Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:1104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-04-2020
Datum publicatie
22-04-2020
Zaaknummer
201905156/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:2571, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college van burgemeester en wethouders van Veere heeft bij 59 afzonderlijke besluiten vergunningen verleend voor het exploiteren van tien extra standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen. [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel [locatie] in Veere. Zij heeft daar een agrarisch bedrijf en een kleinschalig kampeerterrein, ook wel aangeduid als minicamping, met 15 standplaatsen. [appellant sub 1] wil op het kampeerterrein 25 kampeerplaatsen exploiteren. In dat verband heeft zij 56 verleende kampeervergunningen voor de uitbreiding tot 25 standplaatsen van andere minicampings aangevochten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2020/15 met annotatie van Barkhuysen, T., Jak, N., Kortmann, C.N.J.
AB 2020/270 met annotatie van J. Wieland
Gst. 2020/111 met annotatie van J. Korzelius
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905156/1/A3.

Datum uitspraak: 22 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1A] en AGRAFORCE Take 2 C.V., wonend respectievelijk gevestigd te Veere, (hierna tezamen en in enkelvoud [appellant sub 1]),

2.    het college van burgemeester en wethouders van Veere

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 juni 2019 in zaak nr. 18/8392 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college.

Procesverloop

Het college heeft bij 59 afzonderlijke besluiten vergunningen verleend voor het exploiteren van tien extra standplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen.

Bij besluit van 4 december 2018 heeft het college de door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 juni 2019 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] tegen dat besluit voor zover dat zag op 56 verleende vergunningen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 december 2018 vernietigd, de 56 afzonderlijke besluiten herroepen en bepaald dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het college en [appellant sub 1] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1], het college en minicamping De Buck hebben nadere stukken ingediend.

Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.

Vervolgens is het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant sub 1] is eigenaar van het perceel [locatie] in Veere. Zij heeft daar een agrarisch bedrijf en een kleinschalig kampeerterrein, ook wel aangeduid als minicamping, met 15 standplaatsen. [appellant sub 1] wil  op het kampeerterrein 25 kampeerplaatsen exploiteren. In dat verband heeft zij 56 verleende kampeervergunningen voor de uitbreiding tot 25 standplaatsen van andere minicampings aangevochten.

2.    De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

De uitspraak van de rechtbank

3.    De rechtbank heeft overwogen dat aan de besluiten tot vergunningverlening door het college geen aanvragen ten grondslag liggen. De oorspronkelijke aanvragen op grond waarvan tijdelijke ontheffingen zijn verleend, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Ook mondelinge verzoeken van de Vereniging Kampeerboeren en van betrokken exploitanten kunnen niet als aanvraag worden gezien in de zin van de Kampeerverordening 2015 in samenhang gelezen met artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Het college was daarom niet bevoegd om de vergunningen te verlenen. De rechtbank heeft daarom het besluit van 4 december 2018 vernietigd en 56 besluiten waarbij vergunning is verleend, herroepen. Verder heeft de rechtbank het college veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van € 2048,00. Daarbij heeft de rechtbank [gemachtigde] aangemerkt als derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent. Verder heeft [appellant sub 1] niet onderbouwd dat zij meer of hogere kosten heeft moeten maken als gevolg van de proceshouding van het college. Voor een afwijking van het forfaitaire stelsel van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) is daarom geen aanleiding, aldus de rechtbank.

Heeft [appellant sub 1] nog belang bij een beoordeling van haar hoger beroep?

4.    Het college wijst in de schriftelijke uiteenzetting erop dat [appellant sub 1] geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar hoger beroep, omdat met de intrekking van de Kampeerverordening 2015 per 26 september 2019 geen vergunningplicht meer bestaat voor kampeerterreinen en uitbreidingen daarvan. Voor zover [appellant sub 1] stelt schade te hebben geleden, is dat niet onderbouwd. Bovendien wordt de gestelde schade niet veroorzaakt door het bestreden besluit, aldus het college.

4.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant sub 1] in hoger beroep opkomt tegen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding. Gelet hierop heeft [appellant sub 1] feitelijk belang bij een beoordeling van haar hoger beroep. Er is dan ook geen aanleiding om het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.

Is het incidenteel hoger beroep ontvankelijk?

5.    [appellant sub 1] wijst in haar schriftelijke uiteenzetting erop dat de ambtenaar die het incidenteel-hogerberoepschrift heeft ondertekend, daartoe niet was gemachtigd door het college. Bovendien is niet gebleken van een procesbesluit van het college tot het indienen van een incidenteel  hogerberoepschrift. Dit gebrek kan gezien eerdere uitspraken van de Afdeling niet achteraf worden gerepareerd, aldus [appellant sub 1]. Tevens stelt [appellant sub 1] dat het college met het indienen van het incidenteel-hogerberoepschrift misbruik maakt van recht.

