Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1106

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
201905184/1/R1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 juli 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de eerste verdieping en het realiseren van een dakterras op de aanbouw op het perceel [locatie 1] te Haarlem. [appellanten] wonen in het pand op het naastgelegen perceel [locatie 2]. Zij vrezen voor aantasting van de privacy door inkijk in de woonkamer vanaf het dakterras.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8350
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905184/1/R1.

Datum uitspraak: 22 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Haarlem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2019 in zaak nr. 18/4777 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2018 heeft het college aan [vergunninghouder] een omgevingsvergunning verleend voor het uitbreiden van de eerste verdieping en het realiseren van een dakterras op de aanbouw op het perceel [locatie 1] te Haarlem.

Bij besluit van 25 september 2018 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 juli 2018 gehandhaafd.

Bij uitspraak van 27 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[vergunninghouder] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 februari 2020, waar [appellanten], bijgestaan door mr. J.W. Spanjer, advocaat te Heemstede, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S.M. Vringer, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. J.F.E. Mackay-Beins, advocaat te Amsterdam, als partij gehoord.

Overwegingen

1.    Het bouwplan betreft het uitbreiden van de eerste verdieping en het realiseren van een dakterras op de aanbouw aan de achterzijde van de woning van [vergunninghouder]. [appellanten] wonen in het pand op het naastgelegen perceel [locatie 2]. Zij vrezen voor aantasting van de privacy door inkijk in de woonkamer vanaf het dakterras. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Leidsebuurt". Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken heeft het college een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, gelezen in verbinding met artikel 4, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

2.    [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering is die aan vergunningverlening in de weg staat. De rechtbank heeft het oordeel dat er geen evidente privaatrechtelijke belemmering is gebaseerd op de omstandigheid dat er zijdelings uitzicht is, terwijl er volgens [appellanten] rechtstreeks uitzicht vanaf het dakterras in hun woonkamer is. Dit zicht is er zowel overdag als ’s avonds, waarbij de inkijk ’s avonds groter is omdat dan de verlichting in de woonkamer aan is. Ook als er zijdelings uitzicht zou zijn, is er volgens hen een evidente privaatrechtelijke belemmering. Daartoe voeren zij aan dat de rechtbank de jurisprudentie van de Afdeling ten onrechte leidend heeft geacht, terwijl de jurisprudentie van de Hoge Raad als hoogste privaatrechtelijke rechter in dit geval doorslaggevend dient te zijn. De Hoge Raad heeft volgens hen in de uitspraak van 13 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5547, geoordeeld dat het verschil tussen rechtstreeks en zijdelings uitzicht sinds de invoering van artikel 5:50, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: het BW) geen rol meer speelt bij de toepassing van artikel 5:50, eerste lid, van het BW. Dit betekent dat zowel rechtstreeks als zijdelings uitzicht een evidente privaatrechtelijke belemmering vormt, aldus [appellanten].

2.1.    Artikel 5:50 van het BW luidt:

"1. Tenzij de eigenaar van het naburige erf daartoe toestemming heeft gegeven, is het niet geoorloofd binnen twee meter van de grenslijn van dit erf vensters of andere muuropeningen, dan wel balkons of soortgelijke werken te hebben, voor zover deze op dit erf uitzicht geven.

[…]

3. De in dit artikel bedoelde afstand wordt gemeten rechthoekig uit de buitenkant van de muur daar, waar de opening is gemaakt, of uit de buitenste naar het naburige erf gekeerde rand van het vooruitspringende werk tot aan de grenslijn der erven of de muur.

[…]."

2.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:523), bestaat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan in de weg staat, slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit.

2.3.    Zoals de Afdeling verder eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3539, kan uit de bewoordingen van artikel 5:50 van het BW worden afgeleid dat er een verschil bestaat tussen rechtstreeks uitzicht, rechthoekig gemeten vanaf de opening, en "schuin uitzicht". Uit de bewoordingen van artikel 5:50 van het BW kan naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer worden afgeleid dat onder het daarin verwoorde verbod ook het "schuin uitzicht" dient te worden begrepen. De Afdeling wijst in dit verband op haar uitspraak van 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2364, en haar uitspraak van 21 mei 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1814, waarin dit in vergelijkbare zin is overwogen. Anders dan waarvan [appellanten] en de rechtbank uitgaan, heeft de Afdeling in die uitspraken al overwogen dat uit het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2003 niet kan worden afgeleid dat de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat het verschil tussen rechtstreeks en zijdelings zicht geen rol speelt bij artikel 5:50 van het BW.

2.4.    Op basis van de door partijen overgelegde en ter zitting getoonde foto’s stelt de Afdeling vast dat er vanaf de korte zijde van het door [vergunninghouder] gewenste balkon rechtstreeks zicht is op het naburige erf van [appellanten]. Omdat de korte zijde van het balkon rechtstreeks uitkijkt op dit erf, volgt de Afdeling het college niet in de stelling dat er om een hoekje moet worden gekeken en een kwartslag moet worden gedraaid om zicht te hebben op dit erf. De korte zijde van het voorziene balkon bevindt zich binnen twee meter van de grens met het erf van [appellanten] en heeft een open hekwerk met een hoogte van 1,20 m. Daarmee is er sprake van zicht op het erf binnen 2 m van de grenslijn als bedoeld in artikel 5:50 van het BW. Vanaf het balkon is er door de twee glazen lichtkoepels in het dak van de aanbouw van [appellanten] in ieder geval ’s avonds met kunstmatige verlichting aan rechtstreeks zicht in hun woonkamer. Daargelaten of het zicht vanwege de bolling van de lichtkoepels overdag beperkt is, levert ook zicht dat wegens verlichting in de woonkamer beperkt is tot de avonduren, rechtstreeks zicht op als bedoeld in artikel 5:50 van het BW. Aangezien in het bouwplan geen voorzieningen zijn opgenomen om het rechtstreekse zicht weg te nemen, levert het bouwplan strijd op met artikel 5:50 van het BW. Dit betekent dat sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan vergunningverlening voor het bouwplan in de weg staat. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

    Het betoog slaagt.

3.    Nu een evidente privaatrechtelijke belemmering aan vergunningverlening in de weg staat, komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van de hogerberoepsgrond dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om medewerking te verlenen aan afwijking van het bestemmingsplan.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 september 2018 alsnog gegrond verklaren en dat besluit wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) vernietigen. Dit betekent dat het college een nieuw besluit op het door [appellanten] tegen het besluit van 9 juli 2018 gemaakte bezwaar dient te nemen, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

5.    Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het door het college te nemen nieuwe besluit slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

6.    Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 27 mei 2019 in zaak nr. 18/4777;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlem van 25 september 2018, kenmerk JZ/2018/409760;

V.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem op om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

VI.    bepaalt dat tegen het met inachtneming van deze uitspraak te nemen nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld;

VII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlem tot vergoeding van bij [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.100,00 (zegge: tweeduizend honderd euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VIII.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Haarlem aan [appellant A] en [appellant B] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.    

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020

374-855.