Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1169

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
201905054/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2019:4203, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 november 2017 heeft de raad de raad van de gemeente Bergen (Noord-Holland) het Alexanderlaantje onttrokken aan het openbaar verkeer. Het Alexanderlaantje vormt een verbinding tussen het Plein en de Karel de Grotelaan in Bergen. De grond is eigendom van [belanghebbende]. [partij] is eigenaresse van een appartementenhotel op het adres [locatie], in de buurt van het Alexanderlaantje. Het Alexanderlaantje is toegankelijk voor voetgangers en fietsers en wordt gebruikt voor het laden en lossen ten behoeve van de aangrenzende supermarkt. Doordat vrachtwagens voor het laden en lossen over het Alexanderlaantje rijden, is er volgens de raad sprake van een onveilige situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905054/1/A3.

Datum uitspraak: 29 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 20 mei 2019 in zaak nr. 18/3561 in het geding tussen:

[partij]

en

de raad van de gemeente Bergen (Noord-Holland).

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2017 heeft de raad het Alexanderlaantje onttrokken aan het openbaar verkeer.

Bij besluit van 5 juli 2018 heeft de raad het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard onder verbetering en aanvulling van de motivering van dat besluit.

Bij uitspraak van 20 mei 2019 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [partij] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [belanghebbende] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[partij] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 maart 2020, waar [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.F. de Groot, advocaat te Amsterdam, en mr. drs. R. Fa-Si-Oen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. O.H. Minjon, advocaat te Hoorn, gehoord.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het Alexanderlaantje vormt een verbinding tussen het Plein en de Karel de Grotelaan in Bergen. De grond is eigendom van [belanghebbende]. [partij] is eigenaresse van een appartementenhotel op het adres [locatie], in de buurt van het Alexanderlaantje. Het Alexanderlaantje is toegankelijk voor voetgangers en fietsers en wordt gebruikt voor het laden en lossen ten behoeve van de aangrenzende supermarkt. Doordat vrachtwagens voor het laden en lossen over het Alexanderlaantje rijden, is er volgens de raad sprake van een onveilige situatie. Daarnaast zijn er plannen om de Harmonielocatie, waar het Alexanderlaantje ligt, anders in te richten. Op de locatie van het Alexanderlaantje heeft de gemeente plannen voor een inpandige laad- en losruimte voor de supermarkt. De plannen zijn vastgelegd in een nieuw bestemmingsplan, genaamd "De Zeven Dorpelingen". De raad heeft vanwege deze redenen het Alexanderlaantje aan het openbaar verkeer onttrokken. De onttrekking zal worden uitgevoerd op het moment dat het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de raad terecht de bezwaarprocedure heeft gevolgd, een juiste en volledige belangenafweging heeft gemaakt en niet in strijd heeft gehandeld met algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De omloopafstand voor gasten van het appartementenhotel van [partij] naar het dorpsplein is niet onevenredig, gelet op de verbeterde veiligheidssituatie. De uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1105, waarin het besluit van de raad tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Zeven Dorpelingen" is vernietigd, heeft niet tot gevolg dat de onttrekking niet meer uitgevoerd zal worden, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Procedure

3.    [partij] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moest worden gevolgd. Dit moet namelijk volgens haar wel gebeuren als er is verzocht om een weg aan de openbaarheid te onttrekken. [belanghebbende] heeft zowel de raad als het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) verzocht om het Alexanderlaantje aan de openbaarheid te onttrekken. Ze heeft het verzoek aan de raad ingetrokken, maar niet het verzoek aan het college. Het college heeft in strijd met artikel 12 van de Wegenwet gehandeld. De rechtbank had het college ook als belanghebbende moeten aanmerken, aldus [partij].

3.1.        Artikel 9, eerste lid, van de Wegenwet luidt: "Een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde, kan aan het openbaar verkeer worden onttrokken bij een besluit van den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen."

    Artikel 11 luidt:

"1. Ieder belanghebbende bij een weg, niet behoorende tot de in artikel 8 bedoelde, heeft het recht aan den raad der gemeente, waarin de weg is gelegen ten opzichte van dien weg toepassing van artikel 9 te verzoeken.

