Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1223

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2020
Datum publicatie
13-05-2020
Zaaknummer
201905520/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 maart 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoorn [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast om het in strijd met het bestemmingsplan (laten) bewonen van de woning op het perceel [locatie 1] in Hoorn te beëindigen en beëindigd te houden. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaar van de woning op het perceel. Ten tijde van belang was F.A.S.T. Goed B.V. huurder van de woning, die de woning aan arbeidsmigranten onderverhuurde. Blijkens het rapport "Controle Huisvesting arbeidsmigranten/Kamergewijze verhuur" van 21 februari 2018 is op 20 februari 2018 door medewerkers van de gemeente geconstateerd dat er in de woning acht Poolse arbeidsmigranten wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905520/1/R1.

Datum uitspraak: 13 mei 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2019 in zaak nr. 18/3613 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn.

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 maart 2018 heeft het college [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast om het in strijd met het bestemmingsplan (laten) bewonen van de woning op het perceel [locatie 1] in Hoorn (hierna: het perceel) te beëindigen en beëindigd te houden.

Bij besluit van 25 juli 2018 heeft het college de door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard en de besluiten van 26 maart 2018 in stand gelaten.

Bij uitspraak van 7 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2020, waar het college, vertegenwoordigd door mr. S.E.J.M. Bogaarts, is verschenen.

Overwegingen

Procesbelang

1.    Bij besluit van 8 april 2019 heeft het college de aan [appellant A] en [appellant B] opgelegde lasten onder dwangsom ingetrokken. [appellant A] en [appellant B] hebben tijdens de bezwaarprocedure om vergoeding van de door hen gemaakte kosten in bezwaar verzocht en dit verzoek in beroep bij de rechtbank en in hoger beroep bij de Afdeling herhaald, zodat aan die kosten procesbelang in hoger beroep kan worden ontleend.

Inleiding

2.    [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaar van de woning op het perceel. Ten tijde van belang was F.A.S.T. Goed B.V. huurder van de woning, die de woning aan arbeidsmigranten onderverhuurde. Blijkens het rapport "Controle Huisvesting arbeidsmigranten/Kamergewijze verhuur" van 21 februari 2018 is op 20 februari 2018 door medewerkers van de gemeente geconstateerd dat er in de woning acht Poolse arbeidsmigranten wonen.

    Op 27 februari 2018 is aan [appellant A] en [appellant B] een vooraankondiging van een last onder dwangsom verstuurd. Hierin heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het door acht personen laten gebruiken van de woning die niet tezamen één huishouden vormen in strijd is met de op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kersenboogerd" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemming "Wonen". Ook is hierin vermeld dat op 22 augustus 2017 de "Beleidsnotitie Huisvesting arbeidsmigranten in woningen" (hierna: de beleidsnotitie) in werking is getreden, waarin is vastgelegd in welke situaties en onder welke voorwaarden het college een omgevingsvergunning kan verlenen voor het huisvesten van arbeidsmigranten in een reguliere woning en dat binnen de gestelde kaders van de beleidsnotitie tijdelijk voor een periode van vijf jaar omgevingsvergunning zou kunnen worden aangevraagd om maximaal vier individuele personen (arbeidsmigranten) niet in de vorm van één gezamenlijk huishouden te huisvesten.

    Op 5 maart 2018 heeft [appellant A] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het tijdelijk huisvesten van maximaal vier personen in de woning op het perceel.

    Het college heeft met de besluiten van 26 maart 2018 onder oplegging van een dwangsom gelast het (laten) bewonen van de woning uiterlijk op 20 juni 2018 te beëindigen en beëindigd te houden. Dit kunnen [appellant A] en [appellant B] volgens het college onder meer doen door de huurovereenkomst met personen of partijen die de woning zonder of in afwijking van het bestemmingsplan gebruiken of laten gebruiken op te zeggen en ervoor te zorgen dat de bewoners de woning verlaten. Het college heeft aan de lasten overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) ten grondslag gelegd.

    Op 29 mei 2018 is aan [appellant A] van rechtswege een omgevingsvergunning verleend voor het huisvesten van vier personen die niet tezamen één huishouden vormen voor de periode van vijf jaar.

    Bij besluit van 25 juli 2018 heeft het college de besluiten van 26 maart 2018 gehandhaafd.

    Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht geconcludeerd dat ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 acht personen in de woning verbleven die niet tezamen één huishouden vormden, zodat sprake was van gebruiken in strijd met het bestemmingsplan en daarmee van overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan het college van handhavend optreden had moeten afzien.

