Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1181

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
06-05-2020
Datum publicatie
06-05-2020
Zaaknummer
201906463/1/R2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:3800, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad een omgevingsvergunning verleend aan [belanghebbende] voor het maken van een uitweg ten behoeve van de [locatie] te Schijndel. [belanghebbende] heeft op 13 juni 2018 een aanvraag ingediend voor het aanleggen van een uitweg tussen de achterzijde van het perceel en de Van Beverwijkstraat. Dit maakt het voor [belanghebbende] mogelijk om vanuit zijn achtertuin de openbare weg, het doodlopende deel van de Van Beverwijkstraat, te bereiken zodat tuinafval vanuit de achtertuin kan worden afgevoerd en met een fiets van en naar de achtertuin kan worden gegaan. Om de gewenste situatie te realiseren moet in de bestaande schutting aan de achterzijde van het perceel een poort ter breedte van 1 m worden geplaatst. Om toegang tot de poort te verkrijgen moet een gedeelte van de gemeentelijke haag worden verwijderd zodat een L-vormige verharding met grasbetonstenen kan worden aangebracht die wordt afgebakend met een plantsoenhek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/273
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906463/1/R2.

Datum uitspraak: 6 mei 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Schijndel, gemeente Meierijstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 3 juli 2019 in zaak nr. 19/680 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Meierijstad.

Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2018 heeft het college een omgevingsvergunning verleend aan [belanghebbende] voor het maken van een uitweg ten behoeve van de [locatie] te Schijndel (hierna: het perceel).

Bij besluit van 23 januari 2019 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 18 september 2018 ingetrokken.

Bij uitspraak van 3 juli 2019 heeft de rechtbank het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft [appellant A] en [appellant B], vertegenwoordigd door mr. M.A. de Boer, rechtsbijstandverlener te Zoetermeer, en het college, vertegenwoordigd door A.P.W.M. Jans, telefonisch over de zaak gehoord op 1 april 2020.

Overwegingen

    Inleiding

1.    In verband met de uitbraak van het coronavirus kon in deze zaak een zitting in fysieke vorm bij de Afdeling niet plaatsvinden. Om die reden zijn partijen door middel van telehoren gehoord.

2.    [belanghebbende] heeft op 13 juni 2018 een aanvraag ingediend voor het aanleggen van een uitweg tussen de achterzijde van het perceel en de Van Beverwijkstraat. Dit maakt het voor [belanghebbende] mogelijk om vanuit zijn achtertuin de openbare weg, het doodlopende deel van de Van Beverwijkstraat, te bereiken zodat tuinafval vanuit de achtertuin kan worden afgevoerd en met een fiets van en naar de achtertuin kan worden gegaan. Om de gewenste situatie te realiseren moet in de bestaande schutting aan de achterzijde van het perceel een poort ter breedte van 1 m worden geplaatst. Daarnaast bevinden zich in de bestaande situatie aan de achterzijde van het perceel vier openbare parkeerplaatsen met daaromheen een gemeentelijke haag. Om toegang tot de poort te verkrijgen moet een gedeelte van de gemeentelijke haag worden verwijderd zodat een L-vormige verharding met grasbetonstenen kan worden aangebracht die wordt afgebakend met een plantsoenhek, door het college aangeduid als (buizen)hekwerk. Het plantsoenhek voorkomt dat toegang tot de poort mogelijk is over de vier openbare parkeerplaatsen.

    Bij besluit van 18 september 2018 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.2, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), verleend. Bij besluit van 23 januari 2019 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het besluit van 18 september 2018 "ingetrokken", omdat volgens het college geen sprake is van een uitweg, als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Meierijstad (hierna: de APV), maar van een pad, als bedoeld in het gemeentelijk beleid ‘Beleidsnotitie inritten en paden’ (hierna: de Beleidsnotitie), waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

Wettelijk kader

3.    Artikel 2.2, aanhef en onder e, van de Wabo luidt:

"Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning."

    Artikel 2.18 van de Wabo luidt:

"Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening."

    Artikel 2:12, eerste lid, van de APV luidt:

"Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg."

    Paragraaf 1.2 van de Beleidsnotitie luidt:

"Begrippenkader:

[…]

d) Inrit, constructie, bestemd voor het structureel ontsluiten van een perceel;

[…]

f) Pad, constructie, bestemd voor het incidenteel ontsluiten van een perceel; g) Gebruik, structureel, gebruik dat zich dagelijks kan herhalen, het regulier gebruik van een inrit voor het opstellen van een voertuig;

h) Gebruik, incidenteel, gebruik dat jaarlijks slechts enkele malen voorkomt, gebruik van een pad voor het stallen van een voertuig (niet zijnde een personenauto) of voor het uitvoeren van werkzaamheden op het ontsloten perceel;

[…]."

