziet echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De Afdeling overweegt in dit kader dat Stichting Dorpsraad deze notitie als bijlage heeft gevoegd achter de door haar op 17 december 2018 naar voren gebrachte zienswijze. De Afdeling stelt daarom vast dat Stichting Dorpsraad over de notitie beschikte tijdens de zienswijzefase en hierop ook in haar zienswijze en beroepschrift heeft gereageerd. Bovendien is de omgevingsdienst in een aanvullende notitie van 19 november 2019 nader ingegaan op de geluidzonetoets die is gedaan. Niet aannemelijk is dat andere belanghebbenden zijn benadeeld, omdat in de plantoelichting de conclusies uit deze notitie worden genoemd. Aangenomen mag worden dat andere belanghebbenden een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht waarin erop zou zijn gewezen dat de notitie niet ter inzage was gelegd, dan wel dat zij, na desgevraagd inzage te hebben gehad in de notitie, ter zake een zienswijze naar voren zouden hebben gebracht.

Het betoog is terecht voorgedragen, maar leidt niet tot vernietiging van het bestreden besluit.

Toetsingskader RIP

12. Bij de vaststelling van een rijksinpassingsplan moeten de ministers bestemmingen aanwijzen en regels geven die zij uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. De ministers hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De ministers kunnen over hun besluitvorming politiek ter verantwoording worden geroepen door de Staten-Generaal. De bestuursrechter kan gelet op de aard van de aan de ministers gegeven bevoegdheid niet zijn eigen oordeel in de plaats stellen van dat van de ministers.

Dit laat onverlet dat de besluitvorming van de ministers over een inpassingsplan is onderworpen aan rechterlijke toetsing. Het is dan de taak van de Afdeling om aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden te beoordelen of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij beoordeelt de Afdeling aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden onder meer of het besluit berust op voldoende kennis over de relevante feiten en belangen en deugdelijk is gemotiveerd. Tevens beziet de Afdeling aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of de voor één of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Bespreking van de overige beroepsgronden

Stikstof

Passende beoordeling

13. Stichting Dorpsraad betoogt dat in de passende beoordeling van de effecten van de stikstofdepositie ten onrechte wordt verwezen naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. De voorgenomen ontwikkeling zal volgens Stichting Dorpsraad de ADC-toets niet kunnen doorstaan, omdat uit de locatieanalyse volgt dat er alternatieven zijn die het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" niet of minder belasten.

13.1. TenneT heeft ter zitting naar voren gebracht dat artikel 8:69a van de Awb er aan in de weg staat dat de bestreden besluiten vanwege de gevolgen voor het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat", worden vernietigd.

13.2. Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

13.3. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

13.4. De Afdeling stelt vast dat het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" deels binnen Wijk aan Zee ligt. Volgens de statuten heeft Stichting Dorpsraad als doel het bevorderen van de leefbaarheid van Wijk aan Zee, in de ruimste zin van het woord.

13.5. De bepalingen in de Wnb strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden. Uit rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 25 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1371) volgt dat de individuele belangen van burgers die in of in de onmiddellijke nabijheid van een Natura 2000-gebied wonen bij behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. Die situatie doet zich hier voor, aangezien het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" deels binnen Wijk aan Zee ligt en Stichting Dorpsraad als doel heeft het bevorderen van de leefbaarheid van Wijk aan Zee. Daarom moet het betoog inhoudelijk worden besproken.

13.6. De Afdeling stelt vast dat in het kader van zowel het RIP als de Wnb-vergunning onderzoek is gedaan naar de stikstofdepositie als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. De Afdeling zal bij de bespreking van deze beroepsgrond beide besluiten beoordelen.

Niet in geschil is dat de ontwikkeling die met het RIP en de Wnb-vergunning mogelijk wordt gemaakt, een toename van de stikstofdepositie bovenop de bestaande overschrijding van de kritische depositiewaarde op het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" zal veroorzaken. Ter onderbouwing van hun standpunt dat de besluiten de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zullen aantasten, hebben de ministers en de minister van LNV de rapporten "Passende beoordeling Net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha)", van onderscheidenlijk 2 augustus 2018 en 22 augustus 2018, en "Aanvulling MER en PB Net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha)", van 1 april 2019, aan hun besluiten ten grondslag gelegd. In die rapporten wordt ingegaan op de gevolgen voor onder meer het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat". Omdat in het PAS ontwikkelingsruimte beschikbaar was, is geconcludeerd dat het plan uitvoerbaar is.

13.7. De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1603) geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Dat betekent dat de ministers het RIP niet konden vaststellen en de minister van LNV de Wnb-vergunning niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt. Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat de ministers het RIP hebben vastgesteld onderscheidenlijk de minister van LNV de Wnb-vergunning heeft verleend in strijd met artikel 2.8, derde lid, van de Wnb, aangezien zij daarbij hebben verwezen naar de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS.

Het betoog slaagt.

Omgevingsvergunning

14. De Afdeling overweegt dat het gebrek in het RIP doorwerkt in de omgevingsvergunning. Dit brengt mee dat ook de omgevingsvergunning niet in deze vorm in stand kan blijven. De Afdeling zal hierna onder 15 en verder bezien of dit geschil definitief kan worden beslecht door de rechtsgevolgen van deze besluiten en de Wnb-vergunning in stand te laten.

Passende beoordeling van 6 januari 2020

15. Naar aanleiding van het beroep van Stichting Dorpsraad is voor het beoogde project een aanvullende passende beoordeling uitgevoerd voor het aspect stikstofdepositie. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport "Passende beoordeling net op zee Hollandse Kust Noord en West Alpha, Deelrapport stikstofdepositie" van 6 januari 2020. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het inpassingsplan, de omgevingsvergunning en de Wnb-vergunning met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Daarbij neemt de Afdeling de feiten en omstandigheden in aanmerking die zich voordoen ten tijde van het doen van deze uitspraak.

15.1. In de aanvullende passende beoordeling is de stikstofdepositie van de voorgenomen ontwikkeling voor onder meer het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" berekend. Het project kan worden onderscheiden in de aanlegfase en de gebruiksfase.

Over de gebruiksfase staat in de passende beoordeling dat uit de berekeningen van de stikstofdepositie tijdens deze fase blijkt dat nergens sprake is van meetbare depositie van stikstof. In de gebruiksfase is namelijk sprake van transport van opgewekte energie vanaf het windpark naar de aansluiting op het landelijke netwerk. Daarbij is er behalve bij incidenteel onderhoud en reparaties geen sprake van stikstofemissie.

In de passende beoordeling staat verder dat de aanlegfase 2 tot 3 jaar duurt. Het project leidt in de aanlegfase tot geringe en tijdelijke stikstofdeposities ter plaatse van stikstofgevoelige habitattypen in een groot aantal Natura 2000-gebieden, waaronder het "Noord-Hollands Duinreservaat". De maximale depositie op een habitattype bedraagt 1,12 mol/ha/jr. Drie habitattypen in het Natura 2000-gebied "Noordhollands Duinreservaat" worden hiermee belast. Voor overige habitattypen betreft het een kleinere depositie. Uit de beoordeling volgt dat de tijdelijke depositie van het project, op basis van de maximale belasting per jaar gedurende deze aanlegperiode van 2 tot 3 jaar, met zekerheid geen effect heeft op de habitattypen of de omgevingscondities van de habitattypen. De tijdelijke depositie is voor elk habitattype dermate klein dat op zichzelf een negatief effect is uitgesloten, op grond van het gegeven dat de depositie dermate klein is dat deze ecologisch geen effect sorteert. De extra belasting is ook ten opzichte van deze op zichzelf overbelaste situatie dermate klein dat deze tijdelijke depositie met zekerheid niet tot een significant negatief effect leidt. De conclusie van de passende beoordeling is dat met zekerheid significant negatieve effecten ten gevolge van de tijdelijke en kleine deposities zijn uitgesloten voor de natuurlijke kenmerken van de Natura 2000-gebieden en de voor deze gebieden gestelde instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelige habitattypen of de soorten die hiervan afhankelijk zijn.

Stichting Dorpsraad heeft ter zitting deze bevindingen niet concreet bestreden, maar heeft in algemene zin aangegeven dat zij iedere toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied te veel vindt. De Afdeling ziet hierin geen grond voor het oordeel dat de aanvullende passende beoordeling een onjuiste beoordeling bevat of onzorgvuldig tot stand is gekomen.

