Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1116

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
201902206/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 januari 2019 heeft de raad van de gemeente Langedijk het bestemmingsplan "Oudkarspel en Koedijk" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in actualisering van het juridisch-planologisch kader voor Oudkarspel en Koedijk. Dit bestemmingsplan dient onder meer ter vervanging van de beheersverordening voor het dorp Oudkarspel die op 9 september 2014 door de raad is vastgesteld. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" wat betreft het perceel [locatie 1] (voorheen: [locatie 2]). Het perceel is in 2015 in eigendom verkregen door [appellant sub 1A] en [appellant sub 2B] en tot half 2018 bewoond door [appellant sub 2D] en zijn gezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902206/1/R1.
Datum uitspraak: 22 april 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]), beiden wonend te Oudkarspel, gemeente Langedijk,

2. [ appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], gevestigd te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D], beiden wonend te Noord-Scharwoude, gemeente Langedijk, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Langedijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Oudkarspel en Koedijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [belanghebbende]) een nadere uiteenzetting gegeven.

De raad, [appellant sub 1], [belanghebbende] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 februari 2020, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. L.T. van Eijck van Heslinga, advocaat te Alkmaar, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. C.A.M. Jansen, advocaat te Rotterdam, en de raad, vertegenwoordigd door mr. I.G.M. Servais-Picord, M. Smit, M. de Jager en D.W.V. Zijlstra, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende B], bijgestaan door mr. P. van Lingen, advocaat te Alkmaar, als partij gehoord.

Overwegingen

Het bestemmingsplan

1. Het bestemmingsplan voorziet in actualisering van het juridisch-planologisch kader voor Oudkarspel en Koedijk. Dit bestemmingsplan dient onder meer ter vervanging van de beheersverordening voor het dorp Oudkarspel die op 9 september 2014 door de raad is vastgesteld.

2. Relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in bijlage II bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Toetsingskader

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. Het beroep van [appellant sub 2] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd" wat betreft het perceel [locatie 1] (voorheen: [locatie 2]). Het perceel is in 2015 in eigendom verkregen door [appellant sub 1A] en [appellant sub 2B] en tot half 2018 bewoond door [appellant sub 2D] en zijn gezin.

Ontvankelijkheid

5. De raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep van [appellant sub 2] voor zover dat ook op persoonlijke titel is ingesteld door haar vennoten [appellant sub 2D] en [appellant sub 2C]. Hierover voert de raad aan dat [appellant sub 2D] en [appellant sub 2C] alleen namens [appellant sub 1A] en [appellant sub 2B] een zienswijze hebben ingediend en niet ook op persoonlijke titel.

5.1.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb en met artikel 6:13 van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan door een belanghebbende die over het ontwerpplan niet tijdig een zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

5.2.

Vast staat dat bij brief van 22 december 2016 tijdig een zienswijze is ingediend over het plandeel met de bestemming "Gemengd" op het perceel [locatie 1], destijds 793 . Deze zienwijze is namens [appellant sub 1A] en [appellant sub 2B] ondertekend door [appellant sub 1C] en [appellant sub 1D]. In de zienswijze staat echter onder meer het volgende: "Hierbij maken wij ernstig bezwaar tegen het betreffende ontwerp bestemmingsplan Oudkarspel en Koedijk" en "Wij wijzen u er nadrukkelijk op dat wij alle financiële en overige schade als gevolg van deze bestemmingsplanwijziging voor rekening en risico van de gemeente Langedijk is en derhalve door onze onderneming op de gemeente Langedijk zal worden verhaald." Vanwege die passages uit de zienswijze is de Afdeling van oordeel dat de zienswijze - in tegenstelling tot wat de raad stelt - ook aan [appellant sub 2D] en [appellant sub 2C] op persoonlijke titel moet worden toegeschreven.

5.3.

De conclusie is dus dat het beroep van [appellant sub 2], ook voor zover dat door [appellant sub 2D] en [appellant sub 2C] is ingediend, ontvankelijk is.