Overtreding

3.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 dan wel in ieder geval voor het nemen van het besluit op bezwaar van 25 juli 2018 geen sprake meer was van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

    Zij stellen dat het college bij de vaststelling van deze overtreding niet heeft kunnen volstaan met de constatering dat de acht op 20 februari 2018 in de woning aangetroffen personen ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 volgens de Basisregistratie personen (hierna: de Brp) op het adres stonden ingeschreven. Zij voeren aan dat zij in hun zienswijze het college hebben laten weten dat zij in lijn met de in de vooraankondiging genoemde voorwaarden voor het aanvragen van een omgevingsvergunning, zoals neergelegd in de beleidsnotitie, het aantal arbeidsmigranten in de woning hebben teruggebracht naar vier. Tevens hebben zij toen een omgevingsvergunning aangevraagd voor het voor een periode van vijf jaar huisvesten van vier arbeidsmigranten in de woning. Het college heeft de acht op 20 februari 2018 in de woning verblijvende personen zelf ingeschreven in de Brp, terwijl het college weet dat het in- en uitschrijven van arbeidsmigranten in de Brp problematisch is. Omdat [appellant A] en [appellant B] de in de vooraankondiging genoemde stappen hebben genomen, valt hen niets te verwijten en had het college bij het nemen van de besluiten van 26 maart 2018 niet kunnen volstaan met een controle van het aantal op het adres van de woning ingeschrevenen in de Brp.

    Verder stellen [appellant A] en [appellant B] dat de overtreding van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo ten tijde van het besluit op bezwaar van 25 juli 2018 was opgeheven, omdat er op 29 mei 2018 van rechtswege een omgevingsvergunning is verleend voor de huisvesting van vier arbeidsmigranten in de woning op het perceel.

3.1.    Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen". Artikel 18, lid 18.1, van de planregels luidt, voor zover hier van belang:

"De voor "Wonen" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. woonhuizen […]."

    Artikel 18, lid 18.5, luidt, voor zover hier van belang:

"Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, […], wordt in ieder geval gerekend:

[…]

d. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning."

    In artikel 1, lid 73, is het begrip "woonhuis" als volgt gedefinieerd:

"een gebouw, dat één woning omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden."

    In artikel 1, lid 71, is het begrip "woning" als volgt gedefinieerd:

"een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijke huishouding."

3.2.    In de primaire besluiten van 26 maart 2018 is [appellant A] en [appellant B] onder oplegging van een last een dwangsom gelast om het in strijd met het bestemmingsplan (laten) bewonen van de woning op het perceel te beëindigen en beëindigd te houden. De last houdt in dat de huisvesting van personen in de woning niet is toegestaan, zolang zij niet één huishouden vormen.

    De Afdeling overweegt dat het op de weg van het college ligt om aannemelijk te maken dat [appellant A] en [appellant B] overtreder waren van artikel 18 van de planregels, gelezen in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo en de daartoe vereiste feiten te stellen. Het is vervolgens aan [appellant A] en [appellant B] om die feiten, indien daartoe aanleiding bestond, te weerleggen of nader te verklaren, bij gebreke waarvan de rechter in beginsel van de juistheid van de feiten, zoals het college die heeft vastgesteld, dient uit te gaan.

    Niet in geschil is dat er ten tijde van de controle op 20 februari 2018 acht arbeidsmigranten in de woning op het perceel verbleven en dat zij niet één huishouden vormen. Verder is niet in geschil dat de acht arbeidsmigranten volgens de Brp op 19 maart 2018 op het adres van de woning stonden ingeschreven. De inschrijving in de Brp levert in het algemeen reeds een aanwijzing op dat de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben op het adres waarop zij zijn ingeschreven. Weliswaar hebben [appellant A] en [appellant B] in de zienswijze van 13 maart 2018 aan het college laten weten dat er nog maar vier arbeidsmigranten in de woning verbleven, maar dit betekent gezien de inschrijving in de Brp niet dat het college er ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 niet vanuit mocht gaan dat acht personen hun hoofdverblijf hadden in de woning. [appellant A] en [appellant B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de desbetreffende arbeidsmigranten inmiddels elders hun hoofdverblijf hadden. De door hen overgelegde huurovereenkomst van 2 april 2018, waarin staat dat de woning door maximaal vier personen mag worden gebruikt, en foto’s van de woning waarop vier éénpersoonsbedden te zien zijn, zijn daarvoor onvoldoende. Daarbij komt dat de betreffende huurovereenkomst dateert van na de besluiten van 26 maart 2018. Bovendien heeft de rechtbank terecht overwogen dat ook de huisvesting van vier arbeidsmigranten in strijd is met het bestemmingsplan, omdat zij niet tezamen één huishouden vormen. Het college heeft onder deze omstandigheden voldoende aannemelijk gemaakt dat de acht arbeidsmigranten hun hoofdverblijf hadden in de woning op het perceel.