Gelet op het voorgaande hebben de ministers en de minister van LNV zich terecht op het standpunt gesteld dat met de aanvullende passende beoordeling de op grond van artikel 2.8, derde lid, van de Wnb vereiste zekerheid is verkregen dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied "Noord-Hollands Duinreservaat" in zoverre niet zal aantasten. Omdat de ministers op grond van de passende beoordeling hebben kunnen concluderen dat significante negatieve effecten op het Natura 2000 gebied "Noordhollands Duinreservaat" kunnen worden uitgesloten, hebben de ministers terecht geen aanleiding gezien de door Stichting Dorpsraad voorgestane ADC-toets uit te voeren. Een zogeheten ADC toets zou inhouden dat het project moet voldoen aan de voorwaarden dat er geen alternatieve oplossingen zijn (A), dat het plan nodig is om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard (D), en dat de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft (C). De noodzaak tot een dergelijke toetsing doet zich hier niet voor. Voor zover Stichting Dorpsraad wil betogen dat alternatieven onvoldoende zijn onderzocht, komt dit hierna, onder 17, aan de orde.

16. In het kader van de instandhouding van de rechtsgevolgen zal de Afdeling hierna ook de overige beroepsgronden tegen de bestreden besluiten behandelen.

Alternatieven

17. Stichting Landhuis betoogt dat onvoldoende is onderbouwd waarom er technische bezwaren zijn tegen het in het MER genoemde tracé van het Noordzeekanaal tot aan de Wijkertunnel naar het 380 kV-station Beverwijk (tracéalternatief 4).

Stichting Dorpsraad betoogt dat alternatieve locaties voor het transformatorstation (her)onderzocht dienen te worden. Stichting Dorpsraad wijst in dit kader op de locatie Beverwijk Kagerweg. Dit is volgens Stichting Dorpsraad een locatie met weinig omwonenden en daarom een geschikter alternatief. Daarbij speelt met name geluidhinder een rol. Dat deze locatie dichtbij de Stelling van Amsterdam ligt, hoeft volgens Stichting Dorpsraad geen obstakel te zijn. Ter zitting is namens Stichting Landhuis over de Stelling van Amsterdam aangevoerd dat het terrein waarop de Stelling van Amsterdam zich bevindt, is bestemd als bedrijventerrein en dat daar hoogspanningsmasten zijn gebouwd. De cultuurhistorische waarde van de Stelling van Amsterdam was hiervoor geen belemmering. Stichting Landhuis vraagt zich af waarom die nu wel een belemmering vormt.

Volgens Stichting Landhuis kan niet worden volgehouden dat er vanuit de omgeving weinig weerstand is tegen het gekozen tracé in combinatie met de locatie van het transformatorstation, omdat er geen onderzoek naar mogelijke weerstand is gedaan.

Stichting Dorpsraad voert verder aan dat in tabel 3.4 van het MER niet is aangegeven welke weging is gebruikt bij de verschillende aspecten om de impact op de locaties van het transformatorstation met elkaar te vergelijken. In het deskundigenverslag wordt dit standpunt gedeeld. Zo blijkt uit het MER volgens Stichting Dorpsraad niet in welke mate de geluidoverlast is meegewogen in de keuze. Ook Stichting Landhuis voert aan dat uit het RIP en de onderliggende stukken niet blijkt hoe de voor- en nadelen zijn gewogen.

17.1. De Afdeling overweegt dat de ministers bij de keuze van het tracé en de locatie voor het transformatorstation een afweging dienen te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het RIP. Daarbij hebben de ministers beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

Het MER is ten grondslag gelegd aan onder meer het RIP. Het MER bestaat uit deel A, deel B en een aanvulling. In het MER zijn verschillende alternatieven voor het tracé en de locatie van het transformatorstation onderzocht.

Voor de keuze van het tracé zijn in het MER 7 alternatieven onderzocht op milieueffecten, technische haalbaarheid, kosten en draagvlak.

Voor de keuze van de locatie van het transformatorstation zijn in het MER 9 alternatieven onderzocht. Uit een eerste beoordeling op hoofdlijnen van de tracéalternatieven is onder meer voortgekomen dat het plangebied (tracéalternatief 3) de minste milieueffecten kent, technisch goed haalbaar is en relatief weinig effecten op de omgeving lijkt te hebben. Het plangebied is daarom, samen met in eerste instantie 3 tracéalternatieven en uiteindelijk 5 tracéalternatieven, nader onderzocht. Uit nader onderzoek in het MER is naar voren gekomen dat het plangebied relatief kleine negatieve effecten heeft op het milieu, er voor het aspect techniek geen grote aandachtspunten zijn en het de goedkoopste optie is. Tracéalternatief 4, waar Stichting Landhuis naar verwijst, loopt deels door het Noordzeekanaal. Dit alternatief is volgens het MER (vergunning)technisch niet haalbaar vanwege de bodemverontreiniging van de kanaalbodem, de grote hoeveelheid kruisingen en diepteligging van bestaande kabels, leidingen en tunnels, en de substantiële hinder voor scheepvaart tijdens de aanleg. In het MER staat verder dat er bij tracéalternatief 4 onvoldoende ruimte is voor de aanleg van de benodigde kabelsystemen. Als alternatief is gekeken naar een tracé met boringen onder het Noordzeekanaal en deels langs de oever (tracéalternatieven 4B en 5B), maar dit leverde technische onmogelijkheden op bij de kruisingen van de waterkeringen en het kanaal. De ministers hebben zich bij de beoordeling van tracéalternatieven 4, 4B en 5B aangesloten en deze tracés geen geschikte alternatieven geacht. De Afdeling acht dit niet onredelijk.

Volgens het MER is vanuit tracéalternatief 3 (het plangebied) een combinatie met de transformatorstationlocaties Beverwijk Kagerweg, Beverwijk Tata Steel en Laaglandersluisweg mogelijk. In het MER staat dat de locatie Beverwijk Tata Steel als meest positief wordt gezien voor de omgeving, onder meer omdat er mogelijkheden zijn voor het faciliteren van toekomstige ontwikkelingen. Verder staat in het MER dat deze locatie in combinatie met tracéalternatief 3 de goedkoopste optie is. Het door Stichting Dorpsraad aangedragen alternatief voor het transformatorstation op de locatie Beverwijk Kagerweg ligt binnen de Stelling van Amsterdam, dat door UNESCO als werelderfgoed is aangewezen. Daarom is door Arcadis een "Heritage Impact Assessment" opgesteld. Hieruit volgt dat de cultuurhistorische waarde van de Stelling van Amsterdam, ondanks de aanwezigheid van onder meer een bedrijventerrein en de A9, nog altijd aanwezig is. Verder volgt uit de "Heritage Impact Assessment" dat de keuze voor de locatie Beverwijk Kagerweg zou leiden tot een groot (niet mitigeerbaar) effect op de Stelling van Amsterdam en op basis van het UNESCO afwegingskader niet is toegestaan, omdat er reële alternatieven zijn buiten de Stelling van Amsterdam. De locatie Beverwijk Kagerweg achten de ministers daarom geen geschikt alternatief. De omstandigheid dat zich in de Stelling van Amsterdam een bedrijventerrein bevindt, neemt niet weg dat de ministers bij de keuze van een locatie voor het transformatorstation betekenis hebben mogen toekennen aan de nog aanwezige cultuurhistorische waarde van de Stelling van Amsterdam. De Afdeling is daarom van oordeel dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de locatie Beverwijk Kagerweg geen geschikter alternatief is.

Voor zover ter zitting nog aan de orde is gekomen dat in het MER bij de berekening van de geluidbelasting door het transformatorstation op de locatie Beverwijk Kagerweg uit is gegaan van een verkeerd aantal woningen, overweegt de Afdeling als volgt. De ministers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in het MER uit is gegaan van de situatie dat bij 566 woningen bij de locatie Beverwijk Kagerweg sprake is van geluidbelasting door het transformatorstation en dat uit nader onderzoek is gebleken dat hier sprake is van een weliswaar lager, maar nog steeds substantieel, aantal woningen. De enkele bijstelling van het aantal woningen leidt er volgens de ministers niet toe dat de locatie Beverwijk Kagerweg als een geschikter alternatief moet worden gezien. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de cultuurhistorische waarde van de Stelling van Amsterdam, is de Afdeling van oordeel dat de enkele omstandigheid dat in het MER een hoger aantal woningen als uitgangspunt is genomen, niet leidt tot het oordeel dat de ministers zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de locatie Beverwijk Kagerweg geen geschikter alternatief is. De Afdeling betrekt hierbij dat in het deskundigenverslag van de STAB is opgemerkt dat uit het MER niet blijkt dat de milieueffecten van de locatie aan de Kagerweg kleiner zijn.