[locatie 1]

6. [appellant sub 2] betogen dat op het perceel [locatie 1] ten onrechte niet is voorzien in een zelfstandige woonfunctie. Hierover voeren zij onder meer aan dat aan het gebouw een huisnummer is toegekend. Daarnaast voeren zij aan dat zij zich voorafgaand aan de koop van het perceel hebben laten informeren door dhr. K. Tijssen van de Afdeling "Bouwen en Wonen" van de gemeente en dat is toegelicht dat het destijds geldende bestemmingsplan erin voorzag dat ter plaatse in een zelfstandige woning kon worden voorzien. Waar de raad aanvoert dat het in strijd is met gemeentelijk beleid om in de zogenoemde ‘tweede lijn’ te voorzien in een zelfstandige woonfunctie, betogen zij, onder verwijzing naar een aantal concrete voorbeelden aan de Dorpsstraat, dat dit beleid niet consequent wordt nageleefd.

6.1.

Aan het perceel [locatie 1] is de bestemming "Gemengd" toegekend. Aan het perceel [locatie 1] is - in tegenstelling tot de percelen Dorpsstraat 795 en Voorburggracht 378-380 - niet ook de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Evenmin is aan het perceel [locatie 1] de aanduiding "bijgebouw" toegekend.

In artikel 1, lid 1.11, van de planregels wordt bebouwing als volgt gedefinieerd: "één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde."

In artikel 1, lid 1.21, wordt "bijbehorend bouwwerk" als volgt gedefinieerd: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, niet zijnde een overkapping".

In artikel 1, lid 1.25, wordt een "bouwperceel" als volgt gedefinieerd: "een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten."

Artikel 10, lid 10.1, onder e en m, van de planregels luidt:

"De voor "Gemengd" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

e. wonen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven;

m. bijgebouwen, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bijgebouwen"."

Lid 10.2, onder a, luidt:

"a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

1. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd;

2. Het aantal (bedrijfs)woningen mag niet meer dan 1 per bouwperceel bedragen, dan wel het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding "maximum aantal wooneenheden";

[…]

6.2.

Desgevraagd heeft de raad geen omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen (voorheen: bouwvergunning) voor het gebouw op het perceel [locatie 1] over kunnen leggen. Het is tussen partijen echter niet in geschil dat in het verleden een bouwvergunning is verleend voor de oprichting van het gebouw als bijgebouw behorend bij de woning op het perceel Dorpsstraat 795. Op enig moment zijn de percelen Dorpsstraat 795 en [locatie 1] in handen van verschillende eigenaren gekomen.

6.3.

Verder is tussen partijen niet in geschil dat zelfstandige bewoning van het gebouw op het perceel [locatie 1] op grond van het voorgaande planologische regime niet was toegestaan. De raad acht een zelfstandige woonfunctie voor het perceel [locatie 1] niet in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening. In wat [appellant sub 2] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad niet wenst te voorzien in woningbouw in de tweede lijn, omdat dit met zich brengt dat ter plaatse vergunningvrij bijbehorende bouwwerken mogen worden opgericht wat volgens de raad leidt tot een verdere verdichting en verrommeling van het achtererfgebied. Dit acht de Afdeling niet onredelijk. Ook neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad heeft toegelicht dat het perceel niet goed bereikbaar is voor hulpdiensten en dat niet op het eigen perceel in parkeergelegenheid kan worden voorzien.

6.4.

Aan het gegeven dat een apart huisnummer is toegekend aan het perceel kan niet de verwachting worden ontleend dat de raad ter plaatse planologisch in een zelfstandige woonfunctie zal voorzien, omdat een goede ruimtelijke ordening met de toekenning van een huisnummer nog niet gegeven is.

Het betoog faalt in zoverre.

6.5.

Waar [appellant sub 2] erop hebben gewezen dat het voorgaande planologische regime voorzag in een vrijstellingsbevoegdheid waarmee op het perceel [locatie 1] kon worden voorzien in een zelfstandige woonfunctie en dat dit door een ambtenaar van de gemeente zou zijn bevestigd, overweegt de Afdeling dat, wat daar ook van zij, een vrijstellingsbevoegdheid een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders is, en geen verplichting. Overigens kunnen in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen.

Het betoog faalt in zoverre.

6.6.

Over de door [appellant sub 2] gemaakte vergelijking met woningen in de tweede lijn op de percelen Dorpsstraat 796, 798, 804, 806, 812 en 814, overweegt de Afdeling dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situaties verschillen van de aan de orde zijnde situatie omdat op die percelen ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan al (legale) woningen op het perceel aanwezig waren. [appellant sub 2] hebben dit niet bestreden, zodat de Afdeling geen aanleiding heeft hieraan te twijfelen.

