Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1159

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
201904045/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2019:2045, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. [appellant] is eigenaar van het pand op het perceel [locatie] te Nijmegen. Bij besluit van 19 juni 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de woning met één wooneenheid naar twee wooneenheden en het wijzigen van de winkelpui. Bij een inspectie in 2015 heeft het college geconstateerd dat de verbouwing van de winkel niet conform de verleende omgevingsvergunning is uitgevoerd. Het college heeft [appellant] aangeschreven de illegale situatie te beëindigen door binnen twaalf weken na verzending van het besluit van 2 augustus 2016 de illegale uitbreiding aan de linker(achter)zijde van het pand te verwijderen en verwijderd te houden en te herstellen in de situatie als weergegeven in de op 19 juni 2011 verleende omgevingsvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/243
Module Ruimtelijke ordening 2020/8357 met annotatie van M.G.O. De lange
JGROND 2020/118 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/118 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904045/1/A1.

Datum uitspraak: 29 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 mei 2019 in zaak nr. 18/95 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd.

Bij besluit van 29 november 2017 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft incidenteel hoger beroep ingediend.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 januari 2020, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.J. Bloemena, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] is eigenaar van het pand op het perceel [locatie] te Nijmegen. Bij besluit van 19 juni 2011 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen van de woning met één wooneenheid naar twee wooneenheden en het wijzigen van de winkelpui. Bij een inspectie in 2015 heeft het college geconstateerd dat de verbouwing van de winkel niet conform de verleende omgevingsvergunning is uitgevoerd. Het college heeft [appellant] aangeschreven de illegale situatie te beëindigen door binnen twaalf weken na verzending van het besluit van 2 augustus 2016 de illegale uitbreiding aan de linker(achter)zijde van het pand te verwijderen en verwijderd te houden en te herstellen in de situatie als weergegeven in de op 19 juni 2011 verleende omgevingsvergunning. De afwijkingen welke reeds op 28 april 2015 zijn geconstateerd dienen alsnog ongedaan te worden gemaakt en geheel conform de omgevingsvergunning te worden uitgevoerd. Volgens het besluit van 2 augustus 2016 gaat het om de volgende afwijkingen:

1. Indelingen van de plattegronden wijken af van de verleende omgevingsvergunning;

2. Er is sprake van een illegale aanbouw aan de achterzijde van het pand (de ruimte tussen de vergunde aanbouw en de tuinmuur van het achtergelegen perceel is dicht gebouwd);

3. Beglazing van de dakkapel is niet geluidwerend uitgevoerd conform de verleende omgevingsvergunning;

4. Er is een lichtstraat gerealiseerd vanuit het kantoor door het dak van de aanbouw. Deze lichtstraat dient brandwerend te worden uitgevoerd (Afdeling 2.13, artikel 2.106 Bouwbesluit 2003);

5. Ventilatievoorzieningen zijn niet conform de verleende omgevingsvergunning uitgevoerd (Afdeling 3.10 van het Bouwbesluit 2003). Indien niet wordt voldaan aan de opgelegde last dan verbeurt [appellant] een dwangsom van € 15.000,00 ineens.

2.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De lichtstraat en ventilatievoorziening

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een overtreding van het Bouwbesluit 2003. Volgens [appellant] heeft hij op andere wijze voldaan aan de eisen die worden gesteld aan luchtverversing uit het Bouwbesluit 2003 en kan geen brandoverslag of branddoorslag plaatsvinden via de lichtstraat omdat sprake is van een plat dak zonder verdieping.

    [appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de last is opgelegd in strijd met de artikelen 5:32 en 5:32a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) omdat in het besluit geen herstelmaatregel is opgenomen voor de ventilatievoorziening en de gerealiseerde lichtstraat. Volgens [appellant] is voor hem niet duidelijk op welke wijze hij de geconstateerde overtredingen ongedaan kan maken. Het college heeft volgens hem alleen gesteld dat de lichtstraat niet brandwerend is gerealiseerd en dat om die reden branddoorslag of brandoverslag kan plaatsvinden. In de last staat niet in welk wetsartikel is voorgeschreven dat een lichtstraat op een plat dak moet voldoen aan de brandwerendheid, aldus [appellant].