Over het betoog van Stichting Landhuis dat er geen onderzoek naar mogelijke weerstand is gedaan, overweegt de Afdeling dat in het MER staat dat de tussentijdse onderzoeksresultaten zijn voorgelegd aan de regio (provincie Noord-Holland, gemeenten, hoogheemraadschappen en anderen).

In de brief van 23 maart 2018 heeft de regio de voorkeur uitgesproken voor tracéalternatief 3 in combinatie met Beverwijk Tata Steel als locatie voor het transformatorstation. Voor zover wordt aangevoerd dat er bij omwonenden onvoldoende draagvlak voor het plan bestaat, overweegt de Afdeling dat draagvlak niet van doorslaggevende betekenis is. Dit betekent niet dat het aspect draagvlak geen enkele rol speelt in de besluitvorming. Het streven naar draagvlak vormt een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid dient te maken.

Voor zover er wordt betoogd dat niet is toegelicht hoe de effecten van de verschillende locaties voor het transformatorstation tegen elkaar zijn afgewogen, overweegt de Afdeling dat in hoofdstuk 4 van het MER, deel A, en hoofdstuk 4.4.3 van de plantoelichting staat omschreven hoe de ministers tot de voorkeurslocatie van het transformatorstation zijn gekomen en welke overwegingen tot deze keuze hebben geleid.

De Afdeling acht voorts van belang dat de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie) op 24 januari 2019 een toetsingsadvies over het MER heeft uitgebracht. In dat advies merkt de Commissie op dat de informatie in het MER van hoge kwaliteit is en dat de keuze voor het voorkeursalternatief goed is onderbouwd.

De Afdeling is van oordeel dat de ministers de voor- en de nadelen van de alternatieven goed in beeld hebben gebracht. Hetgeen Stichting Landhuis en Stichting Dorpsraad hebben aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de ministers in redelijkheid niet voor het in het RIP voorziene tracé in combinatie met Beverwijk Tata Steel als locatie voor het transformatorstation hadden mogen kiezen. De vraag of de besluiten in overeenstemming zijn met het recht, waaronder begrepen de vraag of de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het RIP strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening, zal hierna aan de hand van de daarop betrekking hebbende beroepsgronden worden beoordeeld.

De betogen slagen niet.

Geluid

18. Het aspect geluid heeft betrekking op het RIP en de omgevingsvergunning. De Afdeling zal bij de bespreking van de beroepsgronden over dit onderwerp beide besluiten beoordelen.

Uitgangspunten akoestisch onderzoek

19. Stichting Dorpsraad stelt onder verwijzing naar de door haar ingebrachte stukken van dr. H. Hasper van CTIsa dat het akoestisch onderzoek geen inzicht geeft in de invoergegevens die zijn gebruikt bij de berekeningen en dat onvoldoende rekening is gehouden met mogelijke onnauwkeurigheden in de resultaten van het onderzoek.

19.1. Voor de beoordeling van de geluidbelasting van het transformatorstation is akoestisch onderzoek verricht. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het "Akoestisch onderzoek transformatorstation Hollandse Kust noord en Hollandse kust west Alpha, locatie Tata Steel" van 31 augustus 2018 (hierna: akoestisch onderzoek). Dit onderzoek is nader toegelicht in de memo’s van Arcadis van onderscheidenlijk 31 juli 2019 en 22 november 2019. Daarnaast heeft de omgevingsdienst notities ingebracht van onderscheidenlijk 5 oktober 2018 en 19 november 2019, en een ongedateerd stuk, dat als bijlage is gevoegd achter de brief van de ministers van 21 januari 2020.

Stichting Dorpsraad heeft over het aspect geluid eveneens stukken ingebracht. Dit zijn de stukken van Hasper van onderscheidenlijk 6 juni 2019, 3 november 2019, 15 januari 2020 en 16 januari 2020.

Tot slot heeft Stichting Landhuis over het aspect geluid een stuk ingebracht van M. Post van 21 januari 2020.

19.2. In het deskundigenverslag wordt in hoofdstuk 2.3.5 ingegaan op de kritiekpunten van Hasper die zijn vermeld in de notitie van 6 juni 2019. Over de frequentie-afhankelijkheid van de luchtdemping en de (on)nauwkeurigheid van de door Arcadis toegepaste methode staat in het deskundigenverslag dat Arcadis in het akoestisch onderzoek heeft gehandeld overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (hierna: handleiding). In het stuk van 3 november 2019 benoemt Hasper opnieuw de onnauwkeurigheid in de resultaten van het onderzoek. De invoergegevens van het rekenmodel dat door Arcadis is gebruikt, zijn gevoegd als bijlage 2 achter het akoestisch onderzoek. Hasper heeft niet beargumenteerd aangegeven waarom deze invoergegevens onjuist of onvolledig zouden zijn. De stelling van Hasper dat de invoergegevens incompleet en onnauwkeurig zouden zijn, wordt ook niet gesteund door het deskundigenverslag. Over de interferentiepatronen staat in het deskundigenverslag dat de negatieve effecten van interferentie in de richting van Wijk aan Zee beperkt zullen blijven, omdat de transformatoren in de aangevraagde situatie aan drie zijden worden voorzien van 6 tot 9 m hoge scherfwanden.

In de verwijzing van Stichting Dorpsraad naar de stukken van Hasper ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de uitgangspunten van het akoestisch onderzoek of de wijze waarop het akoestisch onderzoek is verricht.

Het betoog slaagt niet.

Geluidzone

20. Stichting Dorpsraad betoogt dat het transformatorstation zal leiden tot onaanvaardbare geluidhinder voor de omwonenden. Stichting Milieuherstel sluit zich aan bij dit betoog. De bewoners van Wijk aan Zee worden nu al gehinderd door een te hoge geluidbelasting vanuit het in Wijk aan Zee gelegen industrieterrein. Volgens Stichting Dorpsraad concluderen de ministers ten onrechte dat in de geluidzone van het industrieterrein IJmond nog geluidruimte vrij is voor het bromgeluid vanuit het transformatorstation. Stichting Landhuis sluit zich aan bij dit betoog en stelt aanvullend dat bij een vergelijkbare situatie van een transformatorstation bij Geertruidenberg sprake is van veel geluidhinder. Stichting Dorpsraad en Stichting Landhuis verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar het deskundigenverslag. Al zou die geluidruimte er nog wel zijn, dan zou die ruimte niet mogen worden opgevuld, omdat dan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet is gegarandeerd.

20.1. Het college en de ministers stellen dat de geluidbelasting van het transformatorstation past binnen de huidige geluidzone van het industrieterrein en dat de maximaal toelaatbare geluidbelasting bij de woningen binnen de geluidzone niet wordt overschreden. Volgens het college en de ministers zal de geluidbelasting niet leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden. Zij verwijzen ter onderbouwing van hun standpunt naar het akoestisch onderzoek dat is verricht ter voorbereiding van het RIP en de omgevingsvergunning.

Over de geluidbelasting bij het transformatorstation bij Geertruidenberg, hebben het college en de ministers op de zitting aangegeven dat daar inderdaad sprake is van geluidhinder, maar dat het transformatorstation aldaar ouder is en nieuwe transformatorstations veel minder geluidbelasting veroorzaken. De geluidbelasting is daar inmiddels gereduceerd door het plaatsen van een wand, aldus het college en de ministers.

20.2. Het transformatorstation zal worden gerealiseerd op het industrieterrein IJmond (Tata Steel), een gezoneerd industrieterrein in het kader van artikel 40 van de Wgh. Rond het industrieterrein is een zone vastgesteld waarbuiten de geluidbelasting van het terrein de waarde van 50 dB(A) niet te boven mag gaan. De woningen in Wijk aan Zee liggen binnen de geluidzone rond het industrieterrein. Voor woningen gelegen binnen die zone rond het industrieterrein geldt de vastgestelde maximaal toelaatbare geluidbelasting (MTG-waarde). Voor de woningen binnen de geluidzone zijn MTG-waarden vastgesteld. De MTG-waarden variëren van 55 tot 57 dB(A).

