Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1132

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
29-04-2020
Zaaknummer
201905930/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2019:2945, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om toestemming voor het maken van kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2020/120 met annotatie van Zwaan, K.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905930/1/V1.

Datum uitspraak: 22 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa),

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 juni 2019 in zaak nr. 18/8890 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

het COa.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2018 heeft het COa een aanvraag van de vreemdeling om toestemming voor het maken van kosten voor het laten verrichten van een contra-expertise documentenonderzoek afgewezen.

Bij uitspraak van 28 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd, bepaald dat het COa een bedrag van € 500,00 vergoedt en dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft het COa hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.J.C. van den Hoff, advocaat te Veldhoven, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

1.    In de tweede grief klaagt het COa terecht dat de rechtbank de beoogde deskundige van de vreemdeling, [persoon], ten onrechte als documentdeskundige heeft aangemerkt. De rechtbank heeft namelijk te veel gewicht toegekend aan de cursussen die [persoon] heeft gevolgd, aan zijn lidmaatschap van bepaalde organisaties, en aan de omstandigheid dat de rechtbank hem eerder als deskundige heeft aangemerkt. Uit zijn curriculum vitae blijkt niet of hij de zelfstudiecursus documentonderzoek in 2015 en cursussen print en handschrift in 2016 heeft gevolgd aan een erkende onderwijsinstelling. Ook blijkt daaruit niet op welk niveau, uit welke modules en aantal lesuren ze bestonden, en of [persoon] ze heeft behaald. [persoon] heeft hiervan geen certificaten of diploma's vermeld. Dat [persoon] lid is van de organisatie Scientific Association of Forensic Examiners geeft ook geen informatie over zijn expertise. Bovendien moet iemands deskundigheid vooral blijken uit relevante formele opleidingen en werkervaring en niet uit de omstandigheid dat de rechtbank hem eerder als deskundige heeft aangemerkt. Uit de drie door de vreemdeling overgelegde uitspraken blijkt dat een andere partij dan het COa de deskundigheid van [persoon] niet heeft betwist, zodat de rechtbank daarvan toen heeft kunnen uitgaan. Het COa heeft in deze zaak die deskundigheid wel betwist. In dit kader wijst het COa er terecht op dat het die deskundigheid in een andere zaak ook heeft betwist en de rechtbank [persoon] toen niet als deskundige heeft aangemerkt. Het voorgaande betekent dat het COa zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [persoon] niet over de specifieke deskundigheid beschikt die hem in staat stelt om te beoordelen of een document authentiek dan wel vals of vervalst is. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

    De grief slaagt.

2.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat het COa verder aanvoert te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 28 juni 2019 in zaak nr. 18/8890;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020

282-862.