3.1.    In het besluit van 2 augustus 2016 en het besluit op bezwaar van 29 november 2017 staat dat de volgens NEN 6088 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van rook en van brand gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis niet lager mag zijn dan 60 minuten. Daarbij wordt gewezen op artikel 2.106 van het Bouwbesluit 2003. Het betoog van [appellant] dat voor hem onduidelijk is op grond van welk artikel wordt opgetreden tegen de door hem gerealiseerde lichtstraat mist gelet op de voormelde toelichting in het besluit op bezwaar feitelijke grondslag. De gerealiseerde lichtstraat voldoet niet aan deze eis. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat het college bevoegd is daartegen handhavend op te treden.

    Voor zover [appellant] stelt dat het college in de last onder dwangsom had moeten uiteenzetten op welke wijze deze overtreding ongedaan gemaakt kan worden faalt dit betoog, omdat nader is toegelicht door het college dat de lichtstraat brandwerend moet worden uitgevoerd. Daarnaast vermeldt zowel het primaire besluit als de beslissing op bezwaar dat het college optreedt tegen het bouwen in afwijking van de aan [appellant] verleende omgevingsvergunning. Dit betekent dat [appellant] ook kan voldoen aan de last door het bouwwerk overeenkomstig de aan hem verleende vergunning te realiseren.

3.2.    Verder is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, niet in geschil dat [appellant] de ventilatievoorzieningen niet heeft gerealiseerd zoals vergund bij het besluit van 19 juni 2011. Anders dan hij ter zitting van de Afdeling heeft gesteld is met het realiseren van een klapraam niet gebleken dat zou zijn voldaan aan de in het Bouwbesluit 2003 opgenomen eisen voor ventilatie. Gelet hierop is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het college ook bevoegd is handhavend op te treden tegen het in afwijking van de aan [appellant] verleende vergunning niet aanbrengen van ventilatievoorzieningen.

Uitbreiding van het pand aan de achterzijde

4.    [appellant] betoogt dat hij de woongelegenheden inderdaad anders heeft gerealiseerd dan is vergund, maar dit levert volgens hem geen overtreding op. Daarbij is volgens [appellant] van belang dat de draagconstructie door het aanbrengen van afscheidingsmuren niet is veranderd en dat de veranderingen om die reden op grond van artikel 3, tweede lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) omgevingsvergunningvrij zijn.

    Daarnaast betoogt [appellant] dat de uitbreiding aan de achterzijde van het pand in de vorm van een kantoor in 2012 is gerealiseerd zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is vereist. Dit is volgens hem het geval omdat artikel 3 van bijlage II van het Bor dit toen nog toestond. Daarnaast kan de berging volgens [appellant] omgevingsvergunningvrij worden gebouwd op grond van artikel 2 van bijlage II van het Bor. [appellant] betoogt dat het college ten onrechte het standpunt inneemt dat het maximaal toegestane aantal vierkante meters in het bestemmingsplan aan aan- en uitbouwen van 50 m2 buiten het bouwvlak wordt overschreden. De rechtbank heeft volgens [appellant] daarbij ten onrechte beoordeeld wat het achtererfgebied is, omdat in dit geval het begrip achtererfgebied bij het Bor, zoals dat luidde ten tijde van belang, geen rol speelt. [appellant] voert ook aan dat de start- en gereedmelding was ingediend bij het college, maar dat deze terecht is gekomen in de inspectiebak van een gepensioneerde werknemer van de gemeente. Sinds 2013 is een advocatenkantoor gevestigd in het pand dat is uitgebreid, zodat daaruit ook kan worden afgeleid dat de verbouwingen reeds voor mei 2013 zijn gerealiseerd.

    Het college betoogt dat de rechtbank het bebouwingsgebied bij de toepassing van het Bor zoals dat luidt na 1 november 2014 op onjuiste wijze heeft berekend. Volgens het college behoren de oorspronkelijke keuken en het toilet tot het hoofdgebouw. Om die reden kunnen deze niet in mindering komen van het bebouwingsgebied en is de overschrijding van het bebouwingsgebied 33 m2 in plaats van 12 m2.