20.3. In het akoestisch onderzoek worden de door het transformatorstation veroorzaakte geluidniveaus bij de bestaande woningen rond het plangebied onderzocht en getoetst aan de zonegrenswaarde en de MTG-waarden. Daarbij is onder meer als uitgangspunt genomen dat TenneT geluidreducerende maatregelen zal treffen aan de harmonische filters en de vermogenstransformatoren van het transformatorstation. Deze maatregelen zijn onderdeel van de aangevraagde en vergunde situatie.

Los van de aanvraag om een omgevingsvergunning die in deze procedure voorligt is TenneT voornemens om aanvullende geluidreducerende maatregelen te treffen aan de transformatoren en compensatiespoelen. Deze aanvullende geluidreducerende maatregelen zijn geen onderdeel van de onderhavige omgevingsvergunning en zullen door de Afdeling niet worden betrokken bij de beoordeling van de beroepsgronden.

20.4. In het akoestisch onderzoek staat dat de geluidbelasting met name wordt veroorzaakt door de transformatoren, de harmonische filters en de reactoren. De geluidbelasting is getoetst op drie zonebewakingspunten en zes bewakingspunten bij woningen in de geluidzone. Uit de beoordeling van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau volgt dat - na het treffen van de geluidreducerende maatregelen - ter plaatse van de woningen binnen de geluidzone het beoordelingsniveau varieert van 22 tot ten hoogste 32 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. Het beoordelingsniveau ter plaatse van de drie zonebewakingspunten is ten hoogste 15 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode.

De omgevingsdienst heeft getoetst of de geluidbelasting door het transformatorstation, gelet op de al bestaande geluidbelasting, in overeenstemming is met de zonegrenswaarde en de vastgestelde MTG-waarden. De omgevingsdienst stelt in de notitie van 5 oktober 2018 dat de cumulatieve geluidbelasting van het transformatorstation en de overige inrichtingen op het industrieterrein na het vervallen van een geluidclaim voor een glasbehandelingsinstallatie past binnen de geluidzone.

In het deskundigenverslag staat dat in het akoestisch onderzoek en de notitie van 5 oktober 2018 ten onrechte voor delen van het industrieterrein is uitgegaan van een geluidabsorberende bodem, terwijl op die plaatsen feitelijk sprake is van een verharde bodem, die geluidreflecterend is. Volgens het deskundigenverslag heeft dat tot gevolg dat de berekende geluidniveaus op de toetspunten zijn onderschat. Op het toetspunt aan de Verlengde Voorstraat in Wijk aan Zee (toetspunt IP2) is - na afronding - een cumulatieve geluidbelasting van het transformatorstation en de overige bedrijven op het industrieterrein vastgesteld die net voldoet aan de maximaal toegestane waarde van 57 dB(A). Volgens het deskundigenverslag is de kans groot dat uitgaande van de werkelijke bodemgesteldheid de maximaal toegestane waarde op toetspunt IP2 kan worden overschreden.

20.5. De Afdeling overweegt dat de omgevingsdienst in de notitie van 19 november 2019 en de ongedateerde notitie die is gevoegd achter de brief van de ministers van 21 januari 2020, een reactie heeft gegeven op het deskundigenverslag. In deze notities staat dat het industrieterrein IJmond een complexe situatie is voor de berekening van de geluidbelasting, voornamelijk door de grote hoeveelheid warmte op het industrieterrein. Daarom is gebruik gemaakt van de in de handleiding voorgeschreven rekenmethode "hybride methode II.10". Om de geluidbelasting van het industrieterrein IJmond goed in beeld te krijgen, worden er al vele jaren geluidmetingen uitgevoerd. Deze metingen wijken af van de berekeningen. De meetresultaten zijn gebruikt om de rekenuitkomsten te controleren en, waar nodig, te kalibreren. Tegen deze achtergrond is door de omgevingsdienst bij de berekening van de geluidbelasting door het transformatorstation uitgegaan van bodemfactoren die afwijken van de feitelijke situatie. De doorgevoerde aanpassing van een deel van de bodemfactoren is een historisch gegroeide standaardinstelling die recht doet aan de complexe geluidsituatie ter plaatse en zorgt er juist voor dat de resultaten uit het model beter aansluiten bij de daadwerkelijke geluidbelasting van de vergunde situatie, aldus de notitie.

In hoofdstuk 7 van de handleiding staat dat onder hybride-methoden wordt verstaan dat berekeningsresultaten worden gecontroleerd en bijgesteld op basis van meetresultaten, verkregen op gekozen punten tussen bron en immissiepunt óf dat onbetrouwbaar geachte meetresultaten op basis van berekeningen worden gecontroleerd. Deze methode wordt volgens de handleiding voor complexe situaties sterk aanbevolen.

De Afdeling is van oordeel dat het college en de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de door de omgevingsdienst gebruikte methode in overeenstemming is met hoofdstuk 7 van de handleiding (de hybride methode II.10).

Voorts zijn de bodemgebieden naar aanleiding van het deskundigenverslag nog gedetailleerder ingevoerd. Dit leidt volgens de notities tot een zeer geringe toename, die geen gevolgen heeft voor de inpassing van het transformatorstation in de zone.

Over het betoog dat de situatie bij het transformatorstation bij Geertruidenberg dient te leiden tot een vermindering van de geluidbelasting door dit project, overweegt de Afdeling dat de noodzaak daartoe niet is gebleken. Daarbij is van belang dat het college en de ministers hebben aangegeven dat het transformatorstation bij Geertruidenberg ouder is en meer geluidbelasting veroorzaakt dan het voorziene transformatorstation.

Gelet op de nadere toelichting van het college en de ministers en de hiervoor genoemde notities van de omgevingsdienst, is de Afdeling van oordeel dat de zonegrenswaarde en MTG-waarden op geen van de meetpunten wordt overschreden.

Het betoog slaagt niet.

Laagfrequent geluid

21. Stichting Dorpsraad betoogt onder verwijzing naar het stuk van Hasper van 15 januari 2020, dat het transformatorstation zal zorgen voor een onaanvaardbare geluidbelasting door laagfrequent geluid in de vorm van een bromtoon.

Stichting Landhuis betoogt dat er ten onrechte van uit is gegaan dat een bromtoon niet hinderlijk kan zijn.

21.1. Het college en de ministers stellen onder verwijzing naar het memo van Arcadis van 31 augustus 2018 dat laagfrequent geluid van het transformatorstation bij de dichtstbijzijnde woningen in Beverwijk en Wijk aan Zee niet of nauwelijks hoorbaar zal zijn en dat de eventuele hinder vanwege laagfrequent geluid aanvaardbaar is.

21.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 22 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX5262)), bestaat er geen wettelijk voorgeschreven richtlijn voor het vaststellen van normen voor acceptabel laagfrequent geluid. Ter voorbereiding op de besluiten is onderzoek gedaan naar laagfrequent geluid door het transformatorstation. De resultaten uit dit onderzoek zijn vastgelegd in het memo van Arcadis van 31 augustus 2018. In deze memo staat dat het laagfrequent geluid is beoordeeld aan de hand van de NSG Richtlijn laagfrequent geluid en de Vercammencurve.

In het deskundigenverslag staat dat de referentiecurve van de NSG-richtlijn een maat is voor de hoorbaarheid van laagfrequent geluid, die is gebaseerd op de 90% gehoordrempel van een doorsnee groep oudere personen van 50 tot 60 jaar. De referentiecurve gaat uit van waarden in tertsbanden van 20 tot en met 100 Hz.

De hinder van laagfrequent geluid is beoordeeld aan de hand van de Vercammencurve. In het deskundigenverslag staat dat het uitgangspunt van deze curve is dat het aantal gehinderden door laagfrequent geluidsniveau beperkt blijft tot 3 tot 10% van de bevolking. De Vercammencurve staat daarmee een zekere mate van hinder toe, in tegenstelling tot de referentiecurve uit de NSG-richtlijn die uitgaat van de gehoordrempel. De Vercammencurve gaat uit van waarden in tertsbanden van 10 tot en met 160 Hz.