2. Op de voorbereiding van de beslissing op het verzoek is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

3. Weigert de raad aan het verzoek te voldoen, dan staat aan den verzoeker beroep op Gedeputeerde Staten open."

    Artikel 12 luidt: "Een afschrift van een uitspraak in beroep waarbij een weg aan het openbaar verkeer wordt onttrokken wordt door Burgemeester en Wethouders van de gemeente waarin de weg is gelegen gedurende tenminste twee weken voor een ieder ter gemeentesecretarie ter inzage gelegd, nadat van die terinzagelegging vooraf op de in die gemeente gebruikelijke wijze mededeling is gedaan."

3.2.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 21 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:803, heeft geoordeeld, moet de uitgebreide voorbereidingsprocedure worden gevolgd indien een verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 11 van de Wegenwet. In artikel 11, eerste lid, van de Wegenwet is bepaald dat een verzoek bij de raad kan worden gedaan. [belanghebbende] had de raad verzocht om onttrekking van het Alexanderlaantje aan het openbaar verkeer, maar dit verzoek heeft zij op 24 augustus 2017 ingetrokken. De raad heeft dit bevestigd bij brief van 25 augustus 2017. De omstandigheid dat [belanghebbende] als opdrachtgever staat vermeld op een gewijzigde plattegrond van de onttrekking van het Alexanderlaantje die als vergaderstuk was gevoegd bij de vergadering van de gemeenteraad van 5 juli 2018, maakt het voorgaande niet anders. Dat niet zou zijn gebleken dat [belanghebbende], zoals [partij] stelt, het verzoek aan het college om een ontwerpbesluit vast te stellen heeft ingetrokken, is niet van belang, omdat het college niet wordt genoemd in artikel 11, eerste lid, van de Wegenwet. Als het besluit door de raad ambtshalve wordt genomen, op grond van artikel 9 van de Wegenwet, dient de bezwaarprocedure te worden gevolgd, tenzij de raad bij besluit heeft bepaald dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is op de voorbereiding van het besluit om een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken. Dit laatste is in dit geval niet gebeurd. De raad heeft daarom terecht de bezwaarprocedure gevolgd.

    Artikel 12 is een vervolg op artikel 11, derde lid, van de Wegenwet. Tegen een besluit dat door de raad op een verzoek wordt genomen, staat administratief beroep open. Als het college van gedeputeerde staten het verzoek inwilligt, en dus een weg aan het openbaar verkeer dient te worden onttrokken, dan moet het college een afschrift van die uitspraak ter inzage leggen. Dat is hier niet aan de orde.

    Het college heeft zich niet gemengd in het geding en er is geen reden om aan te nemen dat het college dit wel had gewild en ten onrechte niet daartoe door de rechtbank in de gelegenheid zou zijn gesteld.

3.3.    Het betoog faalt.

Belangenafweging

4.    [partij] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de raad een onjuiste en onvolledige belangenafweging heeft gemaakt, omdat er geen nut en noodzaak bestaat voor het onttrekken van het Alexanderlaantje aan het openbaar verkeer. Het nut van het Alexanderlaantje is door de raad onvoldoende meegewogen. Het Alexanderlaantje wordt de hele dag, door een grote groep bewoners, gebruikt als route van en naar het dorpsplein en is veiliger dan de route die moet worden afgelegd als het Alexanderlaantje aan de openbaarheid wordt onttrokken. Er is ook geen noodzaak meer voor het onttrekken van het Alexanderlaantje aan het openbaar verkeer. Dat besluit is genomen om het bestemmingsplan "De Zeven Dorpelingen" te kunnen realiseren, maar het besluit van de raad waarin dit bestemmingsplan is vastgesteld, is door de Afdeling vernietigd. De onttrekking van het gehele Alexanderlaantje aan de openbaarheid is bovendien meer dan volgens de stedenbouwkundige contourenkaart, die als opmaat voor het bestemmingsplan "De Zeven Dorpelingen" gold, nodig zou zijn. De raad heeft ten slotte in het besluit geen rekening gehouden met de mogelijkheid van een bedrijfswoning in het appartementenhotel, aldus [partij].

