Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1126

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
201902922/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Woondorpen" vastgesteld. Het plan heeft onder meer betrekking op twee percelen gelegen ten westen van de kern Stedum, gemeente Loppersum. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Loppersum, sectie B, nummers 2714 en 2715. [appellant] en anderen wonen nabij de percelen en hebben met name zicht op het gedeelte van de percelen dat voor de woningen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ligt. [appellant] en anderen verzetten zich tegen het plan "Woondorpen", omdat volgens hen geen belangenafweging ten grondslag ligt aan dit plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902922/1/R3.

Datum uitspraak: 22 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Stedum, gemeente Loppersum,

en

de raad van de gemeente Loppersum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Woondorpen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[belanghebbende A] en [belanghebbende B] hebben gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    Gelet op de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen heeft de zitting van 27 maart 2020 geen doorgang kunnen vinden. De Afdeling heeft besloten de zaak met toepassing van artikel 8:57 van de Awb zonder zitting af te doen.

2.    Het plan heeft onder meer betrekking op twee percelen gelegen ten westen van de kern Stedum, gemeente Loppersum. De percelen zijn kadastraal bekend als gemeente Loppersum, sectie B, nummers 2714 en 2715 (hierna: de percelen).

    Voorheen golden voor de percelen de bestemmingsplannen "Stedum" uit 2007 en "Buitengebied" uit 2013. In die plannen hadden de percelen onderscheidenlijk de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Agrarisch". Het plan "Woondorpen" voorziet in een gedeeltelijke wijziging van deze plannen en kent de bestemming "Woongebied" zonder bouwvlak toe aan de percelen. Als gevolg hiervan wordt het voor de eigenaren mogelijk om aan de voor- en achterzijde van hun woningen de percelen te gebruiken als tuin en voor sport- en spelactiviteiten.

    [appellant] en anderen wonen nabij de percelen en hebben met name zicht op het gedeelte van de percelen dat voor de woningen van [belanghebbende A] en [belanghebbende B] ligt. [appellant] en anderen verzetten zich tegen het plan "Woondorpen", omdat volgens hen geen belangenafweging ten grondslag ligt aan dit plan.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inhoudelijk

4.    [appellant] en anderen betogen dat geen belangenafweging ten grondslag ligt aan het toekennen van de bestemming "Woongebied" aan de percelen. Zij voeren hiertoe aan dat de raad bij de vaststelling van het plan onvoldoende gewicht heeft toegekend aan hun belangen en ten onrechte doorslaggevend gewicht heeft toegekend aan de belangen van de eigenaren van de percelen om de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Agrarisch" te wijzigen in "Woongebied". Daarbij komt dat een eerder verzoek van de eigenaren om de bestemmingen van de percelen te wijzigen is afgewezen, omdat het agrarische karakter van de percelen behouden zou moeten blijven. De raad stelt weliswaar dat aan de percelen de bestemming "Woongebied" wordt toegekend vanwege een mondelinge toezegging die is gedaan aan de eigenaren van de percelen, maar van een dergelijke toezegging is volgens hen geen sprake. Verder betogen [appellant] en anderen dat de raad met deze bestemmingswijziging afwijkt van de zienswijzen die omwonenden naar voren hebben gebracht en van de negatieve adviezen van de provincie en externe onderzoeksbureaus.

4.1.    De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

4.2.    Uit de Nota van beantwoording zienswijzen bestemmingsplan woondorpen (hierna: de zienswijzennota), waarmee de raad blijkens het bestreden besluit heeft ingestemd, en uit het verweerschrift blijkt dat de raad niet alleen gewicht heeft toegekend aan een toezegging die hij heeft gedaan aan een van de eigenaren van de percelen, maar ook aan de belangen van deze eigenaren om die percelen als tuin te kunnen gebruiken. De raad heeft verder rekening gehouden met de belangen van omwonenden, maar in aanmerking genomen dat de ruimtelijke gevolgen van de bestemmingswijziging gering zijn vanwege de beperkte bouwmogelijkheden op het voorerf.

     Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om de bestemming "Woongebied" toe te kennen aan de percelen. De Afdeling is er niet van overtuigd dat het uitzicht van [appellant] en anderen vanuit hun woningen door het plan ernstig zal worden belemmerd. Aan de percelen is namelijk geen bouwvlak toegekend. Hoewel het bouwen van vergunningvrije aan- en bijgebouwen kan leiden tot een vermindering van zicht, is van belang dat het Besluit omgevingsrecht beperkingen stelt aan de oprichting van dergelijke bouwwerken. Deze beperkingen zien ook op de plaats waar dergelijke bouwwerken mogen worden opgericht. Daar komt nog bij dat de afstanden tussen de woningen van [appellant] en anderen en de percelen ongeveer 9, 48 en 50 m bedragen. Verder is van belang dat er geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat.

    Hiertegen brengen [appellant] en anderen in dat de raad met deze bestemmingswijziging afwijkt van het negatieve advies van de provincie. De Afdeling overweegt dat zij doelen op het provinciaal beleid dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van burgemeester en wethouders van 8 juli 2010 waarbij het verzoek van [belanghebbende B] om de bestemming van de percelen te wijzigen, is afgewezen. De Afdeling stelt voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet is gebonden aan provinciaal beleid, maar hiermee wel rekening moet houden. In de bijlage bij het besluit van 8 juli 2010 staat dat het van belang is dat de ruimtelijke kwaliteit en de karakteristiek van het gebied behouden blijft, maar dat de provincie niet op voorhand uitspraken doet over het al dan niet toestaan van de gewenste bestemmingswijziging. Dit betekent dat - anders dan [appellant] en anderen veronderstellen - de provincie in zoverre geen negatief advies heeft gegeven over het wijzigen van de bestemmingen "Agrarische doeleinden" en "Agrarisch" naar de bestemming "Woongebied".

    Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de raad ook heeft afgeweken van het negatieve advies van externe onderzoeksbureaus en van de zienswijzen die omwonenden naar voren hebben gebracht, overweegt de Afdeling dat zij niet concreet hebben gemaakt van welke adviezen van externe onderzoeksbureaus wordt afgeweken en dat verder in de zienswijzennota is ingegaan op de naar voren gebrachte zienswijzen.

    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad, gegeven de hem toekomende beleidsruimte, aan de belangen van [appellant] en anderen te weinig gewicht heeft toegekend.

    Het betoog faalt.

Conclusie

5.    Het beroep is ongegrond.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020

288-926.