21.3. Uit het memo volgt dat de referentiecurve uit de NSG-richtlijn wordt overschreden. Daarom wordt in het memo geconstateerd dat het laagfrequent geluid van het transformatorstation hoorbaar kan zijn in de woningen in Wijk aan Zee. De Vercammencurve wordt niet overschreden. De hinder van hoorbaar laagfrequent geluid wordt daarmee aanvaardbaar geacht. De Vercammencurve is geschikt om de aanvaardbaarheid van het laagfrequent geluid te beoordelen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2233)). Voorts is onderzoek gedaan naar het effect van het treffen van geluidreducerende maatregelen, aan te brengen aan de harmonische filters en de vermogenstransformatoren. Volgens het memo wordt de referentiecurve uit de NSG-richtlijn ook na deze geluidreducerende maatregelen overschreden, maar wordt ruimschoots aan de Vercammencurve voldaan. In het deskundigenverslag wordt dit bevestigd. Hasper stelt zich in zijn stuk van 15 januari 2020 zonder concrete onderbouwing op het standpunt dat in het onderzoek naar laagfrequent geluid een aantal foutenmarges niet symmetrisch zijn, maar verbindt hier verder geen conclusies aan. De Afdeling ziet in de verwijzing van Stichting Dorpsraad naar dit stuk van Hasper geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies uit het het onderzoek naar laagfrequent geluid zoals vastgelegd in het memo van Arcadis van 31 augustus 2018.

De Afdeling is gelet op deze omstandigheden van oordeel dat het college en de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat aan de Vercammencurve wordt voldaan.

De betogen falen.

Tonaal geluid

22. Stichting Dorpsraad betoogt onder verwijzing naar de stukken van Hasper dat bij de geluidberekeningen ten onrechte geen rekening is gehouden met een strafopslag van 5 dB(A) vanwege tonaal geluid, veroorzaakt door de bromtoon van het transformatorstation. Als dat wel zou zijn gedaan, moet volgens Stichting Dorpsraad in de omgevingsvergunning een verplichting tot het treffen van aanvullende geluidreducerende maatregelen worden opgenomen.

Verder betoogt Stichting Dorpsraad dat de in voorschrift 3.1.3 van de omgevingsvergunning opgenomen toetsingsverplichting onvoldoende borgt dat de in de omgevingsvergunning opgenomen maximale geluidwaarden niet worden overschreden, omdat het transformatorstation 3 maanden na de ingebruikname daarvan nog niet op vol vermogen zal draaien.

22.1. Het college en de ministers stellen dat de maximale geluidwaarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau die zijn opgenomen in voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning gelden, ook indien een opslag van 5 dB(A) dient te worden toegepast vanwege hoorbaar tonaal geluid.

Onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek en de aanvullende notitie van Arcadis van 22 november 2019, stellen het college en de ministers dat de verwachting is dat het tonaal geluid dat wordt veroorzaakt door de bromtoon van het transformatorstation, door het omgevingsgeluid niet hoorbaar zal zijn.

22.2. Voorschrift 3.1.1 van de omgevingsvergunning luidt:

"Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) afkomstig van de inrichting mag op de beoordelingspunten in onderstaande tabel, en opgenomen in bijlage 2, over de hierna genoemde perioden de volgende waarden niet overschrijden:

* Indien op de beoordelingspunten en controlepunten sprake is van tonaal geluid, welke afkomstig is van het transformatorstation, betreft dit het geluidniveau inclusief 5 dB(A) tonaaltoeslag."

Voorschrift 3.1.2 luidt:

"De door de inrichting veroorzaakte geluidsniveaus van piekgeluiden (LAmax), mogen op de in voorschrift 3.1.1. bedoelde beoordelingspunten de daar genoemde geluidniveaus met niet meer dan 25 dB(A) overschrijden."

Voorschrift 3.1.3 luidt:

"Drie maanden na de ingebruikname van de inrichting dient de inrichtinghouder middels een akoestisch rapport aan het bevoegd gezag aan te tonen dat aan de voorschriften 3.1.1. en 3.1.2. voldaan kan worden."

22.3. De Afdeling overweegt dat de voorschriften 3.1.1 en 3.1.2 van de omgevingsvergunning de maximale geluidwaarden van onderscheidenlijk het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en de piekgeluiden voorschrijven, zowel inclusief als exclusief een toeslag van 5 dB(A) voor mogelijk hoorbaar tonaal geluid. Aan deze voorschriften dient te worden voldaan, of er nu sprake is van hoorbaar tonaal geluid - en daarmee van een toeslag van 5 dB(A) - of niet. Hasper stelt in zijn stuk dat voorschrift 3.1.3 onvoldoende borging biedt, omdat drie maanden na de afbouw van het transformatorstation en het moment van testen, het transformatorstation nog niet op vol vermogen kan draaien. Dit standpunt is, gelet op de tekst van voorschrift 3.1.3 van de omgevingsvergunning, onjuist. Voorschrift 3.1.3 van de omgevingsvergunning schrijft namelijk voor dat de inrichtinghouder drie maanden na ingebruikname van het transformatorstation dient aan te tonen dat aan de maximale geluidwaarden kan worden voldaan, en niet, zoals Hasper stelt, drie maanden na de afbouw of het testen van het transformatorstation. Hierover staat in het deskundigenverslag dat voorschrift 3.1.3 een gebruikelijk voorschrift is bij geluidprognoses en dat eventuele afwijkingen van het prognoseonderzoek dan in beeld komen.

Gelet op het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat het college en de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat geen sprake is van onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van tonaal geluid van het transformatorstation en dat het voorts niet noodzakelijk is aanvullende geluidreducerende maatregelen te treffen.

De betogen slagen niet.

Impulsgeluid

23. Stichting Dorpsraad betoogt dat uit het akoestisch onderzoek niet blijkt of er sprake zal zijn van impulsgeluid, veroorzaakt door de schakelhandelingen voor de 220 kV- en 380 kV-velden. Gezien de omvang van het transformatorstation en de ervaringen bij andere transformatorstations acht Stichting Dorpsraad dit aannemelijk. Deze omissie leidt er volgens Stichting Dorpsraad toe dat ten onrechte geen 5 dB(A) opslag is toegepast vanwege de aanwezigheid van impulsgeluid.

23.1. Het college en de ministers stellen dat geen sprake is van impulsgeluid. De schakelhandelingen voor de 220 kV- en 380 kV-velden vormen volgens de ministers piekgeluiden, waarmee in het akoestisch onderzoek bij het beoordelen van de maximale geluidniveaus rekening is gehouden.

23.2. In het deskundigenverslag staat dat van impulsgeluid sprake is wanneer in het geluidbeeld geluidstoten voorkomen die minder dan 1 seconde duren en een zekere repetitie kennen. In het deskundigenverslag staat verder dat hiervan bij het transformatorstation geen sprake is, omdat de piekgeluiden die worden veroorzaakt door de schakelhandelingen van de vermogensschakelaars slechts incidenteel optreden (circa eens per maand).

Stichting Dorpsraad heeft deze conclusie niet gemotiveerd betwist. De Afdeling is daarom van oordeel dat het college en de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat geen sprake is van impulsgeluid veroorzaakt door de schakelhandelingen.

Het betoog slaagt niet.

Geluidbelasting ter plaatse van het landhuis

24. Stichting Landhuis vreest voor geluidoverlast bij het landhuis. Zij betoogt dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar het maximale geluidniveau van het transformatorstation ter plaatse van het landhuis.

Stichting Landhuis betoogt verder onder verwijzing naar het stuk van Post dat het onwaarschijnlijk is dat ter plaatse van het landhuis de Vercammencurve niet zal worden overschreden. Zij voert daartoe aan dat uit het akoestisch onderzoek volgt dat bij de woning aan de Zeestraat 214 laagfrequent geluid van 1 dB onder de Vercammencurve is berekend. Deze woning ligt op 500 m van het transformatorstation. Omdat het landhuis op 125 m afstand van het transformatorstation ligt, concludeert Stichting Landhuis dat de geluidbelasting aldaar minimaal 3 tot 6 dB hoger zal zijn dan is berekend ter plaatse van de Zeestraat 214 en dat daarmee de Vercammencurve wordt overschreden.