4.1.    Ten tijde van de bouw van het bouwwerk was het bestemmingsplan "Nijmegen-Midden" van toepassing. Artikel 9.3.2, onder b, sub 2, van de planvoorschriften luidt: "het gezamenlijke grondoppervlak van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw mag ten hoogste 50% bedragen van de ingevolge het bepaalde onder 1. te bebouwen gronden achter de voorgevellijn van het hoofdgebouw, met een maximum van 50 m2."

4.2.    De rechtbank heeft overwogen dat het achtererfgebied een omvang heeft van 155 m2, waarbij de omvang van het hoofdgebouw is bepaald zonder de oorspronkelijke aanbouw met keuken en toilet (21 m2) en met de aanbouw aan de rechterzijkant (16 m2). Volgens de rechtbank bedraagt het bebouwingsgebied 150 m2 ( de actuele omvang van het hoofdgebouw 155 m2 en 91 m2 - 96 m2 van het oorspronkelijke hoofdgebouw met keuken en toilet). Volgens de rechtbank mag de oppervlakte aan al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in dat geval niet meer bedragen dan 60 m2 gelet op artikel 2, derde lid, onder f, van bijlage II van het Bor. De rechtbank komt vervolgens tot de conclusie dat het bebouwingsgebied met 12 m2 wordt overschreden en dat het bouwwerk niet omgevingsvergunningvrij kan worden opgericht.

    De rechtbank overweegt verder dat het beroep van [appellant] op het overgangsrecht van artikel 8, tweede lid, van bijlage II van het Bor door hem aannemelijk dient te worden gemaakt. Dit betekent dat [appellant] aannemelijk moet maken dat de bouw voor 1 november 2014 is aangevangen. Volgens de rechtbank is [appellant] daarin niet geslaagd. Bovendien overweegt de rechtbank ten overvloede dat het beroep op het overgangsrecht [appellant] niet kan baten omdat het bouwen van de aanbouw evenmin in overeenstemming is met het voor 1 november 2014 geldende artikel 2 van bijlage II van het Bor.

4.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het aan [appellant] is om zijn beroep op het overgangsrecht van artikel 8 van Bijlage II van het Bor aannemelijk te maken. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bouw van het bijgebouw reeds is gestart voorafgaand aan 1 november 2014. [appellant] heeft eerst in hoger beroep een aantal facturen van bouwmaterialen overgelegd, maar daaruit kan, zoals [appellant] ook heeft bevestigd ter zitting, niet worden afgeleid dat de bouw reeds is gestart voor 1 november 2014. Zo kan uit die facturen niet worden afgeleid dat deze materialen niet zijn  gebruikt bij andere panden. De enkele omstandigheid dat in het geplaatste glaswerk een datum staat uit 2012 maakt ook nog niet dat de bouw van de aanbouw reeds op dat moment zou zijn aangevangen. Ook de omstandigheid dat het advocatenkantoor in het pand was gevestigd voorafgaand aan de datum van 1 november 2014 is geen overtuigend bewijs, omdat de verbouwing aan de achterzijde ook op een later moment kan zijn gestart.

    Dit betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het Bor zoals dat luidt na 1 november 2014 van toepassing is. De Afdeling komt niet toe aan een bespreking van het betoog van [appellant] dat het bouwwerk onder het recht dat voor 1 november 2014 omgevingsvergunningvrij zou zijn.

4.4.    De Afdeling stelt aan de hand van een ter zitting met partijen besproken tekening vast dat als het recht zoals dat luidt na 1 november 2014 van toepassing is, er gelet op het aantal aanwezige vierkante meters bebouwing in het achtererfgebied geen sprake is van een omgevingsvergunningvrij bouwwerk. De rechtbank is daarom terecht tot de conclusie gekomen dat het aantal aanwezige vierkante meters in het bebouwingsgebied wordt overschreden.

4.5.    Het betoog van het college dat de rechtbank ten onrechte de oorspronkelijke keuken en het toilet met een oppervlakte van 21 m2 heeft afgetrokken van het bebouwingsgebied faalt. Daarbij is van belang dat een deel van de zonder omgevingsvergunning gerealiseerde aanbouw is gebouwd op een deel van het perceel waar het oorspronkelijke hoofdgebouw heeft gestaan. Dat deel van het perceel maakt geen onderdeel uit van het bebouwingsgebied, omdat het bebouwingsgebied gelet op artikel 1 van Bijlage II van het Bor niet bestaat uit grond onder het oorspronkelijke hoofdgebouw. De rechtbank heeft deze 21 m2 aan bijbehorende bouwwerken dan ook terecht afgetrokken van het totaal aan al dan niet met vergunning gerealiseerde aanwezige bijbehorende bouwwerken als bedoeld in artikel 2, derde lid, onder f, van Bijlage II van het Bor.     