Het betoog faalt in zoverre.

6.7.

Waar [appellant sub 2] beroepsgronden aanvoeren over de door het college van burgemeester en wethouders gevoerde handhavingsprocedure ten aanzien van het perceel [locatie 1], overweegt de Afdeling dat die handhavingsprocedure geen deel uitmaakt van het voorliggende geschil. Het beroep van [appellant sub 2] blijft in zoverre dan ook buiten bespreking.

Conclusie

7. Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 1]

8. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - Dubbel" op het perceel [locatie 3]. [appellant sub 1] woont op het perceel [locatie 4] dat zowel ten noorden als ten oosten van het perceel [locatie 3] ligt. Het perceel [locatie 3] is eigendom van [belanghebbende].

Formele aspecten

9. [ appellant sub 1] betoogt dat de raad in strijd met artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) niet binnen 12 weken na terinzagelegging omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan heeft beslist. Vast staat dat het ontwerpplan op 30 november 2016 ter inzage is gelegd en dat het bestemmingsplan pas ruim twee jaar later is vastgesteld. De Afdeling overweegt dat uit artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro noch uit enige andere bepaling kan worden afgeleid dat de raad na het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, onder e, van de Wro niet meer bevoegd is het bestemmingsplan vast te stellen. Het door [appellant sub 1] aangevoerde op dit punt geeft dan ook geen aanleiding voor vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog faalt.

Het perceel [locatie 3] - bestemming "Wonen - Dubbel"

10. Het beroep van [appellant sub 1] is onder meer gericht tegen de wijziging van de agrarische bestemming voor het perceel [locatie 3] naar de bestemming "Wonen - Dubbel". Hij vreest volledig te worden ingebouwd met bijbehorende bouwwerken en groenvoorzieningen als gevolg van de voorziene woonbestemming. De voorheen ter plaatse geldende agrarische bestemming voorzag volgens [appellant sub 1] niet in bebouwing. Daarnaast is het bestreden plandeel in strijd met provinciaal beleid en de Provinciale ruimtelijke verordening van Noord-Holland (hierna: de PRV) vastgesteld, omdat buiten bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van de PRV wordt voorzien in een woonbestemming met bijbehorende bouwmogelijkheden.

10.1.

De raad stelt zich op het standpunt dat het bestreden plandeel niet in strijd is met de PRV, omdat het gedeelte van het perceel [locatie 3] waaraan voorheen een agrarische bestemming was toegekend volgens de raad deel uitmaakt van bestaand stedelijk gebied.

10.2.

Aan het perceel [locatie 3] is de bestemming "Wonen - Dubbel" toegekend. Op het perceel [locatie 3] staat, ten westen van het perceel van [appellant sub 1], de woning van [belanghebbende]. Aan deze woning is naast de bestemming "Wonen - Dubbel" ook de aanduiding "bouwvlak" toegekend. Voor het overige is aan het perceel [locatie 3] geen bouwvlak toegekend. Aan het gedeelte van het perceel [locatie 3] dat ten zuiden van het perceel van [appellant sub 1] ligt is ook de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" toegekend.

10.3.

Aan het perceel [locatie 3] was in het voorgaande bestemmingplan "Buitengebied en Koedijk", vastgesteld door de raad op 4 december 2007, de bestemming "Agrarisch gebied" toegekend, behoudens de gronden ter plaatse van en dicht rondom de woning. Op grond van artikel 4, tweede lid, van de planvoorschriften was het bouwen van gebouwen op het gedeelte van het perceel met een agrarische bestemming uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. Ter plaatse was niet ook voorzien in een agrarisch bouwvlak. Het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, was, behoudens de bouw van mest- en sleufsilo’s en overkappingen, wel buiten het bouwvlak toegestaan, zo lang de bouwhoogte van het bouwwerk niet meer dan 3 meter bedroeg.

10.4.