24.1. Het college en de ministers stellen dat de geluidbelasting ter plaatse van het landhuis in het licht van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is. Zij verwijzen ter onderbouwing van dat standpunt naar de aanvullende notitie van Arcadis van 31 juli 2019.

24.2. De Afdeling stelt vast dat het landhuis ligt in de geluidzone van het industrieterrein. Het landhuis is een kantoor en geen geluidgevoelig object in de zin van de Wgh. Dit volgt uit artikel 1.2 van het Besluit geluidhinder. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0443) is een kantoor in de Wgh weliswaar niet aangemerkt als geluidgevoelig object, maar kan bij de vaststelling van het RIP in het kader van een goede ruimtelijke ordening aan bedrijfsruimten waar gedurende een langere periode van de dag personen verblijven een zekere bescherming tegen onaanvaardbare geluidhinder worden toegekend, zij het dat die ruimten niet dezelfde bescherming behoeven te krijgen als in het geval van een woning of een andere geluidgevoelige bestemming. Bij de verlening van een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de geluidzone en de vastgestelde MTG-waarden.

24.3. Er is akoestisch onderzoek gedaan naar de geluidbelasting van het transformatorstation ter plaatse van het landhuis. Dat onderzoek heeft betrekking op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, het maximale geluidniveau en laagfrequent geluid. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in de aanvullende notitie van Arcadis van 31 juli 2019.

In deze notitie staat dat bij het akoestisch onderzoek T-RP01 als referentiepunt is genomen. Op 11 juli 2019 zijn hier geluidmetingen verricht. Op basis van het zonebeheermodel is het verschil in niveau bepaald tussen het referentiepunt en een punt op de zuidgevel van het landhuis. Het landhuis ligt op 75 m ten noordwesten van het referentiepunt. Het niveauverschil is gebruikt om de meetwaarden op het referentiepunt om te rekenen naar het niveau op de zuidgevel van het landhuis.

In de notitie staat dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau vanwege het transformatorstation op de gevel van het landhuis maximaal 54 dB(A) is. Daarbij is rekening gehouden met een toeslag van 5 dB(A) vanwege hoorbaar tonaal geluid. Er is voorts rekening gehouden met cumulatie met het al heersende geluidniveau ter plaatse van het landhuis. In de notitie staat dat het beoordelingsniveau op de gevel van het landhuis, gecumuleerd met het beoordelingsniveau conform het vigerend zonebeheermodel, maximaal 56 dB(A) is.

Verder staat in de notitie dat het beoordelingsniveau, gecumuleerd met het beoordelingsniveau conform het vigerend zonebeheermodel, binnen in het landhuis maximaal 36 dB(A) bedraagt. Dit voldoet volgens Arcadis ruimschoots aan de richtwaarde voor een kantoor van 45 dB(A).

Naast het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, is onderzoek gedaan naar het maximale geluidniveau. In de notitie staat dat het maximale geluidniveau veroorzaakt door het transformatorstation ter plaatse van Landhuis Tusschenwijk 67 dB(A) is. Verder vermeldt de notitie dat deze geluidbelasting ruim onder de maximale grenswaarde van 70 dB(A) blijft die in het algemeen voor woningen wordt gehanteerd. Het betoog van Stichting Landhuis dat geen onderzoek is gedaan naar het maximale geluidniveau is onjuist.

Verder is onderzoek gedaan naar het laagfrequent geluid ter plaatse van het landhuis. Daarbij is gebruik gemaakt van twee rekenpunten: op 1,5 m hoogte en op 5 m hoogte van het landhuis. Uit de berekeningen volgt dat de NSG-curve wordt overschreden, maar dat de geluidbelasting 10 dB of meer lager is dan de Vercammencurve toestaat. Dit betekent dat het laagfrequent geluid van het transformatorstation hoorbaar zal zijn, maar dat de eventuele hinder aanvaardbaar wordt geacht. Post maakt in zijn stuk gebruik van een ander referentiepunt dan waarvan Arcadis gebruik heeft gemaakt, namelijk de woning gelegen aan de Zeestraat 214A. Deze woning ligt op 500 m afstand van het transformatorstation. De berekeningen uit het onderzoek van Post geven een ander resultaat weer dan de berekeningen in het onderzoek van Arcadis. In zijn stuk geeft Post echter niet aan waarom Arcadis geen gebruik heeft mogen maken van referentiepunt T-RP01 en waarom de berekeningen van Arcadis naar zijn oordeel onjuist zouden zijn. Daarbij komt dat in de notitie van Arcadis staat dat de Vercammencurve een strengere norm is dan de norm die wordt gehanteerd voor kantoren. De Vercammencurve is gerelateerd aan een grenswaarde van 35 dB(A), terwijl voor een kantoor gewoonlijk een richtwaarde van 45 dB(A) wordt gehanteerd. De Afdeling ziet in de verwijzing van Stichting Landhuis naar het stuk van Post geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies uit het het onderzoek naar laagfrequent geluid zoals vastgelegd in de notitie van Arcadis van 31 juli 2019.

Gelet op het verrichte onderzoek is de Afdeling van oordeel dat het college en de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de geluidbelasting ter plaatse van het landhuis aanvaardbaar is.

De betogen slagen niet.

Objectiviteit akoestisch onderzoek

25. Stichting Dorpsraad betoogt verder dat niet is aangetoond dat het akoestisch onderzoek van Arcadis objectief is uitgevoerd.

25.1. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over het aspect geluid, in hetgeen Stichting Dorpsraad heeft aangevoerd geen reden om te twijfelen aan de objectiviteit van het onderzoek van Arcadis.

Het betoog slaagt niet.

Waterlandakkoord

26. Stichting Milieuherstel betoogt dat het college en de ministers op basis van de "Intentieverklaring Ruimte voor wonen en werken in de IJmond" (hierna: Waterlandakkoord), dat is gesloten tussen overheidsinstanties en industriebedrijven in Wijk aan Zee, verplicht zijn de geluidemissie in Wijk aan Zee terug te dringen. De omgevingsvergunning en het RIP zijn volgens Stichting Milieuherstel niet in overeenstemming met het Waterlandakkoord.

26.1. Het college en de ministers stellen zich op het standpunt dat het in 2006 afgesloten Waterlandakkoord beoogt randvoorwaarden te scheppen voor de realisatie van nieuwbouwwoningen in de betrokken gemeenten. Ter zitting is door de ministers aangevoerd dat deze nieuwbouwwoningen inmiddels zijn gerealiseerd. Het Waterlandakkoord bevat volgens het college en de ministers geen afspraken over beschikbare geluidruimte.

26.2. Het Waterlandakkoord is een uit 2006 daterende intentieverklaring over gewenste ruimtelijke ontwikkelingen in onder meer Wijk aan Zee. Hierin staan geen concrete geluidnormen. Het akkoord heeft daarom niet de betekenis die Stichting Milieuherstel daaraan toekent.

Het betoog slaagt niet.

Aanvullende geluidreducerende maatregelen

27. Stichting Dorpsraad betoogt dat in de omgevingsvergunning een verplichting tot het treffen van aanvullende geluidreducerende maatregelen dient te worden opgenomen.

Stichting Milieuherstel stelt dat in het akoestisch onderzoek ten onrechte al uit wordt gegaan van de positieve effecten van de aanvullende geluidreducerende maatregelen.

27.1. De Afdeling overweegt dat, zoals uit overwegingen 18 tot en met 22 van deze uitspraak volgt, de geluidbelasting door het transformatorstation voldoet aan de verschillende geluidnormen die gelden voor onderscheidenlijk een gezoneerd industrieterrein, laagfrequent geluid en tonaal geluid. Van impulsgeluid is geen sprake. Het college en de ministers hebben zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden van het transformatorstation en het niet noodzakelijk is aanvullende geluidreducerende maatregelen op te nemen in de omgevingsvergunning. De aangekondigde aanvullende geluidreducerende maatregelen aan de transformatoren en compensatiespoelen vormen geen onderdeel van de aangevraagde en vergunde situatie en zijn ook niet betrokken bij dit oordeel.

De betogen slagen niet.