Hoger beroep

4.    [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte het plaatsen van een poort in de bestaande schutting en het aanbrengen van de L-vormige verharding met grasbetonstenen niet heeft aangemerkt als een uitweg als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, van de APV. Volgens [appellant A] en [appellant B] is het college er ten onrechte vanuit gegaan dat slechts sprake is van een uitweg wanneer sprake is van een doorgang voor een voertuig op meer dan twee wielen. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 14 mei 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD1486, is voor het bestaan van een uitweg bepalend dat het bestaan van de voorziening door de uiterlijke kenmerken daarvan voor de overige weggebruikers duidelijk kenbaar is, aldus [appellant A] en [appellant B]. Zij stellen dat met het plaatsen van een poort ter ontsluiting van het perceel een kenbare uitweg wordt gerealiseerd waarvoor een omgevingsvergunning is vereist. [appellant A] en [appellant B] verwijzen daartoe naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 juli 2017, ECLI:NL:RBNHO:2017:6300, waarin het plaatsen van een deur in een bestaande schutting omgevingsvergunningplichtig is geacht. Volgens [appellant A] en [appellant B] heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de feiten en omstandigheden niet hetzelfde zijn. Volgens [appellant A] en [appellant B] heeft de rechtbank verder ten onrechte de aanwezigheid van een plantsoenhek in haar oordeel betrokken, omdat er in de bestaande situatie nog geen plantsoenhek staat.

4.1.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat geen sprake is van een omgevingsvergunningplichtige uitweg, als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, van de APV. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

    De Beleidsnotitie is een uitleg van het in artikel 2:12 van de APV neergelegde wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Uit de Beleidsnotitie volgt dat onder een inrit hetzelfde wordt verstaan als een uitweg als bedoeld in artikel 2:12, eerste lid, van de APV. Daarnaast volgt uit de Beleidsnotitie dat een inrit vergunningplichtig is en een pad niet. In de in de Beleidsnotitie opgenomen definitie van een inrit staat niet dat het moet gaan om een doorgang voor een voertuig op meer dan twee wielen, maar dit volgt, zoals het college heeft toegelicht, wel uit de Beleidsnotitie in zijn geheel, met inbegrip van de daarin opgenomen voorbeelden. Het college heeft toegelicht dat het dit standpunt ook hanteert bij de uitvoering van de Beleidsnotitie.

    In dit geval wordt in de bestaande schutting een poort ter breedte van 1 m geplaatst waardoorheen tuinafval vanuit de achtertuin van [belanghebbende] kan worden afgevoerd en met een fiets van en naar de achtertuin kan worden gegaan. De poort ter breedte van 1 m kan niet worden gebruikt om toegang tot het perceel te verlenen aan een voertuig op meer dan twee wielen. Dit betekent dat geen sprake is van een vergunningplichtige inrit als bedoeld in de Beleidsnotitie waarin een uitleg is gegeven aan het begrip uitweg in artikel 2:12, eerste lid, van de APV. De constructie van de poort in de bestaande schutting en de L-vormige verharding met grasbetonstenen die wordt afgebakend met een plantsoenhek, kan wel een pad als bedoeld in de Beleidsnotitie zijn, maar daarvoor is geen omgevingsvergunning vereist. Daarbij overweegt de Afdeling, zoals zij ook heeft overwogen in de uitspraak van 22 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1112, dat bij een uitweg het in de regel gaat om een aansluiting voor rijdend wegverkeer vanaf een particulier erf op de openbare weg. Nu het hier slechts gaat om een poort ter breedte van 1 m in een bestaande schutting en een L-vormige verharding met grasbetonstenen voor het doorlaten van personen, al dan niet met bijvoorbeeld een fiets of tuinafval aan de hand, is van een uitweg geen sprake.

    De door [appellant A] en [appellant B] gemaakte vergelijking met de hierboven vermelde uitspraak van 27 juli 2017 gaat niet op, omdat, zoals het college heeft toegelicht, onder het begrip uitweg als bedoeld in het in die zaak geldende beleid niet hetzelfde werd verstaan als een uitweg als bedoeld in de Beleidsnotitie. Dat de rechtbank er vanuit is gegaan dat het plantsoenhek er al stond, leidt, anders dan [appellant A] en [appellant B] stellen, niet tot een ander oordeel. Het plaatsen van een plantsoenhek is in de privaatrechtelijke toestemming van de gemeente aan [belanghebbende] opgenomen als een van de voorwaarden voor het (gedeeltelijk) gebruiken van de groenstrook als pad. Hoewel het plantsoenhek ten tijde van de aangevallen uitspraak nog niet was geplaatst, dient deze wel degelijk te zijn gerealiseerd op het moment dat [belanghebbende] de groenstrook als pad in gebruik neemt.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. Schueler, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 6 mei 2020

531-955.