4.6.    De rechtbank is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen terecht tot de conclusie gekomen dat het bouwwerk niet omgevingsvergunningvrij is gebouwd en dat het college in zoverre bevoegd is handhavend op te treden vanwege strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.

Toepassing artikel 6:22 van de Awb

5.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte een gebrek heeft gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Volgens [appellant] kan het ontbreken van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo als grondslag aan het besluit tot handhavend optreden niet worden gepasseerd met artikel 6:22.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder bij uitspraak van 27 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:921, heeft overwogen, is volgens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 6:22 van de Awb (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 14) niet de aard van het geschonden voorschrift beslissend voor de beantwoording van de vraag of een gebrek in een besluit kan worden gepasseerd, maar uitsluitend het antwoord op de vraag of door de schending iemand is benadeeld. Toepassing van artikel 6:22 van de Awb is mogelijk indien aannemelijk is dat de belanghebbende door het gebrek in het bestreden besluit niet is benadeeld. Een gebrek dat herstel behoeft, leent zich in beginsel niet voor toepassing van deze bepaling. In gevallen waarin van het bestuursorgaan een bepaalde actie is vereist om het gebrek weg te nemen, kan er immers niet zonder meer van worden uitgegaan dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Alleen indien evident is dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld, kan bij het bestaan van een dergelijk gebrek toepassing worden gegeven aan artikel 6:22 van de Awb.

5.2.    De Afdeling is van oordeel dat het geconstateerde gebrek in dit geval niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kon worden gepasseerd. In het besluit van 2 augustus 2016 wordt artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo niet genoemd en [appellant] is niet gelast deze overtreding ongedaan te maken. Dit gebrek dient in een nader te nemen besluit te worden hersteld, zodat aan het besluit de juiste grondslag voor het handhavend optreden ten grondslag kan worden gelegd. In dit geval doet zich niet de situatie voor dat evident is dat [appellant] niet is benadeeld door het gebrek.

    Het betoog slaagt.

6.    Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat ten onrechte geen te verbeuren bedrag is genoemd per overtreding. [appellant] stelt dat hij de dakkapel inmiddels geluidwerend heeft uitgevoerd maar dat toch een dwangsom zal worden verbeurd.

6.1.    Het college heeft handhavend opgetreden omdat [appellant] in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning van 19 juni 2011 een aantal wijzigingen aan het pand heeft aangebracht. De Afdeling stelt vast dat deze overtredingen alle samenhangen met het bouwen van één bijbehorend bouwwerk in afwijking van de aan [appellant] verleende vergunning. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het college in redelijkheid de hoogte van de dwangsom heeft kunnen vaststellen op het in de aanschrijving genoemde bedrag.

    Het betoog faalt.

Slot en conclusie

7.    Het hoger beroep van [appellant] is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 november 2017 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens het ontbreken van een juiste handhavingsgrondslag voor vernietiging in aanmerking. Het incidenteel hoger beroep van het college is ongegrond. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

8.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant] gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 mei 2019 in zaak nr. 18/95;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen van 29 november 2017, kenmerk JZ20/Z16.032796/ Z17.022956/ D170732927;

V.    verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen ongegrond;

VI.    bepaalt dat tegen het met inachtneming van deze uitspraak te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.074,00 (zegge: tweeduizend vierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Nijmegen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Vermeulen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 29 april 2020

700.

 

BIJLAGE

 

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 5:32

"1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is een last onder bestuursdwang op te leggen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2. Voor een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet."

Artikel 5:32a

"1. De last onder dwangsom omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2. Bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd."   

Bouwbesluit 2003

Artikel 2.106

"1. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ander brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van rook en van brand gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis is niet lager dan 60 minuten.

2. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien de volgens NEN 6090 bepaalde permanente vuurbelasting van het brandcompartiment niet groter is dan 500 MJ/m². Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis.

3. In afwijking van het eerste lid, kan worden volstaan met 30 minuten, indien:

a. het brandcompartiment en de besloten ruimte op hetzelfde perceel liggen, en

b. in een gebouw geen vloer van een verblijfsgebied hoger boven het meetniveau ligt dan de in tabel 2.103 aangegeven grenswaarde.

Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis.

4. In afwijking van het eerste lid, kan tussen een brandcompartiment en een besloten ruimte waardoor een brand- en rookvrije vluchtroute voert, worden volstaan met 30 minuten. Dit geldt niet voor de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag naar een veiligheidstrappenhuis.

5. Bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment van de gebruiksfunctie naar een brandcompartiment, een besloten ruimte waardoor een van brand en van rook gevrijwaarde vluchtroute voert, en een niet besloten veiligheidstrappenhuis van een gebouw op een aangrenzend perceel, wordt voor het gebouw op het aangrenzende perceel uitgegaan van een identiek doch spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. Deze spiegeling heeft plaats ten opzichte van het hart van de openbare weg, het openbaar water of het openbaar groen indien het perceel grenst aan die weg, dat water of dat groen.

6. De volgens NEN 6068 bepaalde weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een woonwagen naar een andere woonwagen is niet lager dan 30 minuten. Bij de bepaling van deze weerstand wordt uitgegaan van een identieke, doch spiegelsymmetrisch op een afstand van 5 m geplaatste woonwagen.

7. Het derde geldt niet voor een brandcompartiment bestemd voor de opslag van bij ministeriële regeling aangegeven brandbare, brandbevorderende of bij brand gevaar opleverende stoffen."

Besluit omgevingsrecht

Artikel 1 van bijlage II van het Bor

"1. In deze bijlage wordt verstaan onder:

achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

antennedrager: antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;

antenne-installatie: installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

bebouwingsgebied: achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

daknok: hoogste punt van een schuin dak;

dakvoet: laagste punt van een schuin dak;

erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden;

hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

huisvesting in verband met mantelzorg: huisvesting in of bij een woning van één huishouden van maximaal twee personen, van wie ten minste één persoon mantelzorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de woning;

mantelzorg: intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

openbaar toegankelijk gebied: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, openbaar vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

voorerfgebied: erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied;

voorgevelrooilijn: voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening;

woonwagen: voor bewoning bestemd gebouw dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst en op een daartoe bestemd perceel is geplaatst."

Artikel 2

"Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op:

[…];

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

1° 5 m,

2° 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en

3° het hoofdgebouw,

b. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

1° indien hoger dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;

2° functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het betreft huisvesting in verband met mantelzorg,

c. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn,

d. de ligging van een verblijfsgebied als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012, in geval van meer dan een bouwlaag, uitsluitend op de eerste bouwlaag,

e. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte,

f. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:

1°. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied,

2°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2,

3°. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2,

g. niet aan of bij:

1° een woonwagen,

2° een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor het bouwen daarvan is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning aangegeven termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand hersteld te hebben,

3° een bouwwerk ten behoeve van recreatief nachtverblijf door één huishouden;

[…];"

Artikel 8

"1. Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de wet is niet vereist, indien die activiteiten betrekking hebben op het bouwen van een bouwwerk dat reeds was aangevangen voor de inwerkingtreding van de wet en op het tijdstip waarop met dat bouwen is begonnen daarvoor krachtens de Woningwet geen bouwvergunning was vereist.

2. Een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, c of f, van de wet is niet vereist, indien met die activiteit reeds was aangevangen voor het tijdstip van inwerkingtreding van een besluit tot wijziging van dit besluit en op het tijdstip van die aanvang geen omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, c of f, voor die activiteit was vereist.

3. Op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit waarvoor met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet een omgevingsvergunning kan worden verleend die is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van een besluit tot wijziging van dit besluit, waarop op dat tijdstip nog niet onherroepelijk is beslist, en betrekking heeft op een activiteit die bij die wijziging als activiteit als bedoeld in artikel 4 van deze bijlage is aangewezen, blijft het recht zoals dat voor dat tijdstip gold van toepassing."