Natuur

28. Stichting Landhuis betoogt dat voor de voorziene ontwikkeling groen zal worden verwijderd en bomen zullen worden gekapt. Dit betreft 9,2 hectare bos ter plaatse van het transformatorstation en de kap van bomen langs de Zeestraat en op het erf van Stichting Landhuis. Stichting Landhuis acht dit in strijd met de Wnb, de Wnb-vergunning die aan Tata Steel is verleend en het Groenstructuurplan van de Gemeente Beverwijk.

28.1. De ministers stellen dat de kap van bomen niet leidt tot een overtreding van de Wnb. Voorts stellen de ministers dat de Wnb-vergunning die aan Tata Steel is verleend, nu niet voorligt. Over de Groenstructuurplan stellen de ministers dat het perceel waar het transformatorstation op zal worden gerealiseerd, niet in het Groenstructuurplan plan is opgenomen.

28.2. De Afdeling overweegt dat Stichting Landhuis het betoog dat de kap van bomen ter plaatse van het transformatorstation, langs de Zeestraat en op het erf van Stichting Landhuis in strijd is met de Wnb, de Wnb-vergunning die aan Tata Steel is verleend en het Groenstructuurplan van de Gemeente Beverwijk niet heeft onderbouwd. In het Landschaps- en compensatieplan staat omschreven hoe de compensatie voor de kap van bomen zal plaatsvinden. Bovendien is het perceel waar het transformatorstation op zal worden gerealiseerd volgens het college en de ministers niet in het Groenstructuurplan opgenomen. De Wnb-vergunning die aan Tata Steel is verleend, staat hier verder niet ter beoordeling.

De Afdeling is gelet hierop van oordeel dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat de voorziene verwijdering van groen en de kap van bomen niet in strijd is met de Wnb en het Groenstructuurplan van de Gemeente Beverwijk.

Het betoog slaagt niet.

Bouwmogelijkheden en landschappelijke inpassing

29. Stichting Landhuis betoogt dat de maximale bouwmogelijkheden van het perceel waar het transformatorstation zal worden gerealiseerd, te ruim zijn. Uitgaande van de maximale planologische mogelijkheden, kan volgens Stichting Landhuis op het perceel een gebouw van 30 m hoog worden gerealiseerd. Deze omvang is volgens Stichting Landhuis niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. Voorts dient de landschappelijke inpassing in het RIP te worden geborgd. Artikel 9, lid 9.1, van de planregels biedt onvoldoende borging, omdat het Landschaps- en compensatieplan geen concrete maatregelen bevat en niet afdwingbaar is, aldus Stichting Landhuis.

29.1. De ministers stellen dat een maximale bouwhoogte van 30 m aanvaardbaar is. De ministers voeren in dit kader aan dat het RIP een lagere bouwhoogte toestaat dan de bouwhoogte van 60 tot 150 m die op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan op het betreffende perceel was toegestaan. Uitgaande van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden, zal slechts een beperkt aantal hoge elementen worden gerealiseerd.

Voorts stellen de ministers dat in het Landschaps- en compensatieplan, dat is geborgd in artikel 9 van de planregels, maatregelen zijn opgenomen om het transformatorstation landschappelijk in te passen. De ministers wijzen in dit kader op de maatregelen strekkende tot verdichting van de groene bufferzone langs de Zeestraat en het aanpassen van de kleurstelling van de betonnen bouwwerken op het transformatorstation.

29.2. De Afdeling stelt vast dat het RIP onder meer voorziet in een transformatorstation met een maximale bouwhoogte van 30 m. In de plantoelichting staat dat het perceel nu deels wordt gebruikt voor opslagdoeleinden en voor het overige is begroeid. Het voorheen geldende bestemmingsplan "Industrieterrein Tata Steel" stond op het perceel bebouwing toe met een maximale bouwhoogte van onderscheidenlijk 60 m, 120 m (voor gasdragers) en 150 m (voor schoorstenen), met dien verstande dat maximaal 80% van het terrein mocht worden bebouwd. Deze maximale bouwhoogte geldt op grond van het bestemmingsplan "Industrieterrein Tata Steel" nog voor de percelen die grenzen aan het plangebied, uitgezonderd de percelen ten noorden van het plangebied waarop de bestemming "Groen" rust. De Afdeling acht verder van belang dat het transformatorstation zal worden gerealiseerd op het industrieterrein IJmond, waar thans al bebouwing aanwezig is. De Afdeling is gelet op de locatie en de reeds aanwezige bebouwing van oordeel dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat een maximale bouwhoogte van 30 m in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Over het betoog dat de landschappelijke inpassing in het RIP dient te worden geborgd, overweegt de Afdeling als volgt. Op grond van artikel 9, lid 9.1, van de planregels dienen het transformatorstation en de daarbij behorende voorzieningen binnen 5 jaar na de aanleg daarvan landschappelijk te worden ingepast conform het Landschaps- en compensatieplan, dat als bijlage bij de planregels is gevoegd. In dat plan staat onder meer dat het groene gebied langs de Zeestraat in afstemming met de gemeente Beverwijk verder zal worden verdicht, waardoor de visuele afscherming van het transformatorstation wordt versterkt. In het plan staat voorts dat het dienstengebouw en de overige in beton betrokken gebouwen antraciet gekleurd worden om de zichtbaarheid te verminderen. De Afdeling is gelet op het Landschaps- en compensatieplan en de borging daarvan in artikel 9, lid 9.1, van de regels van het RIP, van oordeel dat de ministers zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het transformatorstation en de daarbij behorende voorzieningen landschappelijk inpasbaar zijn.

Het betoog slaagt niet.

Financiële compensatie

30. Stichting Milieuherstel verzoekt de Afdeling om te gelasten dat de ministers ingaan op haar verzoek om compensatie in de vorm van een geldbedrag aan een regiofonds voor de milieuschade die wordt veroorzaakt door de ontwikkelingen waarin de bestreden besluiten voorzien.

30.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de negatieve gevolgen voor de omgeving zodanig zijn dat het college, de minister van LNV en de ministers daarin reden hadden moeten zien om tot geldelijke compensatie in de vorm van een storting in een regiofonds over te gaan.

Het betoog slaagt niet.

Zienswijze

31. Stichting Landhuis en Stichting Milieuherstel hebben zich in de beroepschriften voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. In de overwegingen van de bestreden besluiten is ingegaan op deze zienswijzen. Stichting Landhuis en Stichting Milieuherstel hebben in de beroepschriften geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in de bestreden besluiten onjuist zou zijn.

Conclusie en gevolgen voor partijen

32. De beroepen van Stichting Landhuis en Stichting Milieuherstel tegen het RIP en de omgevingsvergunning zijn ongegrond.

Het beroep van Stichting Dorpsraad voor zover ingesteld tegen het RIP en de Wnb-vergunning is gegrond.

Naar aanleiding van het beroep van Stichting Dorpsraad, vernietigt de Afdeling het RIP en de Wnb-vergunning vanwege strijd met de Wnb. Deze vernietiging werkt door in de omgevingsvergunning. Dit brengt mee dat ook de omgevingsvergunning wordt vernietigd. De Afdeling laat de rechtsgevolgen van het RIP, de Wnb-vergunning en de omgevingsvergunning - onder verwijzing naar hetgeen in deze uitspraak onder 15 en 16 is overwogen - in stand. Dit betekent dat de gevolgen van deze besluiten, ondanks de geconstateerde gebreken, in stand blijven en de ministers, de minister van LNV en het college geen nieuwe besluiten hoeven te nemen.

Dit alles tezamen betekent dat de platforms, de kabelsystemen en het transformatorstation gerealiseerd mogen worden.

Proceskosten

33. Voor zover het Stichting Landhuis en Stichting Milieuherstel betreft, bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

34. De ministers, de minister van LNV en het college dienen op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten van Stichting Dorpsraad te worden veroordeeld.

34.1. Voor zover Stichting Dorpsraad vraagt om de vergoeding van de kosten van het inschakelen van een deskundige overweegt de Afdeling als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 7 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:380)) komen de kosten van een deskundige op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking als het inroepen van die deskundige redelijk was en ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Hieruit vloeit voort dat niet is vereist dat een deskundigenrapport over een voor de uitkomst van dat geschil mogelijk relevante vraag uiteindelijk heeft bijgedragen aan de rechterlijke beslissing. Onder bepaalde omstandigheden bestaat er echter aanleiding hierop een uitzondering te maken.