De Afdeling begrijpt het beroep van [appellant sub 1] zo dat dit gericht is tegen het plandeel met de bestemming "Wonen - Dubbel" voor zover daaraan voorheen een agrarische bestemming was toegekend en niet ook tegen het gedeelte van het perceel waaraan voorheen reeds een woonbestemming was toegekend (dat wil zeggen: het gedeelte van het perceel waar de woning staat). Verder begrijpt de Afdeling [appellant sub 1] zo dat het bestemmingsplan volgens hem in strijd met artikel 5c, eerste lid, van de PRV voorziet in een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. Om te kunnen beoordelen of dit inderdaad het geval is, beoordeelt de Afdeling eerst of het door [appellant sub 1] bestreden plandeel bestaand stedelijk gebied is als bedoeld in artikel 2, onder j, van de PRV. Dit artikel sluit voor de definitie van ‘bestaand stedelijk gebied’ aan bij de definitie van bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro.

10.4.1.

Zoals al is overwogen in de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, hangt de beantwoording van de vraag of een plangebied als een bestaand stedelijk gebied in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in samenhang met artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Bro, kan worden aangemerkt, volgens de nota van toelichting (2017) af van de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het bestemmingsplan en de aard van de omgeving.

Bij de beantwoording van deze vraag dient volgens de jurisprudentie van de Afdeling te worden beoordeeld of het voorgaande bestemmingsplan binnen het gebied reeds een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakt, of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1340 (Veghel) en 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1581 (Papendrecht).

10.4.2.

Omdat het voorgaande planologische regime ter plaatse van het relevante gedeelte van het perceel voorzag in een agrarische functie en daarbij behorende bebouwing, geen gebouwen zijnde, maakt het perceel [locatie 3] in zoverre geen deel uit van bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, onder h, van het Bro. Zoals in de overzichtsuitspraak is overwogen maken omstandigheden als de situering van het plangebied aansluitend aan bebouwing niet dat het plangebied kan worden aangemerkt als bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, onder h, van het Bro. Gezien het vorenstaande stelt [appellant sub 1] naar het oordeel van de Afdeling terecht dat het gedeelte van het perceel [locatie 3] waaraan voorheen een agrarische bestemming was toegekend buiten bestaand stedelijk gebied ligt.

10.5.

Vervolgens is gelet op het toetsingskader van artikel 5c, eerste lid, van de PRV relevant of het bestreden plandeel voorziet in een kleinschalige ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder y, van de PRV. Op het relevante gedeelte van het perceel [locatie 3] wordt niet voorzien in een bouwvlak. Maar de toekenning van de woonbestemming brengt gelet op artikel 19 van de planregels in samenhang bezien met de verbeelding (o.a. vergunningvrije) bouwmogelijkheden met zich. Naar het oordeel van de Afdeling moeten deze bouwmogelijkheden als kleinschalige ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder y, van de PRV worden aangemerkt.

10.6.

Gelet op het voorgaande stelt [appellant sub 1] dan ook terecht dat het bestreden plandeel is vastgesteld in strijd met artikel 5c, eerste lid, van de PRV op grond waarvan een bestemmingsplan een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied uitsluitend mogelijk maakt binnen een bestaand bouwblok dat al voorziet in een stedelijke functie. Dat is hier niet gebeurd, want de ontwikkeling is niet binnen een bestaand bouwblok mogelijk gemaakt. De raad heeft dit miskend.

Het betoog slaagt.

Paardenbak

11. Het beroep van [appellant sub 1] is daarnaast gericht tegen de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" aan het perceel [locatie 3]. [appellant sub 1] kan zich niet verenigen met het als zodanig bestemmen van de ter plaatse aanwezige paardenbak, die volgens hem illegaal is aangelegd. Hij vreest hierdoor een onevenredige aantasting van zijn woon- en leefklimaat door geurhinder, lichthinder, geluidshinder, stofhinder, de aanwezigheid van mest/besproeiing en een verslechtering van de sociale veiligheid.

Volgens [appellant sub 1] wordt niet voldaan aan de richtafstand die in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt aanbevolen tussen paardenbakken en woningen. Een scherm van 3 meter hoog - dat volgens [appellant sub 1] overigens ook illegaal is geplaatst - neemt de overlast van de paardenbak niet weg. De veronderstelling van de raad dat de paardenbak alleen hobbymatig wordt gebruikt is volgens [appellant sub 1] onjuist. Bovendien is in de planregels volgens [appellant sub 1] geen regeling opgenomen die waarborgt dat de paardenbak alleen hobbymatig wordt gebruikt.

11.1.