    De omstandigheid dat op 29 mei 2018 van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor de huisvesting van vier arbeidsmigranten in de woning op het perceel, maakt niet dat het college ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 25 juli 2018 niet meer bevoegd was handhavend op te treden. Deze vergunning ziet op de huisvesting van vier arbeidsmigranten, terwijl er volgens de Brp acht arbeidsmigranten in de woning stonden ingeschreven.

    Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de woning zonder een daartoe vereiste omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan wordt gebruikt, zodat artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt overtreden. Het college was derhalve bevoegd ter zake handhavend op te treden.

    Het betoog faalt in zoverre.

3.3.    Voor zover [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij het besluit op bezwaar van 25 juli 2018 de lasten onder dwangsom van 26 maart 2018 niet in stand kon laten, omdat er op 29 mei 2018 van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor de huisvesting van vier arbeidsmigranten in de woning op het perceel en de lasten onder dwangsom van 26 maart 2018 daarom, zo begrijpt de Afdeling [appellant A] en [appellant B], te verstrekkend zijn, slaagt dit betoog.

    Vast staat en niet in geschil is dat er op 29 mei 2018 hangende de bij de dwangsombesluiten gestelde begunstigingstermijn van rechtswege een omgevingsvergunning is gegeven voor de huisvesting van vier arbeidsmigranten die niet tezamen één huishouding vormen, voor de duur van vijf jaar in de woning op het perceel. De lasten onder dwangsom van 26 maart 2018 houden in dat de huisvesting van personen in de woning niet is toegestaan, zolang zij niet één huishouden vormen. Door de omgevingsvergunning van 29 mei 2018 is de huisvesting van vier personen, die niet één huishouden vormen, echter toegestaan. Dit betekent dat de lasten onder dwangsom ten tijde van het besluit op bezwaar van 25 juli 2018 te verstrekkend zijn. De Afdeling is van oordeel dat het college de omstandigheid dat de huisvesting van vier arbeidsmigranten inmiddels vergund was bij de heroverweging had dienen te betrekken en dat dit had moeten leiden tot herroeping van de besluiten van 26 maart 2018 vanaf 29 mei 2018, voor zover is gelast de huisvesting van arbeidsmigranten in het geheel te beëindigen en beëindigd te houden. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.    Gelet op het algemeen belang dat is gediend met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

Concreet zicht op legalisatie

5.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte en ongemotiveerd heeft geoordeeld dat ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 geen concreet zicht op legalisatie bestond. Daartoe voeren zij aan dat zij op 5 maart 2018 een aanvraag om een omgevingsvergunning hadden ingediend.

5.1.    In hetgeen [appellant A] en [appellant B] hebben aangevoerd, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat concreet zicht op legalisatie bestaat. In de vooraankondiging van 27 februari 2018 zijn [appellant A] en [appellant B] er op gewezen dat één van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de afwijkingsvergunning is dat in of bij de directe omgeving voldoende parkeergelegenheid aanwezig is. In de bijlagen bij de aanvraag van 5 maart 2018 is weliswaar een document genaamd "parkeergelegenheid" vermeld, maar het college heeft ter zitting van de Afdeling toegelicht dat het niet over dit document beschikte. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 daarom feitelijke informatie ontbrak om te kunnen beoordelen of aan de parkeernorm werd voldaan en of de gevraagde vergunning verleend of geweigerd diende te worden. Op 20 april 2018 zijn de benodigde gegevens ontvangen, zodat de aanvraag ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 niet compleet was. Bovendien heeft de aanvraag betrekking op de huisvesting van maximaal vier arbeidsmigranten, terwijl er in de woning in strijd met het bestemmingsplan acht arbeidsmigranten verbleven. Dit betekent dat ook een complete aanvraag in dit geval niet tot legalisatie van de overtreding zou hebben geleid.

    Het betoog faalt.

Onevenredigheid

6.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen omstandigheden zijn op grond waarvan handhaving in dit geval onevenredig is. Zij hebben maatregelen genomen om herhaling van de overtreding te voorkomen. Zij wijzen op de huurovereenkomst van 2 april 2018 met Fayno B.V., de huidige huurder van de woning, waarin is opgenomen dat er maximaal vier arbeidsmigranten mogen worden gehuisvest in de woning. Verder wijzen zij erop dat [persoon], die in opdracht van [appellant A] en [appellant B] werkt, is aangesteld om tweewekelijks en onpartijdig controles uit te voeren op naleving van het in de huurovereenkomst neergelegde verbod.

6.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet gezegd kan worden dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. Dat [appellant A] en [appellant B] maatregelen hebben genomen om herhaling te voorkomen is onvoldoende voor het oordeel dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is.

    Het betoog faalt.

Vertrouwensbeginsel

7.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Zij voeren aan dat het college in de vooraankondiging van 27 februari 2018 heeft aangegeven dat er een vergunning kan worden verkregen voor de huisvesting van vier arbeidsmigranten en dat zij de in de vooraankondiging genoemde stappen hebben genomen. Gelet hierop mochten zij erop vertrouwen dat handhaving van de baan was, aldus [appellant A] en [appellant B].