34.2. De Afdeling heeft eerder (in de uitspraken van 25 juli 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2505) en 27 maart 2019 (ECLI:NL:2019:945)) overwogen dat omstandigheden die aanleiding kunnen zijn voor het maken van een uitzondering zich in het bijzonder voordoen in zaken in het omgevingsrecht. In die zaken kan het voorkomen dat beroepsgronden zijn gericht tegen zeer verschillende aspecten van hetzelfde besluit. Zo kunnen in beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan of tot verlening van een omgevingsvergunning gronden worden aangevoerd over aspecten zoals geluid, geur, luchtkwaliteit, stikstof, natuur, landschap, externe veiligheid en/of de volksgezondheid. Wanneer ter onderbouwing van een beroepsgrond over bijvoorbeeld het aspect geluid een rapport door een deskundige wordt opgesteld en de Afdeling komt na een inhoudelijke bespreking tot de slotsom dat die beroepsgrond niet slaagt, dan komen de kosten in verband met het geluidsrapport niet voor vergoeding in aanmerking. Ook niet in het geval het bestreden besluit om andere redenen voor vernietiging in aanmerking komt, bijvoorbeeld vanwege een ambtshalve te toetsen aspect of vanwege een andere beroepsgrond over een ander aspect van het bestreden besluit, bijvoorbeeld over geurhinder, en die beroepsgrond wel slaagt.

34.3. In deze zaak zijn door Stichting Dorpsraad kosten gemaakt voor het laten opstellen van rapporten door dr. Hasper. Die rapporten gaan over de beroepsgronden die zien op het aspect geluid. Uit overwegingen 18 tot en met 27 volgt dat deze beroepsgronden niet slagen. De beroepsgrond die wel slaagt en die aanleiding is voor de proceskostenveroordeling ziet op het aspect stikstof. Nu deze beroepsgrond geen verband houdt met de deskundigenrapporten van Hasper, oordeelt de Afdeling dat de kosten van het inschakelen van Hasper als deskundige niet voor vergoeding in aanmerking komen.

34.4. Over het verzoek van Stichting Dorpsraad voor vergoeding van proceskosten vanwege door een rechtshulpverlener verleende rechtsbijstand, merkt de Afdeling het volgende op. Van beroepsmatige verleende rechtsbijstand is sprake, indien de proceshandelingen worden uitgevoerd door een rechtshulpverlener. De kosten van advies bij het opstellen van een op eigen titel ingediend beroepschrift voldoen niet aan dit uitgangspunt. De Afdeling stelt vast dat uit de door Stichting Dorpsraad en anderen overgelegde stukken niet blijkt van proceshandelingen die zijn uitgevoerd door een rechtshulpverlener. Stichting Dorpsraad heeft zich ter zitting ook niet doen vertegenwoordigen door een rechtshulpverlener. Daarom wordt het verzoek in zoverre niet ingewilligd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van Stichting Landhuis en Stichting Milieuherstel ongegrond;

II. verklaart het beroep van Stichting Dorpsraad voor zover ingesteld tegen het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vaststelling van het rijksinpassingsplan "Net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha)" van onderscheidenlijk 14 april 2019 en 24 april 2019, het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot verlening van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming van 11 april 2019, met kenmerk DGNVLG / 19087688, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk van 7 mei 2019 voor het bouwen en oprichten van een 220/380 kV transformatorstation op het perceel Tussenwijkweg 2 in Wijk aan Zee, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de minister van Economische Zaken en Klimaat en de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties tot vaststelling van het rijksinpassingsplan "Net op zee Hollandse Kust (noord) en Hollandse Kust (west Alpha)" van onderscheidenlijk 14 april 2019 en 24 april 2019, het besluit van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot verlening van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming van 11 april 2019, met kenmerk DGNVLG / 19087688, en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk van 7 mei 2019 voor het bouwen en oprichten van een 220/380 kV transformatorstation op het perceel Tussenwijkweg 2 in Wijk aan Zee;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van deze besluiten geheel in stand blijven;

V. veroordeelt de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk gezamenlijk tot vergoeding van bij Stichting Dorpsraad in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 28,41 (zegge: achtentwintig euro en eenenveertig cent);

VI. gelast dat de minister van Economische Zaken en Klimaat, de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Beverwijk gezamenlijk aan Stichting Dorpsraad het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) vergoeden.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. F.D. van Heijningen, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2020

191-927.

Bijlage

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 3:11

1. Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage. […]

Elektriciteitswet 1998

Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat; […]

Artikel 20a

1. De procedure bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van de Wet ruimtelijke ordening, is van toepassing op een uitbreiding van het landelijk hoogspanningsnet voor zover het betreft:

a. de van dat net deel uitmakende netten bestemd voor het transport van elektriciteit op een spanningsniveau van 220 kV of hoger en die als zodanig worden bedreven met inbegrip van de aansluitingen op die netten, […]

Artikel 20b

1. Onze Minister is de aangewezen minister, bedoeld in artikel 3.35, tweede en derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. […]

Artikel 20ca

De artikelen 20a tot en met 20c zijn van overeenkomstige toepassing op de aanleg of uitbreiding van het net op zee met dien verstande dat Onze Minister geen inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 van de Wet ruimtelijke ordening vaststelt voor het gebied gelegen aan de zeezijde van gemeentegrenzen of provinciale grenzen.

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 1.1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. Onze Minister: Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer; […]

Artikel 3.35

1. Bij wet of een besluit van Onze Minister of een Onzer andere Ministers, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, kan worden bepaald dat de verwezenlijking van een onderdeel van het nationaal ruimtelijk beleid wenselijk maakt dat:

[…]

c. een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 dan wel een wijziging of uitwerking van een inpassingsplan, wordt vastgesteld of een omgevingsvergunning wordt verleend waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, en de voorbereiding en bekendmaking daarvan wordt gecoördineerd met de voorbereiding en bekendmaking van besluiten als bedoeld onder b.

2. In een wet of besluit als bedoeld in de aanhef van het eerste lid strekkende tot toepassing van dat lid, onder a of c, wordt de Minister aangewezen die, in afwijking van artikel 3.28, tweede lid, in de plaats treedt van burgemeester en wethouders en gezamenlijk met Onze Minister in de plaats treedt van de gemeenteraad.

3. In een wet of besluit als bedoeld in de aanhef van het eerste lid strekkende tot toepassing van dat lid, onder b of c, wordt de Minister aangewezen die eerstverantwoordelijk is voor de gecoördineerde voorbereiding en bekendmaking. […]

Wet natuurbescherming zoals deze luidde ten tijde van de vaststelling van het RIP onderscheidenlijk het verlenen van de Wnb-vergunning

Artikel 2.7

1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid.

2. Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.

[…]

Artikel 2.8

1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

[…]

3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

[…]

Besluit van 26 oktober 2017 nr. 2017001806, houdende departementale herindeling met betrekking tot de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening, de Omgevingswet en het Kadaster

Artikel 1

Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties wordt belast met de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van de ruimtelijke ontwikkeling, ruimtelijke ordening met inbegrip van onder meer de Wet ruimtelijke ordening en de Crisis- en herstelwet, de Omgevingswet, het Kadaster en de Kadasterwet, voor zover deze voor 26 oktober 2017 was opgedragen aan Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.

Planregels

Artikel 3, lid 3.1

De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een hoogspanningsstation, zijnde een geluidszoneringsplichtige inrichting, met de daarbij behorende voorzieningen;

b. voorzieningen ten behoeve van een duurzame aansluiting op een hoogspanningsnet;

c. voorzieningen ten dienste van het beheer en de besturing van offshore windparken;

d. (hoogspannings)kabels en leidingen, railsystemen en bijbehorende (aansluit)voorzieningen; […]

Artikel 3, lid 3.2

Op deze gronden mag worden gebouwd en geldt dat de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten hoogste 30 meter bedraagt.

Artikel 9, lid 9.1

Onder een gebruik strijdig met de bestemming wordt in ieder geval verstaan:

[…]

b. het niet voorzien in de landschappelijke inpassing van het hoogspanningsstation en daarbij behorende voorzieningen als bedoeld in artikel 3 conform het als bijlage 1 bij dit plan opgenomen Landschaps- en compensatieplan, binnen 5 jaar na de aanleg van het hoogspanningsstation en de bijbehorende voorzieningen als bedoeld in artikel 3.