De raad heeft bij recht voorzien in een paardenbak op het perceel [locatie 3], omdat het volgens de raad gaat om een bestaande paardenbak die onder het overgangsrecht van het voorgaande planologische regime viel, het alleen om hobbymatig gebruik gaat, bij de paardenbak geen mestplaat aanwezig is, de aanwezige lichtmast niet schijnt op het huis van [appellant sub 1] en omdat tussen het perceel van [appellant sub 1] en [belanghebbende] over de gehele lengte van de paardenbak een (legaal opgericht) scherm van 3 meter hoog staat. De raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat tijdens handhavingsprocedures geen onaanvaardbare overlast bij de woning van [appellant sub 1] is vastgesteld.

11.2.

Het oppervlak van het gedeelte van het perceel [locatie 3] met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" bedraagt ongeveer 580 m2.

Artikel 31 luidt:

"Tot een gebruik, strijdig met dit bestemmingsplan, wordt in ieder geval gerekend:

[…]

g. het gebruik van gronden ten behoeve van paardenbakken, met dien verstande dat de bestaande paardenbak op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" is toegestaan.

11.3.

De Afdeling stelt vast dat de afstand tussen de gronden met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" op het perceel [locatie 3] en het bouwvlak van [appellant sub 1] op het perceel [locatie 4] minimaal ongeveer 14 meter bedraagt. Het oppervlak van het gedeelte van het perceel [locatie 3] met de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" bedraagt ongeveer 580 m2.

11.4.

De Afdeling begrijpt de raad zo dat de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het planologisch voorzien in een paardenbak op het perceel [locatie 3] ligt in een aantal ruimtelijke omstandigheden en veronderstellingen. Met name gaat dat om de omstandigheden dat het slechts zou gaan om ‘hobbymatig gebruik’ van de paardenbak, de omstandigheid dat tussen het perceel van [appellant sub 1] en de paardenbak een groen begroeid scherm van 3 meter staat, de afwezigheid van een mestplaat en de omstandigheid dat de lichtmasten niet naar de woning van [appellant sub 1] gericht zijn. [appellant sub 1] stelt naar het oordeel van de Afdeling terecht dat deze omstandigheden niet zijn gewaarborgd in het bestemmingsplan.

11.4.1.

Waar de raad zich op het standpunt stelt dat in de planregels is gewaarborgd dat de paardenbak alleen hobbymatig mag worden gebruikt, overweegt de Afdeling dat zij dit niet volgt. De raad heeft ter zitting toegelicht dat het gebruik van de paardenbak ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan hobbymatig was en dat dus, gelet op artikel 1, lid 1.18, in samenhang bezien met artikel 31, onder g, van de planregels, alleen hobbymatig gebruik van de paardenbak als een legale situatie kan worden aangemerkt/als zodanig is bestemd. Op grond van artikel 31, onder g, van de planregels worden alleen bestaande paardenbakken op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" niet als strijdig gebruik aangemerkt. In artikel 1, lid 18, van de planregels wordt "bestaand" gedefinieerd als: "de legale situatie zoals die is op het moment dat het bestemmingsplan in werking treedt". [appellant sub 1] heeft echter gemotiveerd bestreden dat het gebruik van de paardenbak op het perceel hobbymatig is en was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, omdat [belanghebbende] naar gesteld de paardenbak zou inzetten voor coachingsdoeleinden/beroep en/of bedrijf aan huis, wat op grond van artikel 19, lid 19.1, onder a, van de planregels ook zou zijn toegestaan en dus als legaal gebruik van de paardenbak zou kunnen worden aangemerkt. Wat hier ook van zij, achteraf bezien valt de aard van het feitelijke gebruik van de paardenbak op het perceel ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan niet of moeilijk vast te stellen, nog daargelaten dat hobbymatig gebruik en/of bedrijfsmatig/beroepsmatig gebruik niet in de planregels worden gedefinieerd. Alleen al daarom acht de Afdeling onvoldoende gewaarborgd dat de voorziene paardenbak alleen hobbymatig mag worden gebruikt.

Het betoog slaagt.

11.4.2.