7.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.

7.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het beroep van [appellant A] en [appellant B] op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. De rechtbank heeft terecht in aanmerking genomen dat uit de vooraankondiging van 27 februari 2018 niet kan worden afgeleid dat het college niet tot handhavend optreden zou overgaan ten aanzien van de acht aangetroffen arbeidsmigranten. In de vooraankondiging worden [appellant A] en [appellant B] er slechts op gewezen dat er een mogelijkheid is om een omgevingsvergunning aan te vragen voor de tijdelijke huisvesting voor de duur van vijf jaar van vier arbeidsmigranten, mits aan de voorwaarden van de beleidsnotitie wordt voldaan.

    Het betoog faalt.

Gelijkheidsbeginsel

8.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er niet is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Zij voeren aan dat het college in andere gevallen wel fysieke controles uitvoert en niet slechts op basis van een controle van de Brp tot handhaving overgaat. Zij wijzen op de adressen [locatie 2] in Zwaag, [locatie 3] in Hoorn en [locatie 4] in Zwaag, allen gelegen in de gemeente Hoorn.

8.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat van ongelijke behandeling van dezelfde gevallen geen sprake is. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Het college heeft toegelicht dat in het geval van [locatie 3] naar aanleiding van een controle op 11 december 2018 op 20 december 2018 een vooraankondiging van een last onder dwangsom is verzonden. Vervolgens is er geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van het indienen van een zienswijze, waarna het college op 25 maart 2019 een last onder dwangsom heeft opgelegd. Pas daarna, en nadat een vergunning is verleend, heeft een fysieke hercontrole plaatsgevonden. Ten aanzien van [locatie 2] heeft het college toegelicht dat de controle, het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom en de vergunning elkaar hebben gekruist. Bij [locatie 4] is na een voornemen ook een last onder dwangsom opgelegd waarbij net als in het geval van [locatie 1] is gerefereerd aan het aantal in de Brp ingeschreven personen. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze toelichting van het college te twijfelen.

    Het betoog faalt.

Samenvatting

9.    Het college mocht ervan uitgaan dat er ten tijde van de besluiten van 26 maart 2018 acht arbeidsmigranten in de woning verbleven. Dit is in strijd met het bestemmingsplan en artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. In de periode tussen deze besluiten en het besluit op bezwaar van 25 juli 2018 is er van rechtswege een vergunning verleend voor de huisvesting van vier arbeidsmigranten in de woning. Dit betekent dat het college in bezwaar de lasten onder dwangsom vanaf het moment van de van rechtswege gegeven vergunning had moeten aanpassen, omdat deze anders te verstrekkend zijn en had moeten bepalen dat het aantal arbeidsmigranten in de woning moet worden teruggebracht naar vier. Omdat de besluiten van 26 maart 2018 inmiddels zijn ingetrokken, heeft dit geen gevolgen voor [appellant A] en [appellant B]. Wel zal de Afdeling het college veroordelen in vergoeding van de door hen gemaakte proceskosten.

Slotoverwegingen

10.    Gelet op hetgeen onder 3.3 is overwogen, is het hoger beroep gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog gegrond verklaren en het besluit van 25 juli 2018 vernietigen, voor zover daarbij de in de besluiten van 26 maart 2018 opgenomen lasten onder dwangsom ook na 29 mei 2018 zijn gehandhaafd en voor zover daarbij niet is bepaald dat het aantal in de woning op het perceel verblijvende arbeidsmigranten dient te worden teruggebracht naar vier.

    Met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zal de Afdeling de besluiten van 26 maart 2018 herroepen vanaf 29 mei 2018 en voor zover de daarin opgenomen lasten onder dwangsom zien op het terugbrengen van het aantal arbeidsmigranten tot nul in plaats van tot vier, en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 25 juli 2018.

11.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 7 juni 2019 in zaak nr. 18/3613;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Hoorn van 25 juli 2018, kenmerk CB-3071, voor zover daarbij de besluiten van 26 maart 2018 ook na 29 mei 2018 in stand zijn gelaten en voor zover daarbij niet is bepaald dat het in de woning op het perceel [locatie 1] in Hoorn verblijvende aantal arbeidsmigranten moet worden teruggebracht naar vier;

V.    herroept de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Hoorn van 26 maart 2018, beiden met kenmerk 1552931, vanaf 29 mei 2018 en voor zover de daarin opgenomen lasten onder dwangsom zien op het terugbrengen van het aantal arbeidsmigranten tot nul in plaats van tot vier;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 25 juli 2018;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hoorn tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Hoorn tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

IX.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Hoorn aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2020

374-855.