5.1.    Het college is in de gelegenheid gesteld om een incidenteel-hogerberoepschrift in te dienen. De termijn daarvoor liep tot en met 5 november 2019. Bij brief van 29 oktober 2019, verzonden op 4 november 2019, is namens het college van die gelegenheid gebruik gemaakt. Die brief is namens het college ondertekend door het Afdelingshoofd Ruimtelijke Ordening. Omdat het Afdelingshoofd Ruimtelijke Ordening niet gemachtigd was om een incidenteel-hogerberoepschrift in te dienen, heeft het college bij besluit van 26 november 2019 het incidenteel hoger beroep bekrachtigd.

5.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 10 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR4590, is op grond van artikel 160, eerste lid, aanhef en onder f, van de Gemeentewet voor een rechtsgeldig besluit van het college tot het instellen van hoger beroep de instemming van het voltallige college vereist, tenzij het college een of meer van zijn leden op grond van artikel 168, eerste lid, van de Gemeentewet daartoe heeft gemachtigd. Vaststaat dat het college bij het besluit van 26 november 2019 de indiening van het incidenteel-hogerberoepschrift heeft bekrachtigd en dat er tot die datum geen besluit van het college was tot het instellen van incidenteel hoger beroep. De bekrachtiging na het verstrijken van de termijn maakt niet dat het incidenteel hoger beroep alsnog rechtsgeldig is. Voor zover het college erop heeft gewezen dat de situatie in de hierboven genoemde uitspraak niet overeenkomt met de situatie in deze zaak, heeft het college die stelling niet onderbouwd. In de omstandigheid dat het in die zaak om een hoger beroep ging en in dit geval om een incidenteel hoger beroep ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel.

5.3.    De conclusie is dat binnen de termijn voor het indienen van een incidenteel-hogerberoepschrift door het college geen besluit was genomen tot het instellen daarvan. Het incidenteel hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk.

De inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep van [appellant sub 1]

6.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank in de proceshouding van het college ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor een hogere proceskostenvergoeding. Daarbij wijst [appellant sub 1] erop dat het college met opzet onhoudbare standpunten heeft ingenomen en daarvan pas in een laat stadium terug is gekomen. Verder wijst zij erop dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat beide partijen ervan uitgaan dat de minicampings die het betrof, beschikken over een vergunning voor onbepaalde tijd voor vijftien standplaatsen.

6.1.    Op grond van artikel 2, derde lid, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de wijze waarop het bedrag van de kosten op grond van het eerste lid wordt vastgesteld. De stelling dat het college volgens [appellant sub 1] duidelijk onhoudbare standpunten heeft ingenomen, wat daarvan ook zij, is naar het oordeel van de Afdeling niet zo bijzonder dat dit afwijking van de standaardberekening van de proceskostenvergoeding rechtvaardigt. Een bestuursrechtelijke procedure wordt nu eenmaal gekenmerkt door meningsverschillen van betrokken partijen over relevante punten. Het betoog slaagt niet.

6.2.    Over het betoog van [appellant sub 1] dat in de aangevallen uitspraak haar standpunt onjuist is opgenomen en dat dit mogelijk nog gevolgen heeft, overweegt de Afdeling dat de desbetreffende overweging in de aangevallen uitspraak is opgenomen ter afbakening van het geschil dat alleen zag op de uitbreidingsvergunningen van minicampings. Bovendien heeft de rechtbank het geschil definitief beslecht door de besluiten tot vergunningverlening te herroepen. De overwegingen van de rechtbank kunnen derhalve niet relevant zijn voor verdere besluitvorming. Het betoog slaagt niet.

Slotoverwegingen

7.    Het incidenteel hoger beroep van het college is niet-ontvankelijk. Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, wordt bevestigd.

8.    Ten aanzien van de proceskosten die [appellant sub 1] heeft gemaakt in verband met het incidenteel hoger beroep van het college, wordt het college op na te melden wijze tot vergoeding van die kosten veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het incidenteel hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Veere niet-ontvankelijk;

II.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 1A] en AGRAFORCE Take 2 ongegrond;

III.    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en AGRAFORCE Take 2 C.V. in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 262,50 (zegge: tweehonderdtweeënzestig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 22 april 2020

545.

 

BIJLAGE

 

Besluit proceskosten bestuursrecht

Artikel 2

1.    Het bedrag van de kosten wordt bij de uitspraak, onderscheidenlijk de beslissing op bezwaar of het administratief beroep als volgt vastgesteld:

[…]

2.    […]

3.    In bijzondere omstandigheden kan van het eerste lid worden afgeweken.