Over het scherm/hek van 3 meter hoog, overweegt de Afdeling het volgende. Op 9 januari 2017 is een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een tuinscherm op het perceel [locatie 3] en deze omgevingsvergunning is onherroepelijk. De raad heeft onweersproken gesteld dat deze omgevingsvergunning is verleend voor het scherm dat tussen het perceel van [appellant sub 1] en de paardenbak staat. In het bestemmingsplan is echter niet gewaarborgd dat het scherm in stand wordt gehouden zolang de paardenbak in gebruik is. Het staat [belanghebbende] op grond van het bestemmingsplan dus vrij om het scherm op ieder moment weer te verwijderen. Gelet hierop slaagt het betoog van [appellant sub 1] dat ook de aanwezigheid van het scherm niet is gewaarborgd in het bestemmingsplan.

11.5.

Gelet op het voorgaande heeft de raad bij de voorbereiding van zijn besluit niet de juiste kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen vergaard en zich niet op grond van de door hem gegeven motivering op het standpunt kunnen stellen dat het als zodanig bestemmen van de paardenbak op het perceel [locatie 3] geen onaanvaardbare gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1].

Het betoog slaagt.

Overig

12. Gelet op het voorgaande behoeft de beroepsgrond van [appellant sub 1] dat de onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het bestemmingsplan geactualiseerd hadden moeten worden na de terinzagelegging van het ontwerpplan, geen bespreking.

Conclusie

13. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Wonen - Dubbel" wat betreft het perceel [locatie 3] zoals nader weergegeven op de bij deze uitspraak behorende kaart I is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 5c, eerste lid, van de PRV. Het beroep van [appellant sub 1] is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Opdracht

14. De Afdeling ziet in verband met het beroep van [appellant sub 1] aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft daarbij niet opnieuw te worden doorlopen.

Proceskosten

15. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

16. Ten aanzien van [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Langedijk tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oudkarspel en Koedijk" wat betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - Dubbel" voor het perceel [locatie 3] zoals nader weergegeven op de in bijlage I bij deze uitspraak behorende kaart I;

III. draagt de raad van de gemeente Langedijk op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 2A], [appellant sub 2B], [appellant sub 2C] en [appellant sub 2D] en ongegrond;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Langedijk tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendenvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Langedijk aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Koziolek-Stoof, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020

749.

BIJLAGE I

Kaart I

BIJLAGE II

Besluit ruimtelijke ordening

Artikel 1.1.1, eerste lid, onder h

In dit besluit en de hierop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

[….]

h. bestaand stedelijk gebied: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Provinciale Ruimtelijke Verordening (juni 2019)

Artikel 2 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

[…]

j. bestaand stedelijk gebied: gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening;

[…]

y. kleinschalige ontwikkeling: nieuwe bebouwing voor stedelijke functies die gelet op de kleinschaligheid en beperkte ruimtelijke gevolgen niet wordt aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Besluit ruimtelijke ordening;

[…]

Artikel 5c Kleinschalige ontwikkeling

1. Een bestemmingsplan maakt een kleinschalige ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied uitsluitend mogelijk binnen een bestaand bouwblok dat al voorziet in een stedelijke functie. Het aantal burgerwoningen mag hierbij niet toenemen.

2. In afwijking van het eerste lid is bebouwing buiten het bestaande bouwblok mogelijk, mits het bebouwd oppervlak niet wordt vergroot.

Relevante planregels

Artikel 1

1.21

bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, niet zijnde een overkapping;

Artikel 19 Wonen - Dubbel

19.1

Bestemmingsomschrijving

De voor Wonen - Dubbel" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wonen, uitsluitend in de vorm van dubbele woningen, al dan niet in combinatie met aan huis verbonden beroepen en/of bedrijven;

[…]

b. sport- en speelvoorzieningen;

[…]

Lid 19.2 luidt:

19.2

Bouwregels

a. Voor het bouwen van hoofdgebouwen, bijbehorende bouwwerken die binnen het bouwvlak worden gebouwd gelden de volgende regels:

1. als hoofdgebouwen mogen uitsluitend halfvrijstaande woningen (ten hoogste 2 aaneengebouwd) worden gebouwd;

2. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;

3. […]

b. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken, overkappingen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten het bouwvlak gelden de volgende regels:

[…]

c. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen die buiten het bouwvlak worden gebouwd gelden de volgende regels:

[…]

Artikel 31 Algemene gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met dit bestemmingsplan, wordt in ieder geval gerekend:

[…]

g. het gebruik van gronden ten behoeve van paardenbakken, met dien verstande dat de bestaande paardenbak op de gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - paardenbak" is toegestaan.