4.1.    De beslissing om een weg aan het openbaar verkeer te onttrekken, behoort tot de bevoegdheid van de raad, die daarbij beleidsruimte heeft. De Afdeling toetst of de nadelige gevolgen van het besluit niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen en of de raad in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2008.

4.2.    Het Alexanderlaantje wordt ongeveer acht tot tien keer per dag gebruikt voor laden en lossen ten behoeve van de naastgelegen supermarkt. Daarbij rijden vrachtwagens achterwaarts het Alexanderlaantje in. De raad stelt zich op het standpunt dat de achterwaarts rijdende vrachtwagens een onveilige situatie creëren voor voetgangers en fietsers die gebruik maken van het Alexanderlaantje. Het is daarom veiliger als voetgangers en fietsers een alternatieve route afleggen. De verkeersintensiteit en rijsnelheid op de alternatieve routes zijn dermate gering dat de extra druk op die routes niet leidt tot een verkeersonveilige situatie, aldus de raad. De raad heeft zich in redelijkheid op dit standpunt kunnen stellen. [partij] heeft met de enkele stelling dat het Alexanderlaantje veilig is en de alternatieve routes onveilig zijn, niet aannemelijk gemaakt dat dit het geval is. De raad heeft het belang van de gasten die verblijven in het appartementenhotel van [partij], die door het besluit ongeveer 150 m extra moeten afleggen om bij het dorpsplein te komen, in redelijkheid minder zwaar kunnen laten wegen dan het belang van een veilige situatie voor voetgangers en fietsers.

    De onttrekking zal feitelijk pas plaatsvinden op het moment dat het bestemmingsplan "De Zeven Dorpelingen" onherroepelijk wordt. De Afdeling heeft het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan vernietigd, maar de raad kan alsnog besluiten het bestemmingsplan, met aanpassingen, vast te stellen. Hoewel [partij] heeft aangevoerd dat haar uit krantenartikelen is gebleken dat het bestemmingsplan niet meer zal worden vastgesteld, heeft de raad ter zitting toegelicht dat niet is uitgesloten dat een bestemmingsplan in een aangepaste vorm wordt vastgesteld. Gelet op de toelichting van de raad stelt de Afdeling vast dat het nog mogelijk is dat het bestemmingsplan, met aanpassingen, zal worden vastgesteld en het besluit tot het onttrekken van het Alexanderlaantje zal worden uitgevoerd. Het belang bij het onttrekken van het Alexanderlaantje aan het openbaar verkeer is daarom met de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2019 niet komen te vervallen.

    De Afdeling begrijpt het betoog van [partij] met betrekking tot de stedenbouwkundige contourenkaart als volgt. Zij stelt dat het bestemmingsplan "De Zeven Dorpelingen" de grenzen van deze kaart overschrijdt en omdat het besluit tot het onttrekken van het Alexanderlaantje aan het openbaar verkeer is gekoppeld aan het bestemmingsplan, een te groot gebied is onttrokken aan het openbaar verkeer. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, kan de verhouding tussen de stedenbouwkundige contourenkaart en het bestemmingsplan in deze procedure geen rol spelen.

    Met betrekking tot de mogelijkheid van een bedrijfswoning in het appartementenhotel van [partij] is gesteld noch gebleken dat deze door de onttrekking van het Alexanderlaantje aan het openbaar verkeer niet kan worden gerealiseerd.

    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de raad in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

4.3.    Het betoog faalt.

Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur

5.    Verder betoogt [partij] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de raad haar belangen voldoende heeft meegewogen en geen onderzoek hoefde te doen naar alternatieve mogelijkheden. Het besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel, het motiveringsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van fair play en een goede ruimtelijke ordening, aldus [partij].

5.1.    Dit betoog in hoger beroep is een letterlijke herhaling van hetgeen zij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank heeft hierop  beslist en dit gemotiveerd weerlegd. [partij] heeft in haar hogerberoepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom deze weerlegging van de rechtbank in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop kan het aldus aangevoerde niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

5.2.    Het betoog faalt.

Slotsom